In gevecht met de engel; VOOR HET EERST POEZIEBUNDELS VAN WALLACE STEVENS VERTAALD

IN EEN VAN zijn vroegere gedichten introduceert Remco Campert Wallace Stevens, 'die in verzekeringen doet'. Stevens zegt dat er een engel aan de deur is, en de ogen van de dichter gaan open: hij is bereid om in zo'n engel te geloven....

Het gedicht van Campert is wonderschoon omdat het zo veel zegt in zo weinig en zulke bescheiden termen, eigenlijk in één woord: Stevens.

Wie gaat er schuil achter die heel gewone naam, wat heeft hij dat wij niet hebben?

In een onlangs verschenen bundel vertaalde gedichten komen we regels tegen die de vraag alleen maar interessanter maken. Daar is de engel opnieuw, 'een oogwenk zichtbaar staande in de deur'. Hij noemt zichzelf 'de engel van de werkelijkheid' (vrijwel dezelfde termen gebruikt Campert) en met een 'zwenk' (bij Campert is het een 'wenk') van zijn schouders is hij verdwenen.

Het gedicht waar deze regels in voorkomen, is van Wallace Stevens (1879-1955), in het dagelijks leven verzekeraar. De bundel, Een blauwdruk voor de zon, is een keuze uit zijn werk.

Je zou de herkomst van deze engel stap voor stap willen traceren, van Campert naar Stevens en naar andere auteurs en zieners. Engelen hebben niets vrijblijvends, al zijn ze bij tijd en wijle nadrukkelijk in de mode.

De engel van Stevens is voor ons niet goed peilbaar. Je ziet hem in een flits maar hij is altijd vlakbij, hij is een van ons, 'noodwendig', maar ook weer 'een mens half gezien'. We raken als lezers voor de zoveelste maal doordrongen van onze beperkingen, van het gegeven dat engelen (zoals Harold Bloom treffend opmerkte) niet bij de eerste de beste langskomen. De engel van Stevens is omgeven door landlieden, maar die lijken volstrekt geen moeite te hebben met deze verschijning.

De behoefte om de engel van Stevens te traceren wordt niet minder als je weet dat Stevens geen gelovig mens was. Geloven is hier niet aan de orde. God gelooft niet in engelen, om Bloom weer aan te halen, en wij moeten die engelen ook niet voor elke onbenulligheid laten opdraven.

Stevens neemt een esthetisch risico met zijn engel, op meerdere plaatsen in zijn werk, en als hij triomfeert is het niet op grond van externe factoren als orthodoxie en geloof. Wat zijn engel zegt en doet kan waarschijnlijk niet anders worden gezegd of gedaan:

Wat moet ik geloven? Als de engel in zijn wolk,

Sereen starend in de kolkende afgrond,

Snaren plukt om peilloze glorie te plukken,

Duikt door avondlijke openbaringen, en

Vleugels gespreid alleen de diepte no dig heeft,

De goudkern vergeet, de gouden be stemming,

Bewegingloos bewegend, warm wordt in zijn vlucht -

Ben ik, die de engel verzin, minder voldaan?

De poëzie van Stevens is het terrein van een grootse krachtmeting, een gevecht met de engel dat je weliswaar kunt winnen, maar niet zonder zelf blijvende verwondingen op te lopen. Hij zegt ergens: 'The poet is the priest of the invisible.' Met die ambitie staat Stevens in de traditie van Whitman en Emerson, de Amerikaanse zieners die ons keer op keer bewust maken van datgene wat ánders en misschien wel onheilspellend is in de Nieuwe Wereld.

Lezend in deze eerste bundel met (vaak mooie) Nederlandse vertalingen zou je willen dat die donkere kant van Stevens' artistieke onderneming scherper naar voren was gebracht. Wie de dichter niet laat zien in zijn wanhopige streven maakt hem kleiner. Het is interessant dat Rein Bloem The Auroras of Autumn laat liggen, evenals Esthetique du Mal, twee reeksen van gedichten waarin Stevens zijn verwondingen haast genadeloos toont.

Bloem geeft ons wel The Man with the Blue Guitar, elegant vertaald als De man met de gitaar van blauw, maar in die cyclus is het gevecht veel meer teruggebracht tot een spel. De speelman is een virtuoos, een tovenaar die zich moet bewijzen door het spel met de taal tot het bittere einde uit te spelen.

'Ai', zegt Bloem in zijn woord vooraf, 'er is meer dan genoeg te interpreteren, maar het kan niemand ontgaan dat de zin in de onzin van de voorstelling raakt aan de onzekerheid van het bestaan, tot zijn recht komend in de improvisaties op het jammerhout en het bijbehorend plezier dat je daarvan terugkrijgt.'

Je gunt natuurlijk iedereen zijn plezier, maar de vraag of Stevens zo voldoende recht wordt gedaan is daarmee nog niet beantwoord. Bloem ziet hem op het toneel, een komiek misschien, een vrolijke illusionist, en in die gedaante kunnen we de dichter wel verdragen. Maar wie deze poëzie leest, zal (ook in de vertalingen) worden getroffen door de formules, de herhalingen - door het bezwerende karakter ervan.

Stevens kan zeggen (in Esthetique du Mal) dat de dood van satan een ramp was voor de verbeelding. Hij weet maar al te goed dat zijn eigen engel lang niet dezelfde luister heeft als de engelen van Milton, de gevallen engel voorop; Stevens geniet van de lunch in een café aan de voet van de Vesuvius, met een boek op schoot, en weet dat zijn catastrofe altijd zeer correct zal zijn. Wij hoeden ons voor het sublieme.

De moed van Stevens om dat gegeven onder ogen te zien is de kiem van wat je - bij gebrek aan een beter woord - zijn sublieme realisme kunt noemen. Hij stelde zich nooit, zoals Milton, op één lijn met de grote profeten van de westerse traditie.

Hij is, zoals zijn engel zegt, een van ons:

Ik ben een van u en een van u zijn

Is wezen en weten wat ik ben en weet.

Stevens heeft de problemen van zijn aanpak zeer goed gezien; hij was altijd bescheiden over zijn werk, een eigenschap die hij combineerde met een grote mate van vasthoudendheid en concentratie. Hij schreef essays over esthetische kwesties, sprak in het openbaar over de taak van de dichter, en eigenlijk speet het hem dat hij nooit één grote, samenhangende poëtica heeft kunnen schrijven.

Rein Bloem heeft - blijkt uit zijn woord vooraf - niet geweldig veel geduld met al die abstracties: als lezer weet hij zich door Stevens en zijn vele exegeten geprogrammeerd. 'De prijs die we voor dit soort koppelverkoop moeten betalen is te hoog', schrijft hij.

Maar zijn eigen exegese, die niet veel toevoegt aan het al bekende, is ook een wat academische aangelegenheid. Hij meldt weliswaar dat hij geen secundaire literatuur wil bespreken, maar hij neemt voor de zekerheid toch een literatuurlijstje op, en geeft zijn lezers zodoende niet veel houvast. Stevens de essayist blijft nagenoeg buiten beschouwing, Bloem pakt zelf heel breed en warrig uit, en aan het slot van zijn stuk bouwt hij nog een klein afdelinkje literatuurwetenschap in. Als geheel maakt het geen sterke indruk.

Laten we vertrouwen in de dichters zelf, niet alleen door hun verzen te lezen, maar ook door kennis te nemen van wat ze daarover zelf te melden hebben. Stevens heeft als denker een zeer eigen stem, en daarom zou het zonde zijn als zijn (fraaie) proza in de vergetelheid zou raken. Wie nieuwsgierig is, moet op zoek naar de prachtige en eveneens recentelijk verschenen editie van zijn Collected Poetry & Prose.

Frank van Dixhoorn

Wallace Stevens: Een blauwdruk voor de zon. The Man with the Blue Guitar. Notes toward a Supreme Fiction. Vertaald uit het Engels door Rein Bloem.

Athenaeum-Polak & Van Gennep; 144 pagina's; ¿ 55,-.

ISBN 90 253 4965 X.

Wallace Stevens: Collected Poetry and Prose.

Library of America, import Nilsson & Lamm; 1032 pagina's; ¿ 79,45.

ISBN 1 883011 45 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.