Boekrecensie Oorlogscorrespondenten

In Extremis (vier sterren) en De kracht van angst (twee sterren) beschrijven een tijdperk dat voorbij lijkt

Als je de fascinerende verhalen leest van de oorlogscorrespondenten Marie Colvin en Hesna Al Ghaoui dringt zich telkens de vraag op: was dit moed of overmoed?

Beeld Max Kisman

‘We moeten onszelf altijd afvragen of de mate van risico het verhaal waard is’, zei oorlogscorrespondent Marie Colvin (1956-2012) ruim een jaar voordat ze tijdens haar werk voor de Britse krant Sunday Times werd gedood aan het front in Syrië. ‘Wat is moed en wat is overmoed?’

Hoe gaan oorlogsverslaggevers om met de levensbedreigende risico’s van hun vak? Door het gevaar zoveel mogelijk te ontkennen, blijkt uit twee onlangs verschenen boeken, die een fascinerend inkijkje bieden in de conflictjournalistiek tot en met 2012, tastbaar kort geleden dus. Kogelwerende vesten blijken geen vereiste. Gevaarlijke reizen worden ondernomen zonder overleg met de redactie. Mocht het fout gaan, dan komt een aantrekkelijke CIA-spion je redden per helikopter.

Tot het fout gaat en je, zoals Marie Colvin, een van de meest gevierde oorlogscorrespondenten in Groot-Brittannië, in een rebellenwijk van Homs wordt gedood als gevolg van een artilleriebeschieting van het Syrische leger. Onlangs oordeelde een Amerikaanse rechter dat er opzet in het spel was. Colvin is vermoord. De Syrische regering moet haar familie ruim 200 miljoen dollar schadevergoeding betalen.

Laat verzeild

In Extremis leest als de anatomie van haar bijna onafwendbare dood. Colvin, als Amerikaanse naar Londen geëmigreerd, raakt pas laat, na haar 30ste, verzeild in de oorlogsverslaggeving. Al gauw merkt ze dat ‘getuige zijn’, zoals zij dat noemt, het verschil kan maken: een indringend verslag over een doodgeschoten jonge vrouw in een vluchtelingenkamp in Beiroet leidt eind jaren ’80 tot een plaatselijke wapenstilstand in de Libanese burgeroorlog.

Colvin toont zich een uitstekend journalist. Als een Iraakse overloper vertelt over massagraven met daarin de resten van honderden gevangenen van Saddam Hussein, zouden de meeste journalisten zo’n getuigenverslag zonder verder onderzoek opschrijven. Colvin doet het anders. Zij huurt een graafmachine met bemanning, loodst die met gevaar voor eigen leven naar het veronderstelde massagraf en laat daar graven tot de botten en schedels omhoog komen.

Maar behalve door haar verhalen zelf, wordt Colvin ook beroemd als verslaggever die zoveel risico neemt voor het verhaal dat ze het steeds maar net navertelt. Haar eerste close call heeft ze in de winter van 1999 in de door Rusland belegerde deelrepubliek Tsjetsjenië. Net als ze naar huis wil, blokkeert het Russische leger de enige weg naar veilig gebied.

Jongensboek

Voor Colvin en haar team resteert één vluchtroute: te voet dwars door de besneeuwde Kaukasus, een dagenlange, levensgevaarlijke tocht. Het wordt een expeditie uit een jongensboek. Colvin was mogelijk doodgevroren als een vriendin haar niet toevallig een warme donsjas had aangesmeerd bij het chique warenhuis Harrods. Een meereizende cameraman wil niet verder door de sneeuw ploegen en smeekt om te mogen sterven. Hun enige communicatiemiddel, een satelliettelefoon, begeeft het. Als eindelijk veiliger grond in zicht lijkt, worden ze beschoten.

Ze worden gered door een helikopter, met aan boord een knappe Amerikaan die zich voorstelt als medewerker ‘van de ambassade’. Hilsum, die voor het boek meer dan honderd bronnen interviewde, achterhaalt dat hij waarschijnlijk de plaatselijke man van de CIA was. In ruil voor zijn reddingsactie wilde hij informatie van Colvin over de oorlog. Het zal niet de laatste keer zijn dat ze hulp van een overheidsdienst moet accepteren om levend thuis te komen.

De ontsnapping door de Kaukasus brengt Colvin roem. Van de oorlog in Tsjetsjenië verschuift het verhaal naar haar, een aantrekkelijke, onverschrokken verslaggever, een vrouw bovendien. De Sunday Times zet gevaar steeds nadrukkelijker in als Colvins ‘merk’. Lezers identificeren zich beter met een verhaal waarin zij de hoofdrol speelt, dan met een zoveelste gedegen reportage van een moeizaam conflict in een land ver weg.

Verlies linkeroog

In 2001 belandt Colvin in Sri Lanka in een kopie van de gebeurtenissen in Tsjetsjenië: ze is diep in rebellengebied als er geen weg terug blijkt. Ten einde raad probeert ze te voet een actieve frontlijn over te steken. Een RPG-raket slaat in haar buurt in. Colvin verliest het zicht in haar linkeroog. Deze keer kan de ambassade weinig anders doen dan voorkomen dat ze, zwaargewond, ook nog door de daders wordt gearresteerd.

Binnen een jaar is ze terug aan het front. Mensen veronderstelden dat ze niet bang was, stelt Paul Conroy, de fotograaf die erbij was toen ze stierf in Syrië. ‘Maar ze was doodsbang. Haar kracht was dat ze toch ging.’ Colvin betaalt daarvoor een persoonlijke prijs. In het gewone leven handhaaft ze zich moeilijk. Ze is aan alcohol verslaafd, leidt aan ptss en huwt een reeks onmogelijke mannen. Rond haar 40ste wil ze een kind, maar daarvoor blijkt het te laat. Aan haar moeder en zussen krijgt ze haar levenskeuzes niet meer uitgelegd.

De Sunday Times publiceert voortaan een portret met ooglapje bij haar verhalen, ‘alsof risico nemen op zichzelf bewijs was van goede journalistiek’. De reis die haar laatste zal worden, maakt ze aan het begin van de oorlog in Syrië, naar Baba Amr, een rebellenwijk in het belegerde Homs. De enige in- en uitweg? Kilometers lopen door een rioolbuis. Als een eerste bezoek slaagt, wil Colvin meteen opnieuw. Met de krant wordt niets overlegd – sowieso durft niemand op de redactie ‘nee’ te zeggen tegen Colvin. Haar fotograaf heeft een slecht voorgevoel. Ze gaan toch.

Satelliettelefoon 

Als Colvin vanuit Baba Amr een interview geeft aan CNN, vraagt het ministerie van Buitenlandse Zaken alvast hoe ze deze keer denkt te vertrekken. Ze moet weg, oordeelt haar leidinggevende als hij eindelijk hoort waar ze uithangt. Maar redding komt te laat. Het Syrische leger heeft haar satelliettelefoon uitgepeild, en vuurt mortiergranaten af richting het mediacentrum waar alle journalisten in Baba Amr verblijven. Het gebouw krijgt een voltreffer. Colvin en een Franse fotograaf zijn op slag dood.

Beeld rv

Lindsey Hilsum: In Extremis – The Life of War Correspondent Marie Colvin.

4 sterren

Penguin; 416 pagina’s; € 22,-.

Hoe kun je werken in levensgevaarlijke omstandigheden? ‘Ontkenning is onder oorlogscorrespondenten de gangbaarste reactie’, schrijft Joris Luijendijk, Midden-Oostencorrespondent tussen 1998 en 2003 voor onder meer de Volkskrant, in het voorwoord van De kracht van angst. ‘Je houdt jezelf voor dat je geen doelwit bent of dat je weliswaar het doelwit bent, maar ook een heel voorzichtig mens. De lokale gids van je wil toch ook niet dood? Dus die past wel op.’

Al Ghaoui, tv-verslaggever voor een Hongaarse omroep, is net zo min een held als de meeste conflictjournalisten. Verfrissend is dat zij dit ruiterlijk erkent. Als iedereen bij een beschieting gaat liggen, blijft zij aan de grond genageld staan. Bang zijn mag, is haar boodschap. Ze bespreekt angst in al z’n vormen, van spreekangst en angst die mensen in de armen van populistische politici drijft, tot haar eigen angst aan het front. Moed is handelen ondanks je angst, zoals Colvin deed. Je bent je angst niet.

Vaste patronen

Het idee is aantrekkelijk, maar haar uitwerking rommelig. Al Ghaoui heeft bovendien weinig aandacht voor psychologisch onderzoek naar menselijk gedrag bij onverwacht gevaar. Hoezo ben je niet je angst? In levensbedreigende situaties reageren mensen helaas volgens vaste patronen. Populair gezegd: ongeveer drievierde van de mensen verstijft bij een ramp zo van angst dat ze nauwelijks meer kunnen nadenken of handelen. Daarom gaan ze onnodig dood. Even riskant als gangbaar is het ontkennen van gevaar. Journalisten is wat dit betreft niets menselijks vreemd.

Oorlogscorrespondent Al Ghaoui blijkt, overigens zonder dit te benoemen, een meester in ontkenning. Op terreuraanslagen ‘kun je je niet voorbereiden’, stelt ze, iets waar experts het mee oneens zijn (een tourniquet in je handtas bewaren en leren hoe je daarmee een bloeding stopt, is een goed begin). Ze reisde jaren naar landen als Libië en Afghanistan, maar volgde nooit een veiligheidstraining. Ze noemt het ‘moed’ dat ze afreisde naar haar eerste oorlog zonder geschikt kogelwerend vest of veiligheidsinstructies. De vraag die Colvin kort voor haar dood stelde, dringt zich op: is dit moed of overmoed?

Beide boeken beschrijven een tijdperk in de oorlogsjournalistiek dat voorbij lijkt. De oorlog in Syrië was ongekend dodelijk voor journalisten. De onthoofdingen van de Amerikaanse journalisten James Foley en Steven Sotloff in 2014 en de gijzelingen van handenvol andere collega’s die net goed afliepen, confronteerde een hele generatie conflictverslaggevers op harde wijze met de risico’s van hun vak. Nog steeds valt er van alles te verbeteren aan risicobeheersing in de journalistiek, maar de verslaggever die zich zonder geschikt materiaal, veiligheidstraining en overleg met de thuisbasis in een brandhaard stort, kom je momenteel minder tegen. Daarvoor is de reddingsheli met een knappe CIA-spion aan boord te vaak een illusie gebleken.

Beeld rv

Hesna Al Ghaoui: De kracht van angst

2 sterren

Uit het Hongaars vertaald door Cora-Lisa Sütő.

Pluim; 396 pagina’s; € 23,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden