IN ESSENTIE KLUIZENAAR

Het Zuidelijk Toneel probeert de figuur van Oblomov te doorgronden, in eerste waarneming die luie, dikke man die zijn bed niet uitkomt....

‘Het was een man van een jaar of 32, 33, van gemiddeld postuur en met een prettig voorkomen met donkergrijze ogen – maar tegelijk ontbrak ook in zijn gelaatstrekken elke zweem van mogelijke concentratie, elke schaduw van een idee. Een gedachte hipte als een vrij vogeltje over zijn gezicht, scheerde over zijn ogen, streek kort neer op zijn halfgeopende lippen, verborg zich in een frons van zijn voorhoofd – om vervolgens geheel verloren te geraken, waarop een gelijkmatig schijnsel van onbezorgdheid zich over zijn gezicht verspreidde. Een onbezorgdheid die geleidelijk overvloeide naar de rest van zijn lichaam, om zich er te nestelen zelfs tot in de plooien van zijn kamerjas.’

Dat is Oblomov, zoals auteur Ivan Gontsjarov hem introduceert in de tweede alinea van hoofdstuk 1 van zijn gelijknamige roman uit 1857/58. In de eerste alinea leren we dat hij in bed ligt, in een huis in een Petersburgse straat. Van Ilja Iljitsj Oblomov gaat om te beginnen niet verschrikkelijk veel uit dus, en dat zal gedurende pakweg vijfhonderd pagina’s zo blijven. En toch is Oblomov een held die stemt tot nadenken. Een om van te houden, zelfs.

De befaamde Russische cineast Nikita Michalkov maakte in 1979 een geliefde verfilming van het boek, en pakweg tien jaar later schreef Franz Xaver Kroetz zijn Oblomov, een toneelstuk naar motieven uit de roman Oblomov van Ivan A. Gontsjarov, dat woensdag bij Het Zuidelijk Toneel in première gaat. Een held die inspireert, dus ook. En tja, hoezo?

Oppervlakkig gezien is het een lui wezen, iemand die geen beslissing kan nemen, die het liefste maar een deken over zijn hoofd zou trekken; iemand die het contact met de wereld allang verloren heeft en een hernieuwde kennismaking niet aandurft; iemand die in het verleden alleen maar romantiek proeft en van sociale misstanden geen notie heeft; iemand die nog nooit zijn eigen veters heeft gestrikt.

Gaandeweg heeft hij zich in het collectief bewustzijn vastgezet als vadsig en onmachtig, als een overbodig mens, als een levenloze ziel, als een fenomeen dat in de Russische wereld tot een begrip is geworden: oblomovsjtsjina, oblomowisme, dat al het bovenstaande en meer in zich draagt en dat voor sommigen zelfs voor de onbeweeglijkheid van dat immense land is gaan staan.

Voor sommigen althans, want niet alle professoren zijn het hier over eens, gelukkig; zo raakt Karel van het Reve (Geschiedenis van de Russische Literatuur) aan Oblomovs wezen wanneer hij opmerkt: ‘Zijn eigenschap is interessanter dan luiheid. Oblomov voelt een grote weerzin als van hem verwacht wordt zich druk te maken over dingen waar iedereen zich druk over maakt.’

‘We wilden ook aanvankelijk een voorstelling maken over luiheid’, zegt regisseur Matthijs Rümke. ‘Luiheid is eigenlijk taboe in deze tijd. Als je elkaar vraagt hoe het gaat dan, vertelt iemand al snel wat voor werk 'ie doet. We zitten vast in een arbeidsethos waarbij we plankgas geven, we werken bizar hard. De keus voor Oblomov kwam voort uit die gedachte. Maar als je er dan vervolgens echt induikt, realiseer je je dat het stuk natuurlijk zijn eigen wetmatigheden heeft.’

Over Kroetz (München, 1946) is wel betoogd dat hij met Oblomov het failliet van de Sovjet-Unie en het communistisch gedachtengoed heeft willen onderstrepen, voor Rümke staat het werk toch in eerste plaats op zichzelf. ‘Zelf zegt Kroetz dat-ie Gontsjarov niet zo nauwkeurig gelezen heeft, maar dat is Duitse ironie. Hij volgt het boek heel goed.’ Er zijn verhaallijnen geschrapt uiteraard, en het aantal personages is teruggebracht tot vijf. De titelheld wordt gespeeld door Bert Luppes, en dan zijn er nog diens onafscheidelijke knecht Zachar (René van ‘t Hof), de door Oblomov zeer begeerde Olga (Marie Louise Stheins), de Duitse jeugdvriend Stolz (Niek van der Horst) en Wolkov (Mark Kraan), lid van de verpauperde Petersburgse adel.

De plot in het kort: het begint allemaal thuis bij Oblomov, bij wie de personages in het eerste deel om beurten langskomen om hem te waarschuwen voor zijn lethargie – en die, ieder op hun manier, voor het publiek een stukje Oblomov ontvouwen. Hierna volgt een cruciale scène waarin onze held zich realiseert dat hij misschien ‘gered’ zou kunnen worden door de liefde. En dan ontvouwt zich deel twee rondom die liefde, die hij uiteindelijk versmaadt.

Door de gangen van Het Zuidelijk Toneel galmt op een doorsnee repetitiedag het Casta Diva van Bellini, de aria uit Norma die ongekende faam verwierf in de vertolking van Maria Callas. Het muziekstuk staat centraal in de scène waarin Oblomov valt voor Olga, die voor hem, bevend en bibberend van stem, de aria aanheft. Het is een belangrijke, haast surrealistische scène, en beslist geen makkelijke. De acteurs zoeken hun plek op de speelvloer, in een sober, bijna naargeestig decor, waarin ze straks ook nog zullen wegzakken – en het onmogelijk wordt uit de wereld van Oblomov te klimmen.

Rümke: ‘De overbodigheid, de onmacht, het stuk is ervan doordrongen – hoe breng je dat over? Ik voel me op een of andere manier enorm verwant met dat gevoel. Oblomov droomt steeds over Oblomovka, het buitenverblijf uit zijn jeugd – maar ernaar toegaan, ho maar. Er moet daar orde op zaken worden gesteld, hij kan er niet toe komen. Bert Luppes zegt: hij gaat niet omdat-ie de puinhoop vreest. Ikzelf denk: hij gaat niet omdat-ie, letterlijk, niet kan. Er is geen spoor naar toe, hij weet de deur niet te vinden. Het is geen optie.’

Luppes’ Oblomov ligt niet in bed, hij zit, hij loopt – hij is eerder een gekooide tijger. Rümke voegde nog twee muzikanten aan de voorstelling toe, aan de zijkant van de speelvloer; ‘die zittende mannen zijn ook een soort overbodigheid’. Behalve wanneer ze spelen natuurlijk en dat is uiteraard ook in de Casta Diva-scène het geval: Guy Clemens achter de piano en Carel Alphenaar op de cello, Stheins’ fragiele stem begeleidend. Maar ook tijdens de droom van Oblomov zijn ze er, en soms spelen ze gewoon ook even mee in een scène. Ze brengen humor en lucht in het geheel; Oblomov is niet louter zwaarmoedigheid.

‘Ik speel echt de Oblomov van Kroetz’, zegt Bert Luppes anderhalve week later. Inmiddels hebben ze het stuk twee keer in zijn geheel gedaan en na alle verbrokkeling die deelrepetities met zich brengen, hebben de acteurs beter zicht op de lange lijnen, op het geheel. ‘Kroetz heeft voor mij een soort kaalheid, iets kouwelijks, iets waarmee ik meer kan dan de romantischer versie van Gontsjarov. Ik vind dat net iets interessanter voor het theater, je laat ruimte voor de verbeelding.’

Oblomov, zegt Luppes, blijft voor veel mensen die dikke man die niet uit dat bed komt. ‘Maar de Oblomov van Kroetz is agressiever. De innerlijke pijn, zijn strijd is voelbaarder. In hem leeft de angst voor de zaken om hem heen, ook de angst voor vrouwen, gesymboliseerd door Olga; zijn angst is behoorlijk existentieel en die zorgt voor depressiviteit, die zich onder meer uit in lethargie, nergens toe kunnen komen. Ik herken daar een hoop in. Ook ik denk met regelmaat: oh, nee! Dat kan ik niet, dat lukt me niet, daar heb ik te weinig verstand van, mijn god, ik zou me moeten verdiepen in allerlei brochures* ik ben doodsbenauwd!

‘Verder zijn er cruciale passages waar ik op vaar; zo zegt hij: ‘Ik wil de mens.’ Voor mij betekent dat: de onopgesmukte mens, de mens zonder masker, de mens in al zijn lulligheid – die mens is voor Oblomov de ware, die omhelst hij, zo staat hij in het leven, hij haat gewichtigdoenerij.’

‘Het is zo’n rare kuitenduiker die man. Hij is zo inconsequent en eigenlijk vind ik dat zo heerlijk. Eigenlijk zegt hij: Ik wil me niet aanpassen. Ik durf nou eenmaal niet, laat me bang zijn.’

Oblomov: ‘Ik vind dat angst een edel, eerlijk gevoel is.’

Stolz: ‘Maar daarin verschil jij niet van de anderen. Zij zijn ook bang, allemaal!’

Oblomov: ‘Zij lopen weg voor hun angst. Ik blijf erop wachten. Ik ben moediger.’

Luppes: ‘Daarin gaat-ie tot op het bot, hij legt de lat voor zichzelf heel hoog. Een kluizenaar is hij in essentie: hij schept voor zichzelf een ruimte waarin hij die confrontatie met zichzelf aangaat. Kroetz geeft dat thema veel gewicht. Wat ik nu probeer te doen voor mijn personage, is de goede balans te vinden tussen oprechte naïviteit en verbazing – en een soort verharding, verkilling. Ik doe bij Oblomov wat ik vaker doe met rollen: ik concentreer me op het kunstenaarschap. Ik vind Oblomov een kunstenaar. Iemand door wie je besmet raakt, wanneer je met hem in aanraking komt. Omdat-ie op zo’n eigen manier in de wereld staat. Iemand over wie je je kunt opwinden, van wie je kunt walgen, in wie je kunt zwelgen, van wie je kunt houden.’

Olga: ‘Ik heb nergens spijt van. Maar ik heb zo’n pijn in mijn hart. Ik was te trots, ik heb vertrouwd op mijn kracht, mij vergist. Hoe kun je jezelf inbeelden dat je een dode tot leven kunt wekken* – als vrouw?! Ik kan niet meer. Het is zinloos. Jij bent dood. Geef je mij gelijk, Ilja?’

Oblomov: (zwijgt, staart naar de sprei)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden