Reportage Pieter de Hooch in Delft

In Delft ligt de inspiratie voor Pieter de Hoochs schilderijen voor het oprapen

Was de 17de-eeuwse schilder Pieter de Hooch nou zo slecht in topografie of liet hij zijn fantasie de vrije loop? V zocht het antwoord in Delft met historicus Wim Weve.

Portret van een Delftse familie, circa 1657. Beeld Gemäldegalerie der Akademie der bildenden Künste Wenen

Je ziet het pas als je het weet, en dan nog met moeite: Museum Prinsenhof in Delft, waar nu een overzichtstentoonstelling van Pieter de Hooch te zien is, is zelf ook te zien op een van zijn schilderijen. Vrouw en kind bij een bleekveld in Delft (1657) toont een typisch De Hooch-tafereel: een vrouw legt bleekgoed op een grasveld, en wordt gadegeslagen door een kind op een binnenplaats met doorkijkjes en bakstenen gevels en spitsen van bekende Delftse gebouwen: Oude Kerk, Nieuwe Kerk, Waalse kerk. Dat laatste gebouw maakt deel uit van het complex waarin nu het museum is gevestigd. 

De Hooch schilderde slechts een fragment van de Waalse Kerk: de bovenzijde, het zadeldak en de spits van de traptoren vanuit zuidwestelijke hoek. Zijn exacte standpunt zou ergens op het huidige Sint Agathaplein zijn. Eerste indruk: De Hooch baseerde zijn schilderij op een bestaand stukje stad. Maar deed-ie dat ook echt?

Pieter de Hooch (1629), bekend van zijn met veel oog voor licht en ruimte geschilderde interieurs en achterplaatsen, woonde in Delft van 1652 tot hij rond 1660 naar Amsterdam verhuisde. Voordat hij zich er vestigde, had de geboren Rotterdammer al banden met Delft: zijn moeder, een vroedvrouw, kwam er vandaan. Later brachten z’n werkzaamheden voor een Rotterdamse linnenhandelaar en kunstverzamelaar hem er regelmatig. 

In Delft trouwde De Hooch met de zus van de genreschilder Hendrick van der Burch. Hij sloot zich aan bij het Sint Lucasgilde. Johannes Vermeer en Carel Fabritius waren ook lid, die laatste voor korte tijd: Fabritius kwam om tijdens de Delftse Donderslag, de kruitramp van 1654. Verder is er weinig bekend over De Hoochs jaren in Delft. De locatie van zijn atelier is bijvoorbeeld nog altijd niet getraceerd. Er is geopperd dat hij werkte in het huis van zijn schoonouders of in de werkplaats van zijn zwager, maar dat zijn slechts speculaties. In zekere zin was niet Johannes Vermeer, maar Pieter de Hooch de werkelijke Sfinx van Delft.

Wat vaststaat is dat De Hooch in Delft arriveerde in een tijd dat er op artistiek vlak spannende dingen gebeurden. Het geschilderde kerkinterieur had een hoge vlucht genomen. Aangestoken door exact werkende landschapsschilders begonnen mannen als De Witte en Houckgeest kerkinterieurs vast te leggen alsof het een bouwkundige tekening was. Elk rouwbord hing er op de bestemde plek en de vloerpatronen klopten tegeltje voor tegeltje. De samenstellers van de Pieter de Hooch-tentoonstelling waren nieuwsgierig of Pieter de Hooch ook streefde naar waarheidsgetrouwheid. Men vroeg bouwhistoricus Wim Weve dit te onderzoeken.

Weve was er de geknipte man voor. Voor zijn pensioen hield hij zich voor de gemeente bezig met bouwhistorisch onderzoek en restauratiekwesties. Hij loopt anders door een gebouw dan u en ik. Ziet hij een eikenhouten dakspant, dan weet hij direct dat het hier een constructie betreft van voor 1650, want daarna werd naaldhout in plaats van eikenhout gebruikt. Kelders, spiltrappen, funderingen: Weve leest ze, als een medisch specialist het menselijk lichaam. Al sinds de late jaren zestig verdiept hij zich in de Delftse bouwgeschiedenis. De topografische correctheid van de bebouwing op De Hoochs schilderijen had toen al zijn nieuwsgierigheid gewekt.

Spoileralert: De Hoochs schilderijen zijn fictie. Volgens Weve kent zijn oeuvre niet één schilderij dat exact overeenkomt met hoe Delft er toen bijlag. Het is minder Delft dan Delft-achtig. Vrouw en kind bij een bleekveld ook. Het bleekveld op dat schilderij kan bijvoorbeeld nooit ten zuiden van de Waalse kerk hebben gelegen, want daar bevindt zich sinds de 16de eeuw een vleugel van het Sint Agathaklooster, zo constateerde Weve. Ook kan de toren van de Nieuwe Kerk niet worden waargenomen vanuit het afgebeelde standpunt. Bij de Hooch wel. Meer dan een toeristenkiekje avant la lettre zijn De Hoochs schilderijen diorama’s: fictieve constructies, samengesteld uit verspreide stukjes realiteit.

Met de bouwstenen waaruit De Hooch die diorama’s optrok (torenspitsen, huizen, gevels, schuttingen, trapjes, pompen) is het anders gesteld: die blijken vaak wel een-op-een herleidbaar tot de realiteit. Dat gaat niet enkel om herkenbare gebouwen als de Oude Kerk en het stadhuis, ook allerhande niet-ansichtkaartwaardige panden werden door Weve geïdentificeerd, een bescheiden wetenschappelijke doorbraak. 

De meeste van deze panden hebben hun 17de-eeuwse uiterlijk verloren of zijn gesloopt. Sommigen kunnen nog worden aangewezen op oude kadastrale kaarten of een incidentele tekening. Het gebied waar ze stonden is overzichtelijk; meer dan een meter of driehonderd beslaat het niet. Het gaat om het gebied tussen de Oude Delft en de stadswal, tot in de 16de eeuw de locatie van het Sint Hiëronimusklooster (bewoond door volgelingen van de door Geert Grote begonnen Moderne Devotie). In De Hoochs tijd was het een ratjetoe van tuinhuizen, prieeltjes en restanten van het voormalige broederhuis.

De bouwhistoricus leidt erheen, papier met reproducties in de hand. Het waait en het regent, soms is er zon. Dit blijkt een voordeel, althans voor onze De Hooch-pelgrimage. Kijk door de ruiten van de grachtenpanden aan de Oude Delft en je ziet wafels van zonlicht over grijze schouwen glijden, exact zoals op De Hoochs interieurs. 

Ter hoogte van nummer 161 wijst Weve op een gevelsteen. Het is een replica van het exemplaar dat De Hooch afbeeldde op zijn schilderij Binnenplaats van een huis in Delft (1658). De tekst op de steen herinnert aan het klooster. De originele steen was jarenlang ingemetseld in de tuinmuur van een verderop gelegen pand, tot de eigenaar de steen in 1996 aan Het Prinsenhof schonk. De poort waarboven De Hoochs steen figureert, is nog niet gelokaliseerd. De poort hoort in ieder geval niet bij het pand waar we nu voor staan, dat heeft namelijk een kelder, die ontbreekt op de Hoochs schilderij.

Hoe weet Weve dat van die kelder? Hij wijst op de lage vloer van het gangetje op zijn reproductie: daar is geen kelder en het grachtenpand heeft boven de stoep twee kelderramen.

Wanneer hij je verbazing ziet, lacht hij verontschuldigend. Ik ben een tolk voor oude gebouwen, zegt Weve.

Het rijtje huizen bij de Zuidelijke Hiëronymuspoort leverde De Hooch meer materiaal. Het zijhuis met de lage nok van Oude Delft 147-149, bijvoorbeeld, is te zien op de achtergrond van Portret van een Delftse familie (ca. 1657) – althans, een fragment ervan. Een paar huizen verder staat Oude Delft 141 met een brede 18de-eeuwse gevel. Weve wijst op de zijgevel waarin een oudere zijtopgevel is verwerkt. Die behoort bij het vanaf de straat onzichtbare dak met schoorstenen op de uiteinden. Dat dak, zegt Weve, is te zien op Een binnenplaats in Delft in de avond met een spinnende vrouw (ca. 1657).

Binnenplaats van een huis in Delft, 1658. Beeld The National Gallery/Wim Weve

Het generieke karakter van het dak maakt sceptisch: hoe weet Weve dat uitgerekend deze dakpannen model stonden? De kneep zit hem in hoe het in de bouwrij staat, legt Weve uit: dwars. Brede, ondiepe huizen zijn schaars in het centrum van Delft, aan de gracht zijn er slechts twee voorbeelden van. Bovendien staat het vlak bij een van De Hoochs favoriete plekken.

Een paar minuten later zijn we er, op de oude kloostergrond, nu een soort stadsparkje. Uitkijkend op een parkeergarage en een studentensociëteit zou je het niet zeggen, maar het is dé plek voor de De Hooch-spoorzoeker: van hieruit zag hij de meeste gebouwen: de kerktorens, de panden. Die eerste zijn niet weergegeven vanaf de grond, weet Weve. Te oordelen naar het afgebeelde perspectief tekende De Hooch ze vanaf een hoog standpunt, zoals de zolderverdieping van een huis.

Van Weves spectaculairste vondst is niets meer te zien: het betreft het huis met de asymmetrisch topgevel links op Vrouw en kind bij een bleekveld. Weve kon het identificeren aan de hand van een 19de-eeuwse tekening uit een eerder onderzoek, een gelukje. Die tekening werd gemaakt door de eigenaar van Oude Delft 141, ‘het Oranjeriehuis’ noemde die het gebouw. Ooit zou het de sacristie zijn geweest van de kapel van het Sint Hiëronymusklooster. Op een kadastrale kaart uit de 19de eeuw vond Weve het terug, inclusief aanpalende broeibak. 

De Hooch gebruikte het gebouw op nog drie andere schilderijen, steeds vanuit bijna hetzelfde perspectief. Uit het weergegeven standpunt herleidde Weve van waaruit de schilder zijn studie moet hebben gemaakt. De plek kon zich niet bevinden op de oude kloostergrond, maar moest achter of in het achterhuis van een van de panden die er uit het oosten op uitkeek zijn: Oude Delft 153.

Wat had De Hooch daar te zoeken? Een onbeantwoorde vraag, vooralsnog. Wie weet had de schilder er zijn atelier. Of een minnares.

Pieter de Hooch in Delft: uit de schaduw van Vermeer, Museum Prinsenhof Delft, t/m 16/2.

Lees ook hier Stefan Kuipers recensie van de Pieter de Hooch tentoonstelling in Delft. 

Zoon van een metselaar

Ter voorbereiding op de Pieter de Hooch-tentoonstelling deden Museum Prinsenhof en het Rijksmuseum voor het eerst grootschalig materiaalonderzoek naar De Hooch. Het heeft geleid tot nieuwe inzichten over zijn werkwijze en materiaalkeuze. De kunstenaar schoof veelvuldig met zijn figuren om de ideale compositie te bereiken en prikte spelden in zijn doek om het perspectief goed te krijgen. Ook werd meer duidelijk over hoe hij muren schilderde; De Hooch bouwde ze op, baksteen voor baksteen, zoals men verwacht van een metselaarszoon.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden