In de walmige kolk van het Parijsche snobisme

Een onbegrepen ijveraar voor vooruitstrevende kunst was Theo van Gogh volgens de mythe. Dat oerbeeld wordt bijgesteld in de expositie die het Van Gogh Museum wijdt aan de broer van de schilder....

DE CONTOUREN van een leven worden geschetst in wat er aan tastbaars rest. In een hoek van de expositiezaal staat een mooi notenhouten kabinet, afkomstig uit het appartement in Parijs, waarin Theo van Gogh zijn verzameling prenten bewaarde. Op een schilderij van zijn broer Vincent wordt het zolderkameruitzicht weergegeven vanuit het appartement aan de Rue Lepic op het dakenlandschap van Parijs - een wereldstad, een mensenleven ver verwijderd van de kalme landelijkheid van het Nuenen uit hun jeugd. Een ander werk, van André Gill, toont het druk-mondaine straatbeeld eind vorige eeuw van de Boulevard Montmartre, even verderop, waar Theo's kunsthandel gevestigd was.

Als teken van huiselijker leven staat in een vitrine een gebutste koperen vaas. Aan de wand keert die vaas uit de Rue Lepic nog eens terug, gevuld met een boeket stralende kievitsbloemen, op een schilderij van Vincent. Het stilleven hangt tussen een collectie schilderijen en werken op papier, die Theo van Gogh verhandelde en verzamelde. Zijn leven wordt er verder mee ingekleurd, van de eerste kennismaking, als volontair in een kunsthandel in Den Haag, met de schilderijen van de Haagse School, tot zijn ontmoeting met Monet, Gauguin en Pissarro als gérant in Montmartre.

In vitrines wordt dat levensbeeld verder opgeroepen, en met de faits divers uit die ladenkast van de Rue Lepic opgebouwd tot een portret van een hardwerkend leven, uitgedrukt in foto's en handschriften, een visitekaartje, adresboek, arbeidscontracten, kwitanties en brieven - Cher Monsieur - van Monet, Gauguin en Pissarro; en van een liefhebbend leven in brieven, de aankondiging van zijn huwelijk met Jo Bonger, in foto's en handschriften, tot, plotseling, in die noodlottige rouwkaart.

Theo van Gogh overleed jong, op 33-jarige leeftijd, een paar maanden na zijn broer, lichamelijk en geestelijk gesloopt. In zijn wanhoop zette hij de stap nog naar de vervulling van zijn levensdroom en nam ontslag bij de kunsthandel Boussod, Valadon & Cie om zelfstandig te gaan werken. Het was vergeefs, hij stierf kort erop in een krankzinnigengesticht in Utrecht, niet meer bij machte zijn vrouw te herkennen.

De expositie haalt hem uit de schaduw van zijn broer. Het Van Gogh Museum eert hem, bij de inwijding van zijn nieuwe vleugel, als de grondlegger van de verzameling die nu de kern vormt van de collectie. Het wil laten zien wat Theo van Gogh als kunsthandelaar en wegbereider van het impressionisme betekende. Voor het eerst staan zíjn leven en werk centraal, in de expositie en in het wetenschappelijk onderzoek, en niet dat van Vincent.

Het portret van zijn leven als kunsthandelaar en verzamelaar wordt geschetst in een dubbelbeeld: in de privéverzameling die hij, ondanks een altijd krappe beurs - hij onderhield broerlief, moeder, zuster en zijn gezin -, opbouwde en in een reconstructie van wat er als kunsthandelaar door zijn handen is gegaan. De verkoopboeken van zijn kunsthandel werden erop nageslagen om alle werken te traceren die hij ooit verhandeld heeft, een representatief deel ervan is er uit alle delen van de wereld voor teruggeroepen.

Nieuw onderzoek wierp nieuw licht op zijn betekenis. In het beeld dat er van hem bestond, is nuancering aangebracht. Zijn leven was een legende geworden, al vroeg, eeuwig verbonden met de wanhopige strijd van zijn broer. De kunsthistoricus Just Havelaar schreef in 1929: 'Men kan ze niet meer scheiden, die twee: den vereenzaamden, verwaarloosden schilder en den wel-verzorgden kunsthandelaar, die midden in de walmige kolk van het Parijsche snobisme te leven had, die ambtshalve de kunst had te beschouwen als een koopwaar en die toch een idealist en een kunstenaar bleef, óók in zijn ambt; ja, die meer deed: die van zijn deftige armoedje afstond zooveel hem maar mogelijk was, om dien grooten, zwoegenden mensch, zijn broer, het leven te gunnen.'

Theo van Gogh zou zich volgens die mythe nadrukkelijk, en tegen de wens van zijn superieuren, hebben ingespannen voor vooruitstrevende kunst. Dat oerbeeld - de martelaar, gesneuveld voor de goede zaak - is bijgesteld. Hij handelde gewoon in alles waar zijn tijd om vroeg, net als alle kunsthandelaren om hem heen, en niet als visionair alleen in baanbrekend impressionisme.

Uit de biografische studie komt een beeld naar voren van een bescheiden, bedaarde, idealistische man, die zijn ouders aanbad ('zachte, stille mensen, zo vriendelijk en goed'). Hij stond altijd klaar voor anderen, schoof er zijn eigen gevoelens en verlangens voor opzij, waar hij het dan later weer te kwaad mee had. Drie van zijn ooms werkten in de kunsthandel, via hen kon hij, op zijn vijftiende, in 1873 als jongste bediende aan de slag bij een filiaal van de kunsthandel Goupil & Cie (later Boussod, Valadon & Cie) in Brussel.

Op voorspraak van zijn ooms werd het ijverige ventje al snel overgeplaatst naar het prestigieuzere filiaal van de kunsthandel in Den Haag, waar een jongensdroom waarheid werd: in 1878 mocht hij een half jaar lang bij Goupil in Parijs komen werken, in een stand op de Wereldtentoonstelling. Hij vond Den Haag na die ervaring vreselijk; maar kreeg, na aanvankelijke weigering van zijn ooms, tenslotte toch toestemming om definitief naar Parijs te vertrekken, waar hij zich even toegewijd, ijverig en integer toonde. In 1881, 23 jaar oud, kreeg hij als gérant de leiding van het filiaal van Boussod, Valadon & Cie in Montmartre. En altijd bleef hij de begripvolle bemiddelaar tussen zijn ouders en de opstandige Vincent.

De eenzaamheid in het grote Parijs verdreef hij met zijn vriend Andries Bonger, die op een commissionairskantoor werkte. Met hem reisde hij op vakantie naar Nederland, waar hij diens zuster Jo ontmoette. Terug in Parijs voelde hij zich eenzamer dan ooit en stelde zijn broer voor bij hem in te trekken. Er volgde een leven vol spanningen in het vrijgezellenflatje dat ze deelden, die nauwelijks verminderden toen ze verhuisden naar het ruimere apartement aan de Rue Lepic.

Voor het eerst kwam daar ook die levensdroom op, door Vincent warm gesteund, om zelfstandig een kunsthandel op te richten. Samen bouwden ze aan een collectie, 'ons dépot', als solide basis. Het kwam er nooit van. Het ontbrak Theo aan middelen. Zijn vermogende oom Vincent (Cent in de familie) zag er niets in. Zijn vriend Dries Bonger, die eerst toezegde, trok zich terug. Steeds vaker werd hij geplaagd door depressies en zenuwtoevallen. Met zijn broer kon hij niet langer samen wonen. Er schuilden volgens Theo in Vincent twee personen, de een was 'merveilleus begaafd, fijn en zacht', de ander 'eigenlievend en hardvochtig'. Maar altijd maakte Theo het, zichzelf wegcijferend, weer goed.

Hij was bijna dertig, en had een paar misluke liefdesaffaires achter de rug, toen hij Jo Bonger ten huwelijk vroeg. Ze was stomverbaasd, ze kenden elkaar nauwelijks, en wees hem af. Teleurgesteld stortte hij zich op zijn werk. De firma had hem meer vrijheid gegeven. Hij verhandelde in zijn filiaal naast de de School van Barbizon nu ook moderne kunst - Degas, Monet, Pissarro, Renoir, Sisley. En 's avonds dook hij met Vincent in het volle leven van de drukke cafés in Montmartre. Tot Vincent, begin 1888, naar Arles verhuisde.

ZIJN BROER was nog niet weg of Theo schreef zijn zuster hoezeer hij hem mistte. 'Het is ongelooflijk zoveel als hij weet & welk een heldere blik hij heeft op de wereld. Ik ben daarom zeker, dat wanneer hij nog een zeker aantal jaren te leven heeft, hij naam zal maken. Door hem kwam ik in aanraking met veel schilders onder wien hij zeer gezien was. Hij is een van de voorvechters van nieuwe ideeën.'

Weer voelde hij zich eenzaam en verlaten en zag een zinloos leven voor zich, dat niet met hard werken alleen te vullen was. Het geluk nam een keer. Bij een bezoek aan Parijs, Kerstmis 1888, ontmoette Jo Bonger Theo opnieuw en werd verliefd. Hij was zielsgelukkig, maar raakte, eeuwige tobber, bevangen van twijfel en zelfverloochening. 'Ik ben eigentlijk erg bang dat zij zich vergist in mij & ik haar tegen zal vallen maar ik ben o zoo gelukkig & zal zoo graag trachten om haar te begrijpen & als ik haar kan gelukkig te maken.'

Juist toen, op de drempel van een nieuw leven, kreeg Vincent in Arles zijn eerste zware zenuwtoeval. 'Arme strijder & arme lijder', schreef Theo naar huis, 'niemand kan thans er iets aan doen om zijn leed te verzachten.' En: 'Hij is een van de meest geavanceerde van de schilders & moeilijk te begrijpen ook voor mij, die hem toch zoo van nabij kent. Zijne ideeën strekken zich zoover uit over de kwesties van wat humaan is en hoe men de wereld moet aanzien, dat men zichzelf eerst los moet maken van alwat naar conventie gelijkt om zich een begrip te kunnen maken wat hij bedoelde, maar later zal hij begrepen worden.'

Hij trouwde met Jo Bonger in april, in januari werd hun zoon Vincent Willem geboren, 'een mooie jongen die veel schreeuwt maar er gezond uitziet'. Theo had de harmonie gevonden, maar zijn eigen geluk kon hij niet zonder schuldgevoel ervaren. Lang zou dat geluk ook niet duren. Hij raakte wegens tegenvallende resultaten in conflict met zijn superieuren. Zijn gezondheid ging achteruit. Zijn broer verhuisde naar Auvers-sur-Oise, dichterbij Parijs en dichterbij een liefdevolle behandeling. Nog één keer leek alles ten goede te keren en zagen ze elkaar weer, op een zondags tochtje naar Auvers. 'Zo vreemdzaam rustig, zo gelukkig', schreef Jo later, 'dat niemand zou hebben kunnen vermoeden op hoe tragische wijze ons geluk weinige weken later voor altijd verwoest zou worden.'

Theo stelde zijn superieuren een ultimatum: salarisverhoging of hij zou voor zichzelf beginnen. Even later was hij weer bang zijn baan te verliezen, en krabbelde terug. Hij trok het zich erg aan, werd bang zijn verstand te verliezen. De situatie verergerde snel toen hij bericht kreeg dat zijn broer zich een kogel door de borst had gejaagd. Hij vertrok direct naar Auvers, diezelfde nacht nog overleed Vincent. Theo's weerstand brak. Hij leed aan dementia-paralytica, het terminale stadium van syfilis. In november werd hij overgebracht naar de Willem Arntzkliniek in Utrecht, waar hij op 25 januari 1891 overleed.

DE TENTOONSTELLING illustreert dat levensverhaal, in zijn aan- en verkopen als kunsthandelaar en in zijn verzameling, waarvan achteraf ('ons dépot') niet meer te onderscheiden is wat van Vincent en wat van Theo was. Ze waren ook daarin onafscheidelijk opgetrokken, zijn artistieke smaak was door Vincent gevormd. Het overzicht laat zien wat hem begeesterde: Monet evenzeer als Corot, de School van Barbizon stond even hoog aangeschreven als de jongste impressionisten.

De reconstructie van zijn praktijk begint met het schilderij Christus in Gethsemane van Ary Scheffer en eindigt met Odilon Redons De maagd van de dageraad. Theo van Gogh handelde in alles wat er de hele eeuw waarin hij leefde werd gemaakt, niet alleen in dat roerige laatste kwart, in alle stijlen, genres en scholen.

De tentoonstelling stelt het beeld bij van Theo van Gogh als martelaar van de moderne kunst. In zijn verkenningen van nieuwe markten ging hij misschien soms sneller en verder dan zijn superieuren wilden, maar dat maakte hem nog niet tot eenzaam wegbereider van het impressionisme. 'Theo was niet de handelaar in avantgardistische kunst die hij had kunnen zijn of die men in verband met zijn persoonlijke band met Vincent en Gauguin misschien in hem wil zien', concluderen de samenstellers. 'Hij handelde voorzichtig en professioneel, omdat de markt in avantgardistische kunst zich nog onvoldoende had ontwikkeld om grote investeringen te rechtvaardigen.' Dat gebeurde pas een paar jaar later, na zijn dood.

Hij handelde, met evenveel liefde, in de academische romantiek van Jean-Léon Gérome (Het uitstapje van de harem), in de romantische landschappen en genrestukken van Camille Corot, als in de Bretonse zeezichten van Monet. Hij moet even gek geweest zijn op de boerenbrave Voedertijd van Julien Dupré, als op het sensuele uit lindenhout gesneden reliëf Soyez mystérieuses van Gauguin. Hij richtte zich op de breedte van die hele eeuw en op de diepte van de toekomst - in zijn steun aan Gauguin en zijn onverwoestbaar vertrouwen in zijn broer.

In het verloop van de tentoonstelling is de groei te vinden van zijn ontwikkeling en kennis, gevoed door zijn ervaringen en door de ideeën van Vincent. Hij had gevoel voor wat er in die tijd leefde en speelde en waar naar verlangd, of in hectiek van de wereldstad, naar terug verlangd werd. Soms zocht ook hij, in beelden in het werk dat hij verzamelde, de kalme rust van zijn jeugd in Nuenen.

Completer is zijn portret nooit geschetst. Het bijzondere van de tentoonstelling is dat die niet zozeer een leven oproept, als wel een droom - dat eeuwige verlangen het zelf te doen, zonder door superieuren op de vingers te worden gekeken. De geschiedenis leert dat hij het ver had kunnen brengen. Hij was misschien een al te bescheiden, maar ook een betrokken man, de liefde voor kunst voedde zijn leven. Maar uit de schaduw van zijn broer zou hij nooit zijn gekomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden