In de tweede verhalenbundel van Denis Johnson is de onverbiddelijke dood nóg krachtiger aanwezig


Denis Johnson: De gulheid van de zeemeermin. Uit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Bezige Bij; 224 pagina’s; € 19,99.

Beeld rv

De vijf verhalen in De gulheid van de zeemeermin (The Largesse of the Sea Maiden) van Denis Johnson ademen stuk voor stuk het besef van sterfelijkheid. Dat is niet verwonderlijk: de vorig jaar op 67-jarige leeftijd overleden Johnson schreef ze nadat bij hem leverkanker was geconstateerd. En hoewel geen van de verhalen letterlijk autobiografisch is, vormen ze een tableau van de thema’s, motieven en personages die hem zijn hele schrijversleven na aan het hart hebben gelegen.

Johnson beschouwde zichzelf ten diepste als een christelijk schrijver: veel van zijn personages belanden door eigen toedoen in de goot, en proberen daar vervolgens aan te ontstijgen. Transcendentie, zuivering, verlossing bereiken via lijden – dat is Johnsons thematiek. Maar een evangelist is hij nooit geweest. Het blijft in zijn boeken bij menselijk streven. De glorie Gods blijkt telkens te hoog gegrepen.

Hoewel Johnson twintig boeken schreef, is De gulheid van de zeemeermin pas zijn tweede verhalenbundel. Zijn eerste, Jezus’ zoon (1992), verwierf in de loop der jaren een bijna mythische reputatie. In elf aan elkaar gerelateerde verhalen schetste de auteur hierin de wederwaardigheden van een reeks verschoppelingen: alcoholisten, drugsverslaafden, kleine en minder kleine misdadigers, gelukszoekers, verdoemden.

Het feit dat Johnson zelf in de jaren zestig en zeventig lange periodes van drank- en drugsverslaving doormaakte en ontwenningsklinieken en psychiatrische inrichtingen van binnen kende, is ongetwijfeld debet aan de vaak pijnlijke levensechtheid van de verhalen.

In De gulheid van de zeemeermin betreedt Johnson vergelijkbaar terrein. Ook in deze bundel hebben de hoofdpersonen – alle verhalen zijn in de ik-vorm geschreven – zichzelf de goot in gespoten, gesnoven of gezopen, vragen zij zich af hoe dat zo is gekomen, wat zij eigenlijk met hun leven hebben gedaan. Alleen is de onverbiddelijkheid van de dood in deze verhalen nóg krachtiger aanwezig.

In het titelverhaal laat de verteller, reclameman Bill, een reeks schijnbaar onsamenhangende anekdotes de revue passeren. Gaandeweg wordt duidelijk dat ze stuk voor stuk handelen over misverstanden, onbegrip, verwarring, vervreemding, gebrek aan greep op de werkelijkheid.

Tragikomisch hoogtepunt is als Bill zijn eerste ex-vrouw aan de telefoon krijgt. Zij ligt op sterven en wil hem nog eenmaal flink de waarheid zeggen: hoe erg hij haar heeft gekwetst, hoe graag ze hem daarvoor zou vergeven en hoezeer ze twijfelt of ze dat wel kan. Terwijl hij diep door het stof gaat en zijn oprechte excuses maakt, realiseert Bill zich dat hij bij nader inzien niet zeker weet of hij nu zijn eerste ex, Ginny, aan de lijn heeft of zijn tweede, Jenny. ‘Ik wist opeens niet meer van welke reeks vergrijpen ik spijt had.’

Het tweede verhaal, ‘Het Starlight op Idaho’, speelt in een afkickkliniek en bestaat uit een reeks hevig verongelijkte brieven van een jongeman aan familie, vrienden, artsen, paus Johannes Paulus II en Satan. Hij lijkt hard op weg naar het lot dat zijn oma hem voorspiegelde als hij bleef drinken: ‘Je zal uiteindelijk begraven worden in een vreemde stad met je naam verkeerd gespeld op je graf.’

‘Bob de Wurger’ is gesitueerd in een gevangenis, door de verteller ‘een kruispunt voor zielen’ genoemd, en vormt een briljante schets van menselijke wanhoop en zelfbegoocheling, bevolkt door figuren die volstrekt geen greep op en werkelijk besef van hun eigen handelen hebben.

Aan ‘Doppelgänger, poltergeist’ wordt de ongrijpbaarheid van de werkelijkheid – of het menselijk onvermogen deze onder ogen te zien – belichaamd door een samenzweringstheorie over Elvis Presley en zijn dood gewaande tweelingbroer Jesse, die hem later in zijn carrière zou hebben vervangen.

In ‘Triomf over het graf’ blijft Johnson het dichtst bij zichzelf. We lezen over een schrijver die terugblikt op zijn leven, soms met lede ogen, soms berustend. ‘Het zal je duidelijk zijn dat ik op het moment dat ik dit schrijf niet dood ben. Maar misschien wel tegen de tijd dat je dit leest.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.