Boeken

In De mannen die we oogstten vreet de dood ‘aan de wortels van onze gemeenschap’

Jesmyn Ward brengt een ode aan vijf dierbaren die op jonge leeftijd zijn gestorven. Het leest als een wanhoopskreet van een zwarte gemeenschap in het zuiden van de VS.

Jesmyn Ward Beeld Sarah Lee/ HH
Jesmyn WardBeeld Sarah Lee/ HH

Schrijf over mijn leven, kreeg de Amerikaanse auteur Jesmyn Ward (1977) vaak te horen in haar geboorteplaats DeLisle, een stadje in Mississippi met een grote Afro-Amerikaanse arbeidersgemeenschap; een trotse gemeenschap, getekend door een verleden van racisme en economische ongelijkheid. ‘De meeste mannen in mijn leven vonden dat hun levensverhaal, of ze nou drugdealer waren of op het rechte pad bleven, het waard was om te worden geboekstaafd.’

Ward lachte de opmerkingen weg, schreef romans over fictieve personages die leefden in soortgelijke plaatsjes – met Salvage the Bones, over de orkaan Katrina, won ze in 2011 een National Book Award. Tot ze zich realiseerde dat ze zoveel van haar personages hield dat ze de waarheid uit de weg ging: als een ‘welwillende god’ behoedde ze hen voor de dood, voor drugsverslaving, voor de onnodig strenge celstraffen waaraan de mannen in haar omgeving ten prooi vielen.

De enige manier om onder ogen te zien ‘wat er in het Zuiden met de Zwarte mensen die ik kende gebeurde’, was te doen waarop de mannen in DeLisle al hadden aangedrongen: hun levens beschrijven.

Doodgeschoten

In De mannen die we oogstten – verschenen in 2013, nu pas in het Nederlands vertaald – brengt Ward een ode aan vijf dierbaren die op jonge leeftijd zijn gestorven, onder wie haar enige broer. Een van hen werd doodgeschoten in zijn eigen tuin, een ander stapte zelf uit het leven. Jesmyns neef C.J. werd overreden bij een spoorwegovergang in een uithoek van Mississippi, waar niemand de moeite had genomen slagbomen te plaatsen.

‘De dood verspreidt zich en vreet aan de wortels van onze gemeenschap als een schimmel’, schrijft Ward. Altijd zijn het de mannen die sterven en de vrouwen die achterblijven. Elke keer vraagt de auteur zich af: waarom? En: hoelang gaat dit nog door?

Ward vervlecht de verhalen van de mannen met hoofdstukken over haar eigen jeugd. Ze beschrijft hoe ze opgroeit met een zwoegende moeder, een afwezige vader, een broertje en twee zusjes. Dankzij een van de werkgevers van haar moeder, die schoonmaakt bij rijke witte mensen, kan Jesmyn naar een privéschool, waar ze vaak scheef wordt aangekeken. Van een paar ouderejaars krijgt ze te horen dat ze vast wel weet ‘wat we met jullie soort doen’.

Ze gaat studeren aan Stanford, ver weg van het racisme en de armoede in Mississippi, maar is vaak depressief en ziek van heimwee. ‘Ik had toen nooit kunnen weten dat dit uiteindelijk mijn leven zou zijn: eeuwig uit het Zuiden willen weggaan en dat ook steeds weer doen, maar telkens teruggezogen worden door een liefde die zo overweldigend was dat ik erdoor werd gesmoord.’

De verhalen van de mannen komen in omgekeerd chronologische volgorde aan bod: van de altijd stralende maar drugsverslaafde Rog, gestorven in 2004, tot Jesmyns broer Joshua, die in 2000 verongelukte. Zo zijn ze alle vijf de hele tijd aanwezig in het boek: als kind, als jongvolwassene of als langzaam vervagende herinnering. ‘Mijn geesten waren ooit mensen’, schrijft Ward, ‘en dat mag ik nooit vergeten.’ Het idee komt terug in haar roman Het lied van de geesten (2017), ook al bekroond met de National Book Award, waarin de spoken uit het verleden levensecht verschijnen.

Levensecht

Ook in deze memoir zijn de geesten levensecht. Gevoelvol beschrijft Ward hun kwaliteiten en liefhebberijen, hun frustraties en misstappen, al is niet elk beschreven detail even onmisbaar; niet alle dronken avondjes in DeLisle voegen iets toe.

In het vlechtwerk van verhalen stevent Ward langzaam maar zeker af op het punt waar ‘verleden en toekomst samenkomen’, in de zomer van 2000, de laatste die ze doorbracht met haar broer. De avond van zijn dood is ingetogen, bijna afstandelijk beschreven, met veel aandacht voor de omgeving, het glinsterende water en de maan boven de Golf van Mexico (‘Ik wil graag geloven dat het een mooie avond was’). Alsof méér zeggen nog altijd pijnlijk is.

In haar zoektocht naar verklaringen voor al die doden, en voor haar eigen wanhoop en verdriet, komt Ward niet veel verder dan wat (inmiddels verouderde) statistieken over de sociaal-economische positie van Afro-Amerikanen in Mississippi, die haar eigen ervaringen ‘als een uitroepteken’ benadrukken.

Dat maakt het boek niet minder schrijnend. De mannen die we oogstten leest als de wanhoopskreet van een hele gemeenschap, nog voordat Black Lives Matter een beweging werd. ‘Er hangt een immense duisternis over onze levens’, schrijft Ward, ‘en niemand die dat erkent.’ Ruim een jaar na de moord op George Floyd lijkt dat laatste in elk geval een heel klein beetje minder waar.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Jesmyn Ward: De mannen die we oogstten. Uit het Engels vertaald door Astrid Huisman. Atlas Contact; 272 pagina’s; € 22,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden