In de maag van een dood paard

In den beginne was het woord, meteen daarna kwam de readymade...

Piet Gerbrandy

Alleen wie het woord voor het eerst uitsprak, was origineel, de volgende spreker was een imitator. Woorden dragen hun geschiedenis met zich mee. Weliswaar is het mogelijk gebruikte woorden steeds opnieuw te combineren, het blijft napraten.

Dat betekent echter niet dat alles al gezegd is. In de eerste plaats groeit onze kennis van de wereld in hoog tempo, waarmee tegelijkertijd onze onwetendheid toeneemt. Wat weten wij bijvoorbeeld van atomen, sterren en de werking van ons bewustzijn? In de tweede plaats grijpen verschillende culturen, die tot voor kort voornamelijk naast elkaar leefden, steeds meer in elkaar, waardoor ook woorden een nieuwe inhoud kunnen krijgen. In de derde plaats maakt juist het feit dat woorden hun geschiedenis hebben, het aannemelijk dat er buiten die geschiedenis om van alles valt te exploreren waarvoor nog geen woorden zijn gevonden.

Mustafa Stitou (1974) is zich als geen ander bewust van de last die de taal met zich meesleept. In zijn eerste bundel staat de inmiddels klassieke uitspraak: 'ik ben de jonge Marokkaan/en zijn anderstalige gedachten'. Er is de afgelopen jaren veel gezeurd over de 'allochtone stem' in de vaderlandse letteren, die tot uitdrukking kwam in enkele slechte boeken, maar het werk van Stitou bewijst dat botsing van culturen vruchtbaar kan zijn. Filosofisch geschoold als hij is, speelt hij een subtiel spel met de culturele geladenheid van woorden die een ander juist om die reden zou vermijden. Wie zou bij herhaling over zijn 'joodse verloofde' durven te schrijven? Wat betekent het als een islamitisch opgevoede man zijn boek de titel 'varkensroze ansichten' geeft? Is het niet op het randje om in een gedicht naar zowel Anton Mussert als 11 september te verwijzen? Ja, dat is op het randje, maar dat is precies wat Stitou wil.

Experimenteerde Stitou in zijn vorige boek op Oosterhoffiaanse wijze met readymades en afwijkende typografie, deze nieuwe bundel oogt minder speels. De gedichten verschillen onderling sterk van vorm, maar bij herhaalde lezing blijkt het boek een cultuurhistorische thematiek te hebben die van de eerste tot en met de laatste bladzijde doorwerkt. In het openingsgedicht lezen we hoe drie speleologen in Zuid-Frankrijk praten over grottekeningen die ze ontdekt hebben, terwijl 'Mustafa' vanwege zijn naam en uiterlijk onheus bejegend wordt door de eigenares van zijn hotel. 'En dan te bedenken dat we stuk voor stuk afstammelingen zijn van/een en hetzelfde kliekje dat 170 000 jaar geleden in Afrika leefde, Afrika.'

In nogal wat gedichten wordt aan Darwin gerefereerd, terwijl ook het aantal verwijzingen naar primitieve religies aanzienlijk is. Daarbij komen verwijzingen naar Celan, Ovidius, Nietzsche, Hanlo en Shakespeare, terwijl anderzijds ook minder verheven namen als Discovery Channel, Albert Heijn en Blokker vallen.

Ofschoon het gebruik van readymades in deze context functioneel is, heeft Stitou zich er in enkele gevallen wel erg gemakkelijk van afgemaakt. Zo citeert hij overvloedig uit de autobiografie van Darwin en is een strofe als deze niet grappig: 'krksh/krksh/krkshkrksh/krksh/(Ooien, ooien komen jullie?)'. Blijkens het overgrote deel van de bundel heeft Stitou dat ook niet nodig, want hij heeft genoeg te melden en schrijft zinnen met een hoog soortelijk gewicht.

Het macabere 'Weefsel' begint zo:

Hier voeren we ze dronken. Hier houden we ze uit hun slaap, voorgoed. Hier –

de tweederde mensjes moeten hun ogen – De geleerde die hier aan het woord is, wil weten 'wanneer/uit hun ogen poten ontstaan.' Mocht men opperen dat dit experiment om het experiment ethisch niet verantwoord is, dan luidt het antwoord: 'Geen kwestie van kennis om de kennis hun vleugels mogen ze houden.' Elders in de bundel worden klonen genoemd: Stitou vraagt zich keer op keer af wat identiteit is.

De sterkste gedichten staan achter in de bundel. Er is een reeks strofen over een ontheemde oude man, waarin steeds hetzelfde fabeltje terugkomt: 'een man wilde het land der sterfelijken ontvluchten/verborg zich in de maag van een dood paard/dacht de dood is hier reeds geweest'. Het laatste gedicht heeft een bezwerend refrein: 'Ik kan stoppen met roken en ook als het niet lukt/ik hou van mezelf ik ben niet dik niet klein niet rond/ik heb een zachte pik zat liefde in mijn kippenborst'. In dat gedicht staat deze ontroerende strofeens zal ik wegrukken het doekje van het hoofd van mijn vreemde moeder altijd raapt zij mij op Stitou is de belangrijkste dichter van zijn generatie.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden