Ellen Deckwitz

Interview Ellen Deckwitz

‘In de kampen, dáár was het pas erg, kreeg ik als meisje te horen’

Ellen Deckwitz Beeld Erik Smits

Waarom wist haar moeder niets van de oorlog, maar kreeg zij als kleinkind alles te horen, tot in de gruwelijkste details? In haar nieuwe bundel ontdekt dichter Ellen Deckwitz (37) hoe verdriet generatie na generatie kan doorwerken. ‘Ik heb jarenlang iedereen gewantrouwd.’ 

In Minnesota staat een dode kamer die in het Guiness Book of Records wordt vermeld omdat ze een geluidssterkte heeft van -9,4 decibel

Wacht WAT

-9,4 decibel in een dode kamer. Dat er onder stilte nog meer stiltes zitten, 

isolatielagen onder een bevroren vijver, 

en onder de ijsplaten stilgevallen vissen, winterharde planten, 

op de bodem een vergeten dwerghert, de vacht vol kristallen,

Mijn thuis puilt uit van hogere natuurkunde,

Ik stam af van de allergrootste dode kamer

(uit: Hogere natuurkunde)

Stel je een begrafenis voor van een vrouw van 92 die al decennia als kluizenaar leefde. Twaalf mensen aan haar graf, haar kinderen en kleinkinderen, de uitvaart duurt hooguit tien minuten. Na afloop is er koffie en cake en haalt de familie herinneringen op. Dan zegt een van haar dochters ineens: ‘Ik heb eigenlijk geen idee wat oma in het kamp heeft meegemaakt.’

Die vrouw is de oma van dichter Ellen Deckwitz (37). Ze werd in 1921 geboren als dochter van een Nederlands lerarengezin in Nederlands-Indië en zat tijdens de oorlog in een jappenkamp. Samen met haar echtgenoot kwam ze na de oorlog naar Nederland – onvrijwillige immigranten die hun moederland achterlieten.

Het eerste wat Deckwitz haar moeder vraagt, aan de koffietafel, is of ze het verhaal van het moeras dan niet kent. Haar oma had haar er, toen ze jong was, zelf over verteld. ‘Het was vlak voor het einde van de oorlog. Als laatste wraakactie, zo ging het gerucht in het kamp, zouden de Japanners de gevangenen het moeras indrijven en hen daar doodschieten. Iedereen in paniek, maar oma begon voor te lezen uit een bijbel en kreeg zo de hele barak rustig – terwijl ze was opgevoed als atheïst.’

Nee, dat verhaal kende haar moeder niet.

Haar moeder wist ook niet dat haar eigen vader als 15-jarige jongen in het kamp was verkracht. Niet dat er werd gemarteld, of dat oma haar eigen moeder in het kamp heeft begraven. ‘De dagen, de weken, de maanden na de uitvaart kwamen de verhalen, als modder borrelden ze op: dat mijn oma eigenlijk geen kinderen had willen krijgen en dat ze mij eens heel trots vertelde dat ze mijn moeder als kind regelmatig zo’n pak slaag had gegeven dat haar handen gevoelloos waren – ‘maar ze gaf geen kik’.’

Ellen Deckwitz is behalve dichter ook columnist, theatermaker en poetryslammer. Haar debuut, De steen vreest mij, werd in 2012 bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Drie jaar later riepen critici haar bundel De blanke gave uit tot een van de drie beste poëziebundels van 2015. Deze week verschijnt Deckwitz’ vierde bundel, Hogere natuurkunde – deels gedicht, deels verhaal, deels sprookje – over hoe de trauma’s en het verdriet van de generatie van haar grootouders zijn overgedragen op hun kinderen en kleinkinderen.

‘Intergenerationele dynamiek’ noemt Deckwitz dat in het Amsterdamse café waar we hebben afgesproken. Ze spreekt bijna zonder pauzes: ‘Dus let op, schematisch gezien ziet die dynamiek er zo uit: de eerste generatie witte Nederlanders uit Nederlands-Indië komt na de oorlog naar Holland. Ze missen hun land, hebben in de kampen gezeten. Ze komen in Nederland, waar niemand echt aandacht voor ze heeft, ze proberen wat van het leven te maken en vertellen weinig over wat ze hebben achtergelaten aan hun kinderen, die hier zijn geboren. Die tweede generatie groeit dus op bij mensen die niks uitspreken. Die ergens wel voelen dat hun ouders verdriet hebben en die dat verdriet proberen goed te maken. Wat niet lukt. De derde generatie, mijn generatie, groeit op bij ouders die gebogen lopen, de rug in een vraagteken. Die ook een verdriet dragen, omdat ze het niet hebben kunnen goedmaken voor hun ouders. En die derde generatie, dat is het griezelige, die hoort de verhalen van de eerste generatie wel. Misschien omdat die generatie de dood aan de voeten voelt knagen en denkt: anders gaat onze geschiedenis verloren. En dat zorgt ervoor dat de verhouding tussen de tweede en de derde generatie scheefgroeit. Want je moet ineens aan je ouders vertellen wat zij niet weten. Dat is vernederend voor hen.’

Soms, als ik de woonkamer binnenkwam, deed ze alsof

ze dood was. Lag ze daar op het Perzisch kleed,

mond halfopen, kunstgebit balancerend op de onderlip,

kwijllijnen tussen kin en grond.

(uit: Hogere natuurkunde)

‘Ik was met afstand het minst geliefde kleinkind van mijn grootmoeder. Ik was de donkerste kleindochter, de geliefde kleinkinderen waren blond. Blond was in de ogen van mijn grootmoeder beter. Ik merkte aan alles dat ze niet van me hield. Dan föhnde ze mijn haar op de hoogste stand, totdat mijn huid gloeide, en zei ze: ‘Zo voelt het om vijf uur lang in de brandende zon te knielen voor de Japanse vlag.’ 

Waarom kwam je dan toch zo vaak bij haar over de vloer?

‘Mijn oma woonde naast ons. Als mijn ouders niet thuis waren, paste ze op. Ik ben als een kat die op schoot gaat zitten bij degene die juist niet van katten houdt. Misschien wilde ik bewijzen dat ik haar liefde waard was. Maar ik was ook nieuwsgierig. Mijn oma hield, net als ik, van geschiedenis. Ze kon geweldig roddelen over historische figuren die al eeuwen dood waren. Dus ik heb haar ook veel gevraagd naar vroeger. Maar nu denk ik: als volwassene heb je de verantwoordelijkheid voor wat je vertelt. Mooie verhalen over Indië als paradijs, prachtig. Maar je hoeft een 8-jarige niet uit te leggen hoe er werd gemarteld in het kamp.’

Welk effect hebben de verhalen van je oma op jou gehad? 

‘Ik ben jaren bang geweest voor mensen. Wantrouwend. Mijn oma zei altijd: als mensen honger krijgen, dan moet je gaan uitkijken. Dan vertelde ze over moeders in het kamp die het eten van hun kinderen stalen. Pas toen ik ging studeren en een beetje loskwam van de familie, ontdekte ik dat niet iedereen een egoïst is die voor zichzelf kiest. Dat er aardige mensen zijn die je vertrouwen waard zijn. Een vriendin zei toen: ‘Je gaat met mij om alsof ik je elk moment kan dumpen. Maar mensen kunnen ook je vriend zijn.’ Die simpele boodschap was een eyeopener.’

Je schrijft dat je oma altijd zei: niks tegen je ouders zeggen. 

‘Ja, en daardoor voelde ik me uitverkoren. We deelden een geheim.’

Hoe reageerde je moeder toen ze erachter kwam dat jij meer wist van het verleden dan zij?

‘Ik heb een nieuwe moeder gekregen. Opeens ontdekten we dat we allebei gebukt zijn gegaan onder die oma. Mijn moeder en ik waren een tijd niet zo goed met elkaar. Zij was bang voor van alles en ik kon haar angst niet uitstaan. Ik vond haar laf. Tegelijkertijd voedde ze me op met het idee: niks van wat jou overkomt, is erger dan wat mensen in de kampen hebben moeten doormaken. Was je ziek? Niet erg. Hoofdpijn? Niet zeuren. Ik ben nog eens met een maagontsteking naar school gestuurd. Dan was het: stel je niet aan.’

De wind kamt wat zweet uit mijn haren,

in mijn handen houd ik een verweerde foto:

1927, meisje in het wit, enorme strik in het haar,

leunend tegen de reuzenboom.

(uit: Hogere natuurkunde)

Ellen Deckwitz Beeld Erik Smits

‘Als nazaat van een door de oorlog getraumatiseerde krijg je angst en haat aangeleerd, maar ook het gemis van een land dat je grootouders hebben moeten achterlaten. Vorig jaar ben ik met mijn broer naar Indonesië geweest. Eerder durfde ik nooit. Ik was bang voor het land waar alles was misgegaan, maar ik was ook bang dat de magie van de verhalen van mijn oma zou verdwijnen. We landden in Jakarta en moesten allebei janken, want we herkenden de geuren van mijn oma, we herkenden de taal. Tegelijkertijd liep ik daar rond en was het alsof ik het land niet echt bezocht. Ja, de straat waar ze woonde, was er nog. Zelfs het huis stond er nog. Maar het land uit de verhalen van mijn oma is er niet meer. Het is precies zoals Rudy Kousbroek ooit schreef: ‘We kennen de weg in een huis dat niet meer bestaat.’ 

In Indonesië, en daarvoor ook in Nederland, interviewde ze mensen uit de eerste, tweede en derde generatie, nazaten van witte kolonialen en Indische mensen, deels Europees, deels Indonesisch. Wat hebben jullie meegemaakt, vroeg ze. Waar werd bij jullie thuis over gepraat? Waar heb je last van? Bij de derde generatie ziet ze ‘een soort drift’ die ze bij een deel van de tweede generatie mist. Die ziet ze trouwens ook bij haar Joodse vrienden, bij migrantenvrienden. ‘Ons soort mensen’ noemt ze die in de bundel, de soort die weet wat oorlog en honger en wantrouwen is. Die groep zet ze af tegen de ‘veilig gehechten’, die denken dat alles goed komt en banger zijn voor plastic dan voor mensen; aan het apocalyptische einde van de bundel staan ze tijdens een dodenherdenking tegenover elkaar.

Aanvankelijk had ze de verhalen van al die mensen willen verwerken tot een non-fictieboek. ‘Maar ik kwam er steeds meer mee in de knoop. Er moest worden gespeeld, om de horror behapbaar te maken. Poëzie is voor mij een manier om langs de werkelijkheid heen te kletsen, een werkelijkheid die je nog niet helemaal in woorden kunt vatten, die te teer is of te taboe. Maar die je, door erlangs te kletsen, wel gaat aanvoelen. Deze bundel gaat vooral over familiedynamiek. Over het wij-zij-denken, een groot probleem in een maatschappij met veel migratie, ben ik nog niet uitgedacht. Dat verhaal hoop ik ooit nog op papier te krijgen.’

Hogere natuurkunde verschijnt op 26 september (Uitgeverij Pluim; € 21,99). Op 28 september treedt Deckwitz op tijdens de Nacht van de Poëzie.

Ellen Deckwitz

Van Ellen Deckwitz (1982, Deventer) verschenen de afgelopen jaren prijswinnende bundels, boeken over schrijven en de bestseller Olijven moet je leren lezen. Haar poëzie, zo zei ze ooit in een interview, moet ‘toegankelijk zijn maar niet debiliserend’. Deckwitz presenteert poetryslams, maakt theater, heeft een tweewekelijkse column in NRC Handelsblad en stond in de finale van De slimste mens.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden