OORLOGSBOEKENDE DONKERE KAMER VAN DAMOCLES

In De donkere kamer van Damocles blijf je je tot het laatste woord afvragen wat waar is

Beeld Sabine van Wechem

Aan de vooravond van de viering van 75 jaar bevrijding bespreekt Onno Blom acht literaire boeken die het beeld van de Duitse bezetting in Nederland hebben bepaald. Vandaag: De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. 

‘Het nieuwe boek wordt hoogst sensationeel’, schreef Willem Frederik Hermans op 25 januari 1954 aan zijn uitgever, Geert van Oorschot. Een titel had hij al: De donkere kamer van Damocles. De held van zijn roman zou tijdens de oorlog ‘een bloeddorstige en dubieuze rol’ spelen bij ‘spionagebezigheden’ en gebruikmaken van de fotografie. ‘De donkere kamer betreedt hij ten slotte alleen met angst; zij hangt als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd.’

Zelf had Hermans – hij was 18 toen de Duitsers Nederland binnenvielen – tijdens de vijf lange oorlogsjaren niet bijster veel uitgevoerd. Zijn studie fysische geografie kwam stil te liggen. Hij rommelde wat aan met jongedames. Hij meldde zich bij de Kultuurkamer, maar werd geen lid. Hij zat niet in het verzet. Hij hield zich vooral afzijdig. ‘Ik las. Ik schreef’, staat in zijn Fotobiografie.

Toch is de Duitse bezetting cruciaal in zijn literaire werk, zoals in De tranen der acacia’s en Het behouden huis, als decor van extreme omstandigheden waartegen het gedrag en de aard van de mens scherp konden worden verbeeld. De oorlog diende als metafoor voor de blik die Hermans zelf op de wereld had. ‘Er is maar één werkelijk woord: chaos.’

Voor De donkere kamer van Damocles (in latere drukken werd de ‘c’ een ‘k’), dat hij pas in de zomer van 1958 voltooide, liet Hermans zich inspireren door de drie dikke delen van het rapport van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, die vol fantastische verhalen stonden van parlementsleden, generaals, oud-ministers, spionnen en verzetslieden. ‘Die verhalen waren dikwijls volstrekt met elkaar in strijd.’

Beeld Sabine van Wechem

In het bijzonder was Hermans geïntrigeerd door de infiltrant Anton van der Waals, die in 1950 wegens verraad ter dood was veroordeeld. Die beweerde na de oorlog zijn orders te hebben ontvangen van een Engelse agent, een zekere Verhagen, naar wie men maandenlang heeft gezocht. Pas op de avond van de executie gaf Van der Waals toe het verhaal te hebben verzonnen.

In De donkere kamer van Damocles ontmoet een vrouwelijke jongeman, Henri Osewoudt, in zijn sigarenwinkeltje aan het begin van de Duitse bezetting een officier die zijn krachtige, donkere en mannelijke evenbeeld is: Dorbeck. Deze officier geeft hem opdrachten die hij blindelings uitvoert. Osewoudt wordt door de Duitsers gepakt, bevrijd door Dorbeck en vermomd als verpleegster. Hij gaat door de linies, meldt zich bij de geallieerden, maar wordt onmiddellijk gevangengenomen en beticht van verraad.

‘Hij beroept zich’, schreef Hermans aan Van Oorschot, ‘op de officier die als twee druppels water op hem lijkt. Maar dit fantastische dubbelgangerverhaal wordt natuurlijk niet geloofd. Men gaat weliswaar na de bevrijding de officier zoeken, maar deze wordt niet gevonden. Osewoudt, tot wanhoop gebracht, vlucht en wordt op de vlucht neergeschoten.’

Beeld Sabine van Wechem

De roman, verteld in een ‘eenvoudige, spookachtige stijl’, had groot succes en werd bewonderend besproken. Alleen de socialist Jef Last maakte bezwaar tegen literatuur ‘die de rancuneuze nietskunner tot zijn held verheven heeft’ en het beeld van het verzet dat ‘uitsluitend bestaat uit laffe, zinloze moorden’.

‘Personen die kwaad worden over de manier waarop ik verzet en verzetsdaden bekijk’, kaatste Hermans, ‘zijn te vergelijken met literatuurminnaars die zeggen dat de psychologen de literatuur kapot maken omdat ze beweren dat schrijvers oraal gefixeerd zijn, evenals alcoholisten en homoseksuelen.’

‘Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest’, zegt een inlichtingenofficier in De donkere kamer van Damocles. Het fascinerende van de roman is nu juist dat je je tot en met het laatste woord blijft afvragen of Osewoudt de waarheid spreekt. Was hij nu ‘goed’ of ‘fout’? Bestond Dorbeck? Is de ander wezenlijk te kennen?

De interpretaties van Hermans’ everseller vullen inmiddels een boekenplank. Voor de schrijver bestond Dorbeck, maar slaagde Osewoudt er niet in zijn bestaan te bewijzen. De foto waarop zij beiden zouden staan mislukt in de donkere kamer.

Op de vraag wie Dorbeck werkelijk was, de geheimzinnige instantie die de handeling voortstuwt, gaf Hermans in 1962 in een interview met Johan van der Woude een intrigerend antwoord: ‘Dat is de romanschrijver zelf. Die bestaat eigenlijk altijd en eigenlijk nooit.’

Onno Blom besprak eerder Het bittere kruid van Marga Minco, Het meisje met het rode haar van Theun de Vries, De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve, Pastorale 1943 van Simon Vestdijk en Het Achterhuis van Anne Frank. 

De Volkskrant Boeken
Mooie romans, spannende non-fictie, interviews en pittige recensies: alles over de wereld van de letteren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden