Paul McCartney van The Beatles in de Teddington Studios in London, 11 juni 1964.

Beschouwing Documentaire My Generation

In de documentaire My Generation kijkt acteur Michael Caine vol verwondering terug op de Swinging Sixties in Londen

Paul McCartney van The Beatles in de Teddington Studios in London, 11 juni 1964. Foto Redferns

Michael Caine was eigenlijk al aan de oude kant toen de Swinging Sixties in Londen uitbraken. Hij was begin dertig, en had er al een jaar of negen in de marge bij het repertoire-toneel opzitten. Terwijl de eerste beatbands en minirokjes in de straten rond Piccadilly Circus opdoken, kreeg Michael Caine zijn eerste hoofdrol: in het koloniale oorlogsdrama Zulu (1964) speelde hij de snobistische luitenant Gonville Bromhead, ironisch genoeg.

Ironisch, omdat Caine zich vanaf dag een had voorgenomen de eerste cockney acteur van Engeland te worden. Cockneys, Londense arbeiders, hadden in de bioscoop geen stem. Net zomin als op de radio of de televisie. Als zoon van een schoonmaakster en een sjouwer op de vismarkt  wilde hij dat doorbreken, en wel met authentiek cockney-idiolect. Daar vind je in Zulu helemaal niets van terug, maar de film maakte van de lange, blonde Caine wel een heuse Britse ster. ‘Ik had het geluk dat regisseur Cy Endfield van Zulu een Amerikaan was, die helemaal niets wist van ons achterlijke klassensysteem,’ vertelt Michael Caine. ‘Van een Britse cineast had ik die rol nooit gekregen.’

Supermodel Twiggy rond 1967. Foto Michael Ochs Archives/Getty Images

Het zijn dit soort memoires die over het scherm schieten in de documentaire My Generation (2017), die nu ook de Nederlandse filmhuizen haalt. De geboren verteller Michael Caine spreekt op geheel eigen wijze over die hippe Londense tijd, een stroom aan fraaie archiefbeelden ondersteunt zijn betoog. Net als zijn gesprekjes met andere zegslieden, onder wie Paul McCartney, modekoningin Mary Quant, model Twiggy, en sterfotograaf David Bailey. Opvallend detail: geen van die lieden komt sprekend in beeld, hun quotes worden ingezet als voice-overs bij het lopende beeldverhaal. Regisseur David Batty heeft uitgelegd dat hij bang was dat de inmiddels wat verfomfaaide gezichten van, zeg, Marianne Faithfull maar zouden (‘Zó, die is oud geworden’) afleiden. Dat is een keuze, al krijg je wel lichtelijk het gevoel dat de jarenzestigmythe van ‘voor altijd jong’ niet mocht worden doorbroken.

Michael Caine.

Zo komt dus alleen Michael Caine sprekend voor de camera, en een straf is dat niet. Mooi oud geworden (hij wél) kan Caine met precies de juiste ironie ook alle gekkigheid duiden die erbij hoorde – dat loopt van de Beatles-taferelen tot aan de flarden archiefbeelden vol verontwaardiging bij het oude Britse establishment over die losgeslagen jeugd.

Scènes uit zijn eigen speelfilms waarin hij wel die gewenste cockney speelde completeren de collage. Denk aan: de zwarte comedy Alfie (1966), de schelmenmisdaadfilm The Italian Job, 1969) of de tijdloze gangsterfilm Get Carter (1971). Juist door die rollen was Michael Caine (die van 1933 is) plotseling ook hip, en zo kwam hij onder de naoorlogse babyboomers in Club Ad Lib terecht, nabij het Leicester Square.

De sociale context 

Daar zaten ze allemaal, de John Lennons, de David Hockneys, de David Bowies, de Roger Daltreys, de Mick Jaggers, en Michael Caine kon het goed met die jongelingen vinden. In de Britse pers is wel geopperd dat My Generation niet volledig is (schrijvers als Kingsley Amis ontbreken) – en dat klopt, maar erg is het niet. Wat Caine hier vertelt heeft hij allemaal uit eigen waarneming, dit is feitelijk zijn autobiografie in beelden.

Fotograaf David Bailey en fotomodel Penelope Tree bij Madame Tussauds in Baker Street, London, 1970. Foto PA Archive/Press Association Images

Ondertussen stipt Michael Caine de sociale context toch wel aan. Wederopbouw voltooid, aanzwellende economie, meer welvaart, gelijkere kansen binnen het onderwijs, en niet te vergeten de komst van de pil – dat waren de ingrediënten voor deze vrolijke revolutie, al leefde alles buiten Londen nog gewoon even door in de jaren vijftig. De happy few, meest nieuwbakken studenten aan de Londense kunstacademies – doorgaans vrijgevochten arbeiderskinderen die voorheen nooit hadden kunnen studeren – zetten opzichtig wijken als SoHo en Chelsea naar hun hand, en uiteraard hoorde daar ook hun eigen muziek bij. Geen Engelse dixieland meer van Mister Acker Bilk, of Britse volksliedjes, nee, de beat van The Who, en The Beatles, de Rolling Stones en The Kinks.

Vooral die laatste band van Ray Davies verpakte graag Brechtiaans sociaal commentaar in liedjes als A Well Respected Man, Dedicated Follower of Fashion en Dead End Street. En omdat de BBC aanvankelijk weinig met deze eerste golf aan Britpop op had, verzon de Ierse avonturier Ronan O’Rahilly – die diep in de Londense clubscène zat – gewoon zijn eigen station: de piratenzender Radio Caroline, geankerd in de internationale wateren voor de kust van Essex.  Het was de Britse tegenhanger van Radio Veronica, de Nederlandse zeezender die in 1960 al voorzichtig was begonnen. Michael Caine: ‘Bij de BBC zaten ze allemaal nog in driedelig pak voor de microfoon – op de radio, mind you!’

Britpop 

Het mag geen wonder heten dat al die vroege Britpop voor deze documentaire weer eens op de draaitafel wordt gelegd. Geen andere kunstuiting heeft zo het vermogen om je in een oogwenk terug te voeren naar een tijdvak dan een hitsingletje van, zeg, 2 minuut 30. Het is vaker gedaan, maar het werkt altijd – zeker bij obscure archiefbeelden van 8mm- en 16mm-filmpjes. Omdat goedkope, lichtgewicht handicams inmiddels voor iedereen toegankelijk waren geworden, ligt werkelijk alles vast op beeld, tot de wilde feestjes in Club Ad Lib aan toe.

Model Penelope Tree, 5 januari 1968. Foto Bettmann Archive

‘We hadden de tijd van ons leven; , haalt Michael Caine op, ‘Absolute vrijheid, een permissive society, losgezongen van de traditionele Britse hiërarchie. Als cockneyjongen had ik daar nooit van durven dromen.’ En bovendien: nog steeds hing de Koude Oorlog boven de markt, de Cubacrisis was net achter de rug, maar de angst voor de Bom was nog levend. ‘Misschien hebben we maar een paar dagen te leven, laten we er het beste van maken. Die stemming hoorde er net zo goed bij.’

Het was leuk, zolang het duurde. Maar wellicht, verzucht hij aan het slot van My Generation, duurde het feestje net iets té lang. De eerste drugsdoden vielen, Stones-gitarist Brian Jones voorop. The Beatles vielen uit elkaar. De nu inmiddels 85-jarige acteur zag het destijds allemaal wel aankomen. ‘LSD, cocaïne, heroïne, en een heleboel wartaal. De lol was er voor ons drinkers wel af.’

Eenmaal heeft Michael Caine zelf marihuana gerookt. Hij kreeg een lachstuip die vijf uur duurde, geen taxi wou ’m hebben, en dus moest hij lopend naar huis. Dat was het wel voor hem. Vaarwel hedonisme, voortaan zou hij zich weer op zijn professionele carrière richten. Het arbeidsethos dat hij van huis uit had meegekregen zat bij Michael Caine toch nog nét iets dieper.

Altijd aan het werk

Michael Caine, vlaggenschip van de Brit Cool, speelde inmiddels in 168 films en tv-series. En nog steeds is de nu 85-jarige acteur – die op 14 maart 1933 te Londen onder de naam Maurice Joseph Micklewhite Junior werd geboren – actief. Voor 2018 staat een juwelenrooffilm aangekondigd. Regisseur is de Brit James March en de werktitel is bepaald op: Untitled Hatton Garden Jewel Heist Project. Michael Caine werd zes keer genomineerd voor een Oscar en pakte twee beeldjes (‘beste bijrol’ voor Woody Allens Hannah and her Sisters, 1986; ‘beste bijrol’ voor The Cider House Rules; 1999 van Lasse Hallström).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.