'In de ban van het sensueele negerrythme'

Deze week promoveerde de historicus Kees Wouters op het proefschrift Ongewenschte Muziek - De bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland 1920-1945 (Sdu; ¿ 49,90)....

KOLONEL Werner Mölders hield van jazz. De meest gelauwerde piloot van Görings Luftwaffe (115 Abschüsse op zijn naam) stemde hoog in zijn cockpit af op de BBC, voor hij zijn bommen liet vallen op de Britse hoofdstad. Als het meezat, bleven de radiostudio's gespaard en hoorde hij op de terugweg zijn favoriete muziek: Glenn Miller.

In hoeverre het verhaal is aangedikt, laat Kees Wouters in zijn deze week verschenen dissertatie Ongewenschte muziek in het midden, maar veel maakt het ook niet uit. De jazzliefde van Mölders (die het in 1941 als Ritterkreuzträger bestond Goebbels om meer swing op de Duitse radio te vragen), illustreert de merkwaardig ambivalente rol die deze muziek tijdens de Tweede Wereldoorlog te spelen kreeg.

Jazz werd als 'Amerikaansch-Joodsch afval' door de nazi's entartet verklaard en zonodig met geweld bestreden, maar bleek tegelijk in de eigen gelederen zo populair dat Goebbels van een eenduidig verbod wijselijk heeft afgezien. Sterker: ook de nazi's erkenden de aantrekkingskracht van de 'rattenmuziek' en pasten opgewekt bigband-repertoire toe als omlijsting van antisemitische radiopraatjes. En juist het verbod maakten Duke Ellington en Count Basie voor velen het symbool van betere tijden en clandestien genot.

Deze paradoxale episode uit de Europese jazzgeschiedenis is eerder belicht, maar zelden zo uitvoerig en met zoveel oog voor absurdistische details als in deze studie. We lezen met naam en toenaam over muzikanten die in Nederland moeilijkheden krijgen omdat ze jazz spelen. Sommigen van hen belanden vervolgens in Berlijn, waar ze goed betaald krijgen voor hun schnabbels voor het Engelstalige programma van de Europasender, die de antisemitische en anti-Amerikaanse sketches van 'Lord Haw Haw' opvrolijkt met jazz van het studio-orkest Charlie and his Orchestra.

Wouters neemt als verteller een neutrale positie in, maar naarmate de paradoxen zich in zijn relaas opstapelen, krijgen zijn afstandelijke observaties vanzelf een droogkomische ondertoon. Die toon is geen toeval, legt de 43-jarige historicus uit: 'Wij zijn opgegroeid met het beeld van de oorlog van Lou de Jong, en dat was zwart-wit. Vervolgens kwam de dissertatie van Blom, die wat grijstinten aanbracht. En nu zijn we toe aan de generatie die het grijs kleur geeft. Dat houdt voor mij in, dat je descriptief te werk gaat. Wat is er precies gebeurd? Hoe is het nu écht gegaan? Het klinkt een beetje Rankiaans - Wie es eigentlich gewesen - maar dat zijn de vragen die ik beantwoorden wil.'

De ambities van Ongewenschte Muziek zijn niet bescheiden. Het boek behandelt een ruime periode, 1920-1945, in Nederland én Duitsland, rakelt daarbij een enorme hoeveelheid archiefmateriaal op, en legt een verband tussen de afwijzende jazzcommentaren door de cultuurdragers van de jaren twintig en de terminologie waarmee later de nazi's en NSB'ers jazz afwijzen.

'Het moet maar eens gezegd, al die perverse bewegingen, al dat heen en weer schuifelen en knikken en bibberen en draaien en quasi-gracieus likkebaarden en knoeien en wringen, gaat naar de verboden daad toe', schrijft de romancier en China-kenner Henri Borel in 1927 over een jazzavond in een Haagse dansgelegenheid. Vijftien jaar later wordt de weerzin door NSB'ers in nauwelijks andere termen verwoord: 'Jonge menschen, die gevangen zijn in de ban van het sensueele negerrythme, zijn doorgaans voor het ontvangen van edeler muziekgevoelens voorgoed uitgeschakeld.'

Het laatste citaat is van Jan Govert Goverts, een Haagse journalist die in 1940 zijn kans ruikt en snel carrière maakt in het gelijkgeschakelde ambtelijke apparaat. Als hoofd van het Muziekgilde van de Kultuurkamer bindt Goverts de strijd aan met de 'vijandige' jazzmuziek, waarbij hij zich onomwonden spiegelt aan het Führerprincipe: 'Alle draden moeten samenkomen bij mij (. . .) anders wordt het lapwerk', verklaart hij kort na zijn aanstelling.

In het bijna vijfhonderd pagina's tellende boek volgt Wouters Goverts op de voet, met nog enkele bureautijgers uit diens naaste omgeving, onder wie W.H.A. van Steensel van der Aa (voor de oorlog bekend als de jazzcriticus Will G. Gilbert). Net als Goverts is Van Steensel van der Aa vervuld van dadendrang. In zijn jazzbeleid toont hij zich aanzienlijk ambitieuzer dan de Duitse machthebbers, die zich op dit terrein eerder pragmatisch opstellen.

Van zijn hand is het notoire Verbod van negroïde en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek, een publicatie van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten, waarin Nederlandse muzikanten heel precies kunnen lezen welke jazzelementen voortaan verboden zijn.

Tot welke bizarre vormen van regelzucht dat leidt, valt te lezen in Artikel 2, lid C 3. Verboden is: 'Het aanwenden op negerwijze van langdurige slagwerksoli of een imitatie daarvan, gedurende meer dan twee respectievelijk vier vierkwartsmaten, vaker dan driemaal respectievelijk tweemaal herhaald in het verloop van tweeëndertig achtereenvolgende maten van een geheele vertolking. In jazzterminologie: stop chorussen voor slagwerk behalve voor bekkens. Geen bezwaar bestaat er tegen, een 'chorus' van een vertolking van slagwerksoli te voorzien in de plaatsen, waar ook een 'break' zou kunnen vallen, echter niet meer dan op drie van die plaatsen.'

Ondanks de minutieuze regels blijft er in alle geledingen grote onduidelijkheid bestaan over wat mag en niet, deels ook doordat de meeste betrokken ambtenaren geen flauw idee hebben hoe de regels moeten worden gecontroleerd. Evenals Engelse titels worden Amerikaans aandoende bandnamen verboden (de Swing Papa's gaan geruime tijd als Slingervaders door het leven), maar hoe het dan wél moet is aanleiding voor vele memoranda, herzieningen, extra maatregelen, ferme taal en nader overleg.

In het perspectief van Ongewenschte Muziek is de Tweede Wereldoorlog in Nederland vooral het verhaal van een doldraaiende bureaucratie. Het zal geen toeval zijn dat hoofdstukken als 'Implementatie en controle' vooral associaties oproepen met de in kleingeestigheden verstrikte wereld van J.J. Voskuils Het bureau.

Vanaf zomer 1941 houden NSB-controleurs zich onledig met het afluisteren van radio-uitzendingen. A.N. Luchtenfeld, standplaats Amersfoort, rapporteert op 23 februari een onregelmatigheid tijdens de Ochtendgymnastiek: 'De pianist speelde de voor den oorlog bekende wijs Een, twee, drie de chestnuttree, en een gedeelte van het degeneré-product The Lambeth Walk.'

Moeilijke gevallen handelt Goverts persoonlijk af. Als een impresariaat hem om opheldering van de term hot jazz verzoekt, formuleert de chef-Muziekgilde na enig wikken en wegen: 'Zuivere neger-muziek, door negers al improviserend gespeeld. Deze kunst verstaat de niet-neger niet.'

Het departement van Volksvoorlichting en Kunsten wijdt in januari 1942 een speciale bijeenkomst aan de kwestie, geleid door Max Blokzijl en Marinus Adolf van Huut van de afdeling perswezen. Van Huut windt zich op over krantenadvertenties met groepsnamen als Swing Jazzers 'en dergelijke krankzinnige uitdrukkingen, waarvoor een behoorlijke Nederlandsche naam bestaat'. Een journalist vraagt hem daarop: 'Wilt u mij vertellen wat swing betekent? Ik weet daar geen goed Hollansch woord voor.'

Van Huut: 'Swing is schommelen. Vermoedelijk weten de adverteerders het zelf niet. Zoo heb je ook hot swing en weet ik al niet meer.'

Journalist: 'Dan moeten wij daarvoor misschien de heetzwaaiers zeggen.'

Van Huut: 'Zijn er nog vragen?'

Wouters onthoudt zich in zijn onderzoek consequent van commentaar. 'Ik heb geen behoefte oordelen te vellen, zeker omdat ik die tijd zelf niet heb meegemaakt. Maar als je goed leest, valt natuurlijk op dat er onder de Nederlandse ambtenaren een ongelooflijke bereidheid was om mee te werken met de bezetter. Nee, ik voelde geen woede of verontwaardiging. Ik was eerder blij met iemand als Goverts, een tragische antiheld die ik als een rode draad kon blijven volgen en die gaandeweg echt een gestalte wordt. Figuren als Goverts hebben ook wel goede dingen voorgehad met het muziekbestel. Maar met hun drang álles te beheersen, hebben ze zich uiteindelijk vooral belachelijk gemaakt.'

Bang dat het absurdistische in zijn boek gaat overheersen, is Wouters niet. 'Er zijn mensenlevens vernietigd, het moet niet te anekdotisch worden. Maar aan de andere kant: altijd maar reflecteren hoe erg de oorlog was, dat weten we nu wel. Tegen die achtergrond is een boek als dit mogelijk.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden