In de ban van de wah-wahpedaal

Als Miles Davis wilde klinken als een gitaar, waarom schafte hij er dan niet eentje aan? Furieus reageerden veel jazzfans op zijn muziek in de jaren zeventig....

HOE STERK of zwak de muziek die Miles Davis in de jaren zeventig maakte feitelijk was, dat valt nu pas goed te beoordelen: op vijf dubbel-cd's is zijn live-repertoire uit die periode verschenen. Nu die muziek in zijn geheel beschikbaar is, kan eindelijk de balans worden opgemaakt. Want is het wel terecht dat zijn elektrische jaren, toen de band van Miles Davis wel eens als een testopstelling voor wah-wahpedalen kon klinken, zo omstreden zijn?

Het zegt het nodige over Davis' ambities rond 1970 dat maar een klein deel van deze uitgaven (Live-Evil) in een jazzclub is opgenomen. Black Beauty en At Fillmore zijn het resultaat van optredens op rockpodia in San Francisco en New York en de andere cd's zijn opgenomen in klassieke concertzalen.

Miles Davis maakte er geen geheim van dat hij een jonger, zwarter publiek het hof wilde maken. Daarmee keerden tegelijkertijd veel oude fans zich van hem af; sommige van hen vatten zijn harde funk op als een persoonlijke belediging. Maar zijn gooi naar commercieel succes pakte zo teleurstellend uit, dat sommige van de live-opnamen alleen maar in Japan te koop waren.

De woekerende sessies, losjes bij elkaar geïmproviseerd uit riffs, korte thema's en grillige patronen, deden de luisteraars die Miles Davis nog steeds met bop-criteria te lijf gingen, in regelrechte woede ontsteken. Al zou je verwachten dat de twee akkoorden-jams en de drukke polyritmiek in de begeleiding beantwoordden aan de smaak van liefhebbers van Neil Young & Crazy Horse of Santana (bands waarmee Miles Davis indertijd optrad), ook voor jongere rockfans was deze muziek niet bepaald makkelijk verteerbaar.

Zo verging het mij althans, toen ik Miles Davis hoorde in 1970 in Fillmore East. Elke band daar was hard, maar deze klonk ook nog pijnlijk scherp in zijn samenklanken - een dubbele aanslag was het. Chick Corea (elektrische piano) en Keith Jarrett (elektronisch orgel) hamerden op de toetsen als telegrafisten onder invloed van amfetamine. Dat Chick Corea de spelbepaler was, wordt duidelijk op deze cd's. Zijn meer-is-beter-esthetiek typeerde de band, in weerwil van Davis' minder-is-meer-benadering.

Zelfs Davis' toegenegen biograaf Jack Chambers (zijn Milestones is een goede bron voor deze periode) heeft geen goed woord over voor Black Beauty, dat werd opgenomen in Fillmore West. Los van een onverteerbare verwijzing naar Blood, Sweat & Tears' Spinning Wheel loopt het sextet lekker op de tweede cd. De ritmesectie komt bijna van de grond, zo gloedvol is die op dreef: drummer Jack DeJohnette vuurt meervoudige ritmen af, Corea schudt daar stijlboekloopjes over uit en bassist Dave Holland strooit met melodische patronen.

Dit behoort tot de eerste echt goede elektrische jazz, met behoud van de vrijheid en ritmische complexiteit waar jazz voor staat. Maar haar onderwerp was de beat van de radio, niet swing. Je wist al dat Miles James Brown en Sly Stone helemaal zag zitten, nog voordat hij het zei. Funky baslijnen snuiven als waakhonden langs het lage register. Met kronkelende (sopraan)saxofoonsolo's - Steve Grossman hier, Dave Liebman, Gary Bartz of Azar Lawrence later - wordt teruggegrepen op de jazz.

In conceptueel opzicht was At Fillmore, dat twee maanden later werd gemaakt, een stap vooruit. Met de komst van organist Jarrett werd het geluid dichter. De voorkeur van Corea en Holland voor vrije improvisatie liet zijn sporen na in termen van rauwheid, maar ook de (West-)Afrikaanse muziek was een inspiratiebron. Het slagwerktumult van met elkaar vervlochten ritmen herinnert aan complexe Afrikaanse stammenmuziek (zwarte Amerikanen waren erg trots op hun afkomst in die dagen; Davis droeg dashikis). Daar bovenop deint de trompet: één stem tussen vele.

Live-Evil stamt ook uit 1970. Deze cd bevat een paar vriendelijke studio-tracks met het plezante gezang en gefluit van Braziliaan Hermeto Pascoal: leuk, maar niks substantieels. Het ware vlees van Live-Evil is het gedeelte dat in december werd opgenomen met de ritmesectie van DeJohnette, plus Jarrett, gitarist John McLaughlin en soulbassist Michael Henderson, die bij de band bleef totdat Davis ermee ophield. Dat juist hij werd ingehuurd, was een duidelijk signaal voor een koerswijziging: minder free jazz, meer Hendrix.

In het algemeen klinkt deze muziek ruimtelijker en meer ontspannen; de kleine club-setting komt het musiceren ten goede. Jarrett laat daarin meer van een goede smaak blijken dan Corea, door zich een bescheiden begeleider te tonen in plaats van alles dicht te spuiten met grafitti. Deze muziek mag minder hyperactief zijn, ze loopt ook geolieder en laat meer ruimte voor de trompet, met name in What I Say en Funky Tonk.

Corea gebruikte een wah-wahpedaal tijdens de sessies in Fillmore. Op Live-Evil werd die gebruikt door McLaughlin en Davis zelf. Lange tijd was de hele band in de ban van de wah-wahpedaal, waardoor de groepsklank als een hermetisch afgesloten universum werd. Miles Davis zei ook dat hij met zijn trompet wilde klinken als een gitaar. Sceptici vroegen zich af waarom hij dan geen plunger mute nam (de 'gootsteenontstopper' die jazztrompetisten gebruiken om spraakachtige syllaben te kunnen maken), of gewoon geen gitaar kocht. Maar zijn trompetstijl van de jaren zeventig klonk als geen van beide, die is opwindend en lyrisch van zichzelf - net zo vanuit het instrument gedacht als altijd.

Voor het elektronisch vervormen van zijn trompetspel heeft hij twee voorkeursbehandelingen. De ene is op een enkele staccato noot er lustig op los happen (bap bap bap bap bap), zoals een gitarist één snaar bewerkt met een plectrum. De andere heeft een ijle, contemplatieve uitwerking: lange noten, gevormd door langzame bewerkingen van het pedaal, met de suggestie van melismatisch moslimgeprevel én Hendrix' sidderende feedback.

De concerten in deze serie werden nogal grof bewerkt voor de cd-uitgave. De overgangen tussen de verschillende stukken zijn vaak zo scherp als een cut in een film, terwijl een cd, net zoals een film, het óók van het montageritme moet hebben. Toch is er naar filmbegrippen nog weinig gesneden - niet meer dan in Hitchcocks Rope om maar wat te noemen, die vermaard is om zijn lange sequensen. Door de overduidelijke overgangen lijkt het alsof de muziek blijft doorgaan, voor én na het begin en het einde en zelfs nadat de plaat is afgelopen. Zoals je straatgeluid binnenlaat met het openen van een raam, en het weer buitensluit als je het dichtdoet.

In Concert (1972) is de minste van deze heruitgaven. De invloed van Sly Stone is nog duidelijker in de wah-wah van de ritmegitaar, maar de eindeloos lange jams dreigen zich voort te slepen als een slecht Grateful Dead-concert. Black Satin, opgebouwd rond lange jammerende trompettonen, heeft een heel simpele, pakkende hook zoals echte popmuziek, maar veertien minuten is echt te lang. Miles Davis kon veel, maar niet concurreren met de sexy pommade van Sly Stone of de geile spanning van James Brown.

De Afrikaanse spleettrommel en de elektrische sitar, die soms uit de ondergrond tevoorschijn komen, wijzen al vooruit naar de wereldmuziek van de jaren tachtig. Maar meer dan het grofweg naast elkaar plaatsen van twee werelden levert dat niet op. In dat opzicht is In Concert niet meer dan een opwarmertje voor het ijzersterke Dark Magus uit 1974.

De keyboards waren tegen die tijd vervangen door gitaren, in totaal drie op Dark Magus. De remake van de band was compleet. En Jimi Hendrix, met zijn op vocalises steunende gitaartrucs, zijn voortklossende ritme en zijn hooglijk gestileerde blues, was de belangrijkste invloed geworden. Davis had Al Foster opgedragen te spelen als Buddy Miles op Band of Gypsies, wat de drummer onverlet deed. De oude stroom van polyritmiek had plaats gemaakt voor een doorrockende backbeat, onvermoeibaar als James Brown 'at the Apollo'.

Dark Magus is de culminatie van alles wat deze albums proberen te doen. Dichte plakken geluid schuiven over Fosters heiwerk en de diep hypnotische bas-grooves, terwijl Mtume's spleettrommels in de verte iets mysterieus over Afrika mompelen (zoals gewoonlijk een verwarrend concept voor het Amerikaanse brein). Maar soms, tussen al het gejaag door, tempert de band het volume en de dichtheid, zoals in Ife, en dan is daar boven alles uittorenend Miles Davis zonder opsmuk, niet eens zo anders klinkend dan toen de jazzfans nog wel van hem hielden.

Een jaar en een paar albums later trok Miles Davis zich voor vijf jaar terug. Hij ging gebukt onder persoonlijke problemen. Uit niets blijkt dat hij door niet-begrijpende luisteraars was uitgekotst. Sommige mensen, en ook critici, begrepen deze muziek wél toen ze nog fris was. Ook Eugene Chadbourne, destijds recensent voor Coda, hoorde het: gitaren die als logge drums zijn gebruikt, een bas als een conga: 'Everything is rhythm!'.

Niet lang nadat Davis van het podium was verdwenen, begon Ornette Coleman zijn stekelige elektrische band Prime Time. De basis was gelegd voor de free-funkbeweging van de vroege jaren tachtig: Ronald Shannon Jackson and the Decoding Society, James Blood Ulmer, Jamaaladeen Tacuma. . . Op de een of de andere manier pakte die beweging de draad van de free funk op waar Miles Davis hem had achtergelaten. Maar tegen de tijd dat hij zelf weer ging opnemen in 1980, was hij alweer met iets anders bezig.

Davis was in zijn elektrische jaren zo volledig geslaagd in zijn doel om zich funk op een persoonlijke manier eigen te maken (At Fillmore en Dark Magus zijn daarvan de beste bewijzen), dat hij eerst moest wachten totdat de zwarte popmuziek zou veranderen voordat hij verder kon. Terwijl hij zich verstopte voor de buitenwereld, kwam disco en ging ook weer, een landschap achterlatend dat er totaal anders uitzag: met drummachines, sample-apparaten, hip hop - maar dat is een ander verhaal.

Black Beauty: Miles Davis at Fillmore West. Columbia Legacy C2K 65138.

Miles Davis At Fillmore: Live at the Fillmore East. Columbia Legacy C2K 65139.

Live-Evil. Columbia Legacy C2K 65135.

In Concert: Live at Philharmonic Hall. Columbia Legacy C2K 65140.

Dark Magus: Live at Carnegie Hall. Columbia Legacy C2K 65137.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden