In Alle gedichten kom je Gerrit Komrij in al zijn humeuren en temperamenten tegen

In het bijna negenhonderd bladzijden tellende Alle gedichten, zijn melancholieke poëtische nalatenschap, kom je Gerrit Komrij in al zijn humeuren en temperamenten tegen. Onno Blom onderzoekt de kracht van zijn poëzie.

Onno Blom
null Beeld Deborah van der Schaaf
Beeld Deborah van der Schaaf

Als jongen was Gerrit Komrij al een geniaal en gelauwerd dichter - hij moest alleen die gedichten nog even opschrijven. Hij wilde vooral dichter worden. 'Dat was ik en dat wilde ik de wereld bewijzen', schreef hij in Poëzie is geluk. Zoals Gerrit het bedacht, zo is het gegaan. Alle gedichten, Komrijs meesterlijke en melancholieke poëtische nalatenschap, telt bijna negenhonderd bladzijden. En dan bevatten ze nog niet eens echt alle gedichten. Wat maakt zijn poëzie zo sterk?

Alle gedichten is in feite een met de laatste bundels aangevulde herdruk van Komrijs Alle gedichten tot gisteren, dat voor het eerst in 1994 verscheen in een oplage van 5.500 exemplaren in een chic gebonden, op Privé-domeinpapier gedrukte editie die zelfs 'legendarische vrekken' niet zouden kunnen weerstaan. 25 gulden per exemplaar.

De eerste verzamelbundel - toen nog krap vijfhonderd bladzijden - kon zo goedkoop én chic worden geproduceerd omdat de uitgave werd gesubsidieerd door de P.C. Hooftprijs, die aan Komrij in 1993 werd toegekend voor zijn beschouwend proza. Dat Komrij vervolgens zijn gedichten bundelde en niet zijn columns, polemieken of dwarse stukken, bewees dat hij de poëzie beschouwde als de bron van alles.

null Beeld Hanneke Klerck
Beeld Hanneke Klerck

Alle gedichten

Gerrit Komrij

Poëzie

De Bezige Bij;

1024 pagina's; euro 39,99.

De wieg van zijn werk stond in Winterswijk, het dorp in de Achterhoek waar Gerrit Jan Komrij op 30 maart 1944 werd geboren. Hij was een sensitieve jongen, theatraal én naar binnen gekeerd tegelijk. Alle kanten gingen de gedichten van Gerrit aanvankelijk op, behalve de goede. In zijn eindexamenjaar wist hij ineens wel hoe het moest. In een strofe in het gedicht 'De Schoolverlater' (2008) beschreef hij hoe zich dat had voltrokken:

Tot ik belandde in een open veld,

ver van de regels en de kouwe drukte,

waar mij een pauw van wijsheid heeft verteld

en ik de kennis van de bomen plukte.

De impressie vermoorden

Gerrit werd getroffen door een mystieke blikseminslag: 'Páng. Van het ene moment op het andere wist ik wat poëzie betekende. Op een vroege ochtend op de Jachthuisweg. Ik zag daar koeien. Ik zag daar een molen. Hollandser kon het niet. En toch gebeurde het daar.' Plotseling realiseerde hij zich dat hij in zijn gedichten niet de natuur zo volledig mogelijk in woorden moest vangen. 'Het ging erom door de rangschikking van woorden een eigen, geïsoleerde natuur te scheppen. Het ging erom de impressie te vermoorden.'

De eerste gedichten waarin hij dat idee toepaste werden door een schoolvriendje van Gerrit in de kerstvakantie van 1963 met de hand gezet uit loden letters en op een vouwvelletje gedrukt. Dekonstruktie in vier delen (er wordt momenteel één exemplaar antiquarisch aangeboden: euro 1200) wordt beschouwd als zijn officieuze debuut. Het gedicht 'Jong', het tweede 'deel' van Dekonstruktie opent nog altijd Komrijs Alle gedichten. Beschreven wordt hoe een jongen van 9, 'een hoofdje zonder mensen', twee andere jongens een kikker ziet opblazen totdat de stront uit de verbaasde ogen van het beest vliegt.

Dat zit niet in je kouwe kleren.

Ze vonden je toch maar een slome.

Lopen, jongen, je niet encanailleren.

Vijf jaar zat er tussen dat eerste drukvel en de publicatie van Komrijs debuutbundel uit 1968, Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten in de Giraffereeks bij de Arbeiderspers. Lang niet al zijn jeugdgedichten kwamen in de bundel terecht. Sommige droegen nog andere titels. 'Maagdenburgse halve bollen' heette eerst 'Opflikkeren'. Was ook goed geweest. Zijn toon en vorm had hij gevonden.

Als je door Alle gedichten bladert, valt je op hoeveel gedichten in hetzelfde, strakke korset gehesen zijn. Ze rijmen, maken gebruik van metrum, en bestaan bijna allemaal uit twee regels minder dan een sonnet: twaalf regels.

De eerste regel is om te beginnen.

De tweede is de elfde van beneden.

De derde is om wat terrein te winnen.

De vierde moet weer rijmen op de tweede.

De vijfde draait u plotseling een loer.

De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.

De zevende schijnt zwaar geouwehoer,

De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

De negende vertelt nog eens hetzelfde.

De tiende is misschien een desillusie.

De elfde is niets anders dan de elfde.

De twaalfde is van niets de eindconclusie.

Uit 'Een gedicht' blijkt hoe bedrieglijk Komrijs vorm is. Niet alleen is de taal tintelend van tegenstrijdigheid - hij flitst van hoog naar laag en van ernst naar luim - ook de opbouw is verraderlijk. 'Het liefst', zei hij, 'zie ik een gedicht zo'n beetje als een zelfmoordcommando, een poëtische kamikaze. De vorm brengt de inhoud om. De laatste regel is de doodsteek.'

Zijn debuutbundel werd vanwege de vele knipogen naar de 19de-eeuwse poëzie door critici bestempeld als 'neo-romantisch'. Dat is achteraf een ongelukkig etiket. Romantici geloven in de ondeelbare persoonlijkheid, terwijl in Komrijs werk 'alles onecht' is. Komrij beschikt over een verbluffende beeldenrijkdom en laat je, als Oscar Wilde of Pessoa, met liefde verdwalen in zijn spiegelpaleis. Hij is de meester van de maskerade. En als onder 'romantisch' wordt verstaan dat de dichter in zijn gedichten zijn hooggestemde of diepbedroefde gevoelens prijsgeeft, dan voldoet de definitie ook niet.

Eer zal men kakken in zijn hoed

Dan dat ik u mijn ziel blootleg

En zeg wat ik thans lijden moet

Korrel zout

Natuurlijk moeten ook de regels uit 'Zwijgzaamheid' met een korrel zout worden genomen. Komrij mag zijn gevoelens verzwijgen, omdraaien of verstoppen, maar dat wil niet zeggen dat ze er niet in zitten. Zijn regels zijn ironisch en oprecht, laten je huilen en lachen tegelijk.

Komrijs debuut verscheen in een tijd die werd gedomineerd door de Vijftigers en Zestigers. Het vrije, 'experimentele' vers heerste en zijn poëzie werd gezien als regressief. Dat vatte Komrij op als een belediging. Dus in zijn tweede bundel, Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969), deed hij er een schepje bovenop. Hij noemde zijn eigen poëzie 'voos geklater' en dichtte: 'Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal / Met die verborgen bedoelingen?'

Daarop schreef Jan van der Vegt in NRC: 'Komrij produceert een grauwe meligheid, klef en ongaar, die je na één hap al de keel uit gaat hangen.' Die recensie was zo negatief dat Komrij het opgevouwen krantenartikeltje als een pochet in zijn jasje droeg als hij de straat op moest.

Stiekem persoonlijk

Latere bundels droegen minder opzichtig de sporen van pastiches en absurdisme. Stiekem werd zijn poëzie af en toe openlijk persoonlijk. Zoals in Capriccio (1978), misschien wel de bundel waarvan hij zelf het meest heeft gehouden, en waarin hij de herenliefde bezong. In de bundel Fabeldieren (1975) typeerde hij zichzelf, 'een fabeldier dat 'Komrij' heet, / een wonderlijke naam voor zoiets aardigs', als wezenlijk tragisch:

Hij is een hond, meer niet. Zijn hele leven

Zal hij een wezen zijn 'dat steeds begrijpt'.

Alleen diep in de nacht jankt hij soms even,

Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.

Komrij was in de jaren zeventig steeds beroemder geworden in Noord- en Zuid-Holland. Dat was van meet af aan de bedoeling geweest, maar benauwde hem ook. In 1984 verliet hij het vaderland met zijn geliefde, Charles Hofman - aan wie al zijn gedichten, dus ook Alle gedichten zijn opgedragen. Samen vertrokken ze naar een paleis in Portugal. Het gekke was: in het paradijs schreef Komrij aanvankelijk nauwelijks gedichten. Was hij te gelukkig? Toen rond de eeuwwisseling de gedichten weer begonnen te komen, bleek dat Komrij meer en meer samenviel met zijn eigen masker.

Nu ben ik oud, alleen om te erkennen:

't Verhaal is waar: Het masker gaat niet af.

Het is alsof je aan de hel moet wennen.

Het is alsof je kijkt in een leeg graf.

Gedichten

Gerrit Komrij (1944-2012) debuteerde in 1968 met de poëziebundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Hij publiceerde zo'n vijftien bundels, die in 1994 voor het eerst verzameld uitkwamen onder de titel Alle gedichten tot gisteren. Het deze week verschenen Alle gedichten is een met de laatste bundels aangevulde herdruk van die verzameling. Behalve dichter was Komrij criticus, toneelschrijver, essayist, romanschrijver, polemist en vertaler.

Toen ik de latere gedichten van Komrij opnieuw las, trof me in hoeveel regels Magere Hein met de zeis zwaait. Weemoed en melancholie kregen Komrij in de greep, zoals in het gedicht 'Alles blijft' uit Luchtspiegelingen (2001), dat een evergreen is geworden en nu op een steen bij zijn graf in het Portugese dorpje Vila Pouca da Beira is gebeiteld.

Je bent een deel van alles bij je leven

En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Natuurlijk had de dood altijd al in Komrijs werk gezeten. Het ritselde van lijkklachten, skeletten en de herfst. In het gedicht 'Dodenpark' (1970) wandelen twee heren opgewonden door de tuinen van het crematorium.

We spraken niet: wat viel er ook te zeggen?

We dachten maar aan een maan en aan zweet.

Oh, nergens heerste ooit zo'n rust. Slechts

Af en toe klonk uit een urn een kreet.

Spotternij verdwenen

Maar in de laatste bundels is de spotternij verdwenen. In de inktzwarte cyclus 'Nagekomen oriëntalisme' in Boemerang - de weduwnaar trof de bundel nagenoeg compleet aan op Komrijs bureau - walmt 'de geur van sarcofagen' op. Van het laatste gedicht, 'Lied zonder roffel', luidt het laatste kwatrijn:

Waar is mijn ziel? Waar is mijn kind gebleven?

Waar is de mond die langzaam openging

En waaruit bellen lucht en braaksel dreven?

Het is van de vernieling dat ik zing.

De dichter moet bij het schrijven de dood al in de ogen hebben gekeken. Toen ik Komrij er in 2011 naar vroeg, zei hij: 'Wie kijkt de dood niet in de ogen? Maar de mens heeft grote hoogten bereikt in het ontkennen, bagatelliseren en voor de gek houden van de dood. Dat ben ik, geheel blijmoedig, niet van plan.'

Een jaar later was hij dood. Hij stierf op 5 juli 2012. Gelukkig kun je hem in Alle gedichten in al zijn humeuren en temperamenten terugvinden. 'Tot gisteren' is verdwenen uit de titel van zijn nieuwste vuistdikke verzamelbundel, want gisteren bestaat niet meer. Maar dankzij Alle gedichten bestaat Gerrit Komrij morgen nog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden