In afwachting van de eindtijd

Door alle eeuwen heen is er gedacht aan het einde der tijden. In het Nieuwe Testament wordt het beschreven in de Apocalyps van Johannes....

Herman Pleij

TIJD IS een sociale constructie om de vergankelijkheid bespreekbaar te maken. Toch proberen theologen en geleerden van alle eeuwen het steeds te doen voorkomen alsof er sprake is van een hogere ordening, gedirigeerd door goddelijke scheppingskracht dan wel natuurlijke wetmatigheden. Maar dat zijn niet meer dan schamele pogingen tot zingeving van een onafwendbare veranderlijkheid, die anders onverdragelijk wordt.

De finale som van al die tijdrekeningen loopt steeds uit op een einde der tijden, dat volgens alle westerse religies zeker zal aanbreken. Zulke verwachtingen van de eindtijd, zowel vervuld van hoop als van wanhoop, dicteren het gedrag op weg naar dat onvermijdelijke einde. En tot die gedragsvormen behoort zeker de dwangmatige hang naar het herkennen van de tekenen die op een naderend einde zouden wijzen.

Het christendom kent daarvoor een gids in de vorm van de Apocalyps, ook wel bekend als de Openbaringen van Johannes. De even moeizame als spectaculaire interpretaties van dit moeilijkste onder de bijbelboeken hebben de afgelopen twintig eeuwen aanleiding gegeven tot revolutionaire ketterijen en andere hervormingsbewegingen binnen de kerk, kruistochten, massale vluchthysterie en rabbiate zelfmoordsekten.

Gedachten over het aflopen van de tijd en het bijbehorende gedrag worden ook opgehangen aan tijdscesuren die een zekere afronding suggereren zoals jaren en eeuwen. En omgekeerd roepen deze willekeurige getallen gedrag op dat gedirigeerd wordt door ondergangsstemmingen en hoop op een nieuw begin.

Nu is het denken in eeuwen, zo vanzelfsprekend voor ons, pas geopperd in de zestiende eeuw, om in de loop van de zeventiende eeuw enigszins in zwang te komen. Uiteraard probeerde men ook voordien greep te krijgen op het tijdsverloop, waarbij de exegese van de Apocalyps het voornaamste richtpunt vormde. Daarin speelt het getal duizend een centrale rol, dat gekoppeld wordt aan de verwachte wederkomst op aarde van de Messias en aan diens sterfdatum in zijn drieëndertigste levensjaar. De voornaamste concretisering binnen de aardse tijd is dan het Duizendjarige Rijk, een periode vlak voor het Laatste Oordeel van opperste harmonie en overvloed dankzij de tijdelijke ketening van de duivel en het bestuur van God in de gedaante van de Heilige Geest.

Het geloof in de spoedige komst van dit feestrijk beheerst vele middeleeuwse opstanden en ketterijen, aangeduid met de verzamelnaam millennarisme of chiliasme, afgeleid respectievelijk van het Latijnse en Griekse woord voor duizend. Maar ook na de Middeleeuwen blijft het vurige verlangen naar gelijkheid en gerechtigheid op aarde (en dus niet als vage belofte voor een onzeker hiernamaals) een destabiliserende factor van belang.

Er moest toch ooit weer op aarde een situatie aanbreken van die volmaakte gelukzaligheid, die Adam en Eva in het paradijs mochten smaken en waarvan men in het dagelijkse leven soms een snufje kon opvangen. En dat herstel van die oorspronkelijke en weer beloofde volmaaktheid wilde men graag een handje helpen door alvast in de geest van dat Duizendjarige Rijk te gaan leven.

In de praktijk kwam dat neer op het realiseren van gemeenschap van goederen en het nastreven van ongelimiteerd zwelgen in aardse genietingen, of het nu om vrije seks ging dan wel oeverloze schranspartijen. Ook kwamen er interpretaties voor die in dezelfde geest juist een rigide ascese in praktijk brachten van zwaar vasten, lichaamstuchtigingen en het afwijzen van elk persoonlijk bezit.

Dergelijke overtuigingen bloeien op binnen de armoedebewegingen in het voetspoor van Franciscus van Assisi. Hiervoor toonde de Kerk zich nog beduchter dan voor al die veel zwakker georganiseerde aardse lustbelevers, aangezien deze apostelen van de armoede elk kerkelijk bezit veroordeelden, absolute gelijkheid preekten en elke hiërarchie verwierpen.

Maar al vanaf het begin probeert de kerk zulke letterlijke interpretaties van Johannes' Openbaringen te verijdelen. Gezaghebbend wordt Augustinus' veroordeling van concrete lezingen van de Apocalyps in het begin van de vijfde eeuw. Deze bijbeltekst mocht alleen allegorisch opgevat worden. Zo kon de wederkomst van de Messias niet anders begrepen worden dan de vestiging van de kerk op aarde zoals die reeds had plaatsgevonden: men leefde dus al in een Duizendjarig Rijk, waarbij dat getal van duizend volgens Augustinus niet veel meer mocht betekenen dan 'heel lang'. Rome nam dit standpunt over op het concilie van Efese in 431. En de lezingen die een werkelijke herverschijning van de Heer op het oog hadden, werden afgedaan als joodse wartaal.

Het geloof bleek echter aanzienlijk sterker dan de leer. Vooral op tijdstippen die de uitdrukking waren van een veelzeggend getal, namen de hoopvolle verwachtingen op een betere tijd soms zeer concrete vorm aan. In het gelid van de bijbeltekst moesten allerlei voortekenen begrepen worden als signalen dat de oude tijd ten einde liep en de nieuwe tijd spoedig zou aanvangen. En zowel onwillekeurig als zeer bewust bracht men het bestaan in het perspectief van afronding en een nieuw begin.

Zo ontstonden bij het naderen van zulke veelbetekenende data waarlijke ondergangsstemmingen vol melancholieke terugblikken, die tegelijkertijd een blijmoedig optimisme in zich konden dragen over al het nieuwe dat komen zou.

Nu levert een tijdrekening met sprongen van duizend jaar te weinig memorabele houvasten op. Het jaar duizend van de huidige jaartelling moet maar zeer weinigen wat gezegd hebben. Verreweg de meeste bewoners van Europa zijn zich van een dergelijke tijdrekening in het geheel niet bewust. Wellicht probeerde een enkele rondtrekkende prediker wat los te schudden, maar ook daarvan blijkt weinig in de overigens spaarzaam bewaarde bronnen.

Anders is het echter als het om de vereeuwiging gaat van het getal 33, de leeftijd waarop Christus gestorven zou zijn aan het kruis. Zo is 1033 in enkele kronieken opgetuigd met de tekenen van de eindtijd, in het bijzonder een afgrijselijke hongersnood die mensen elkaar en ook zichzelf zou hebben doen opeten.

Telkens lijkt bij het getal 33 in een eeuw de selffulfilling prophecy van ondergangsgedachten en hoop op een betere tijd een centrale rol te spelen. De geleerde bisschop Nicolaas van Cusa verbindt zulke jaartallen zelfs met elkaar door in 1433 te voorspellen, dat de eindtijd in 1533 zal aanbreken. Toen het zover was, werd daaraan gehoor gegeven door een militante afsplitsing onder de Wederdopers, die in Münster het Nieuwe Jeruzalem uitriepen en inrichtten. Onder leiding van Jan van Leiden vestigde men daar een Duizendjarig Rijk van volstrekte gelijkheid in een even besliste gemeenschap van goederen.

De beweging werd bloedig onderdrukt, en nog steeds getuigen de ijzeren kooien aan de spits van de Lambertikirche van de spectaculaire executies van deze fundamentalistische ordeverstoorders naar het oordeel van zowel de kerkelijke als de wereldlijke overheid.

Ook de eeuwen daarna bleef '33' onrust veroorzaken, zelfs in die mate dat velen - zowel in positieve als in negatieve zin - Hitlers komst aan de macht en zijn Duizendjarig Rijk in dit licht plaatsten.

Al die verwachtingen en voorspellingen zijn tot nu toe nog nooit in strikte zin uitgekomen, waardoor hoop en verwachting telkens smolten in katers van teleurstelling. Soms werden deze gekleurd door agressie. Zo voorspelde de gezaghebbende astroloog Michael Stiefel dat de Dag des Oordeels zou vallen op 9 oktober 1533, 's morgens om acht uur. Ruim voordien lieten de boeren hun werk liggen en togen zij naar het huis van Stiefel in Lochau waar hij als Luthers predikant werkzaam was. Toen er op het bewuste tijdstip niets gebeurde, grepen ze hem vast om hem geboeid naar Wittenberg te slepen, waar hij werd aangeklaagd voor de geleden schade. Ternauwernood wist hij zich aan deze wraakactie te onttrekken.

Het joods-christelijke denken was zo doortrokken van een begin- en een eindpunt dat ook buiten zulke specifieke jaartallen het einde voorvoeld en aangekondigd kon worden. Daarbij bleven al die verwachtingen zeker niet beperkt tot de massacultuur. Juist intellectuelen, van astroloog tot theoloog, wakkerden dit geloof aan en verstrekten aan de lopende band de meest exacte berekeningen voor het aanbreken van de finale. Het Engelse staatshoofd Oliver Cromwell meende in de zeventiende eeuw de eindtijd zelfs te kunnen bespoedigen door weer joden toe te laten in Engeland, immers uit hun midden zou de nieuwe Messias ongetwijfeld opstaan.

Verwachtingen over het aanbreken van de eindtijd komen eigenlijk op alle momenten voor gedurende de laatste twee millennia van de westerse geschiedenis. Voor sentimenten rond een (voorlopige) afloop gekoppeld aan een eeuwwisseling moet in feite gewacht worden tot het fin de siècle van de negentiende eeuw. Alleen toen zijn gevoelens van decadentie en onbeperkte lustbeleving verbonden met een eeuweinde, ook al is het fin de siècle nadien een begrip geworden dat op de slotfase van alle eeuwen van toepassing zou zijn. Daar blijkt buiten de negentiende eeuw echter niets van. Zelfs voor het millennium- en eeuweinde van nu doet deze typering weinig opgeld, zodat het finde siècle toch een eenmalige zaak lijkt.

Anders dan decadente gevoelens suggereren was het trefwoord een eeuw geleden eerder nieuw dan oud. Op elk terrein zou zich iets nieuws (gaan) manifesteren, van de 'nieuwe vrouw' tot aan de 'art nouveau'. Alleen in deze zin is er wellicht een zekere overeenkomst met nu. Alle toekomstverwachting is doordrongen van de overtuiging, dat de technocratische en digitale vernieuwingen van de laatste decennia pas het begin vormen van nog veel ingrijpender vernieuwingen, die uiteindelijk een werkelijk nieuw menstype zullen opleveren.

Dat ziet men met een zeker optimisme tegemoet, waarbij de zwartgalligheid in Houellebecqs roman Elementaire deeltjes aanzienlijk zeldzamer is dan Umberto Eco's 'tragisch optimisme'.

Onder de massa is het trefwoord voor dit gematigde optimisme 'nieuwsgierigheid'. Dat is de alle andere verre overtreffende gemoedstoestand die een breed opgezette enquête in Nederland vermeldt bij de vraag naar 'persoonlijke gevoelens bij de eeuwwisseling'. Onder jongeren scoort nieuwsgierigheid zelfs 67 procent. Daarmee lijkt het aflopen van een omvangrijke periode vooral op te roepen tot positieve toekomstverwachtingen. En hoe sterker die worden uitgesproken, hoe meer ze ook zullen uitkomen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden