In 2017 verloor schrijver Koen Peeters zijn gevoel voor ironie en gelijkmoedigheid

Donald Trump en de ECI-literatuurprijs waren de boosdoeners

De Vlaamse schrijver Koen Peeters kreeg eind 2017 de ECI-literatuurprijs voor zijn roman De mensengenezer. Hij vertelt hoe hij het voorbije jaar zijn gevoel voor gelijkmoedigheid en ironie kwijtspeelde. Niet alleen omdat hij die grote prijs won.

Het jaar van de haan Foto Olivier Heiligers

Het jaar 2017 begon heftig. Voor op de krant van 20 januari stond een grote zware zeventiger in te ruime jas, met een te lange rode das. Op zijn hoofd droeg hij een oranje-gele maquette van een speedboot. Of was het een boemerang, een driedimensioneel Nike-logo, of was dat toch gewoon een kapsel? De creatie op zijn hoofd was geheel uit geföhnd, gefixeerd haar opgetrokken. Zijn neus had de scherpte van een mes. Op de foto hield hij de kin hoog, snoevend en pruilend, zodat zijn luie ogen meewarig neerkeken. Een haan, hautain paraderend op het erf. Zijn naam: Donald J. Trump, op 20 januari beëdigd tot 45ste president van de Verenigde Staten.

Gelijkmoedigheid

Op diezelfde januaridag leverde ik ook het definitieve manuscript in van mijn roman, De mensengenezer. Het boek vertelt over een West-Vlaamse jongen die voorbestemd is om de boerderij over te nemen. Tot ieders verbazing zegt hij dat hij intreedt in een klooster en belandt zo als novice in Congo. Bij de Yaka verliest hij zijn geloof en wordt hij antropoloog. Het is het authentieke verhaal van mijn professor antropologie van wie ik lang geleden les kreeg.

Ik had vier jaar aan deze roman gewerkt, het was intussen al mijn dertiende boek. Toen ik 20 was, bedacht ik dat ik niet zo snel, zo veelbelovend als Paul van Ostaijen zou sterven. (Onze grootste dichter stierf op zijn 34ste.) Misschien kwam er daardoor een gelijkmoedigheid over mij, en was ik niet meer gehaast om het gedroomde oeuvre cito presto neer te zetten. Ik werd zondagsschrijver, één die het deed na de uren, in weekends of vakanties. Er waren tenslotte illustere voorbeelden: de zondagsschilder Rousseau Le Douanier, facteur Cheval die na de dagtaak als postbode het Palais Idéal in zijn tuin bouwde, reclameman Willem Elsschot, chemicus Primo Levi, Franz Kafka van de verzekeringsfirma. Om eerlijk te zijn, in mijn geval was het ook omdat ik amper iets verdiende met mijn boeken. Een mens heeft recht op verschillende levens, maar gegeven onze sterfelijkheid, moeten we die tegelijkertijd leven. Ik schreef mijn boeken 's avonds, terwijl ik overdag in een bank werkte.

Koen Peeters

Krokodillen en tovenaars

Toen De mensengenezer drie maand later verscheen, werden de media nog steeds beheerst door de Trump-verschijningen. Elke dag smulden we van zijn domheid en zijn blonde wimpers. Een dorpsgek, met telkens weer verse hilarische filmpjes en quotes. Het contrast met de mooie, jonge, zwarte voorganger kon niet groter zijn. Obama's retoriek was er een van beheersing en verbinding, nuances en zorgvuldig gekozen woorden. Dat werd vervangen door onvoorspelbare tweets, fake news, alternative facts. Trump sprak vanuit een simpel, zeer binair denken. Wij of zij. Zwart of wit. Niets daartussen. Bovendien leek deze man gestuwd door egoïsme, een nooit geziene Wille zur Macht en intense kwaadheid. Was dit de nieuwe wereldpolitiek?

Die politici toch. Onwillekeurig moest ik denken aan de Congoreis die ik maakte voor De mensengenezer. Van de hoofdstad Kinshasa, 400 kilometer richting Bandundu, naar het provinciestadje Popokabaka waar ik ontvangen werd door de oude chef Mathieu Mbemba Nawesi. Hij was een prins, zei hij. Ik zat vlak naast hem, onze knieën raakten elkaar. Naast hem hing een stopcontact aan een draad naar beneden. Na de intriges onder de vorige chef had hij rust gebracht, vertelde hij. Het probleem met de krokodillen en de tovenaars had hij opgelost. Hoe dan? De tovenaars had hij ontvangen, hij had betaald voor de geschenken die ze gaven, en hen dan weggestuurd. En de krokodillen? Er waren geen doden meer gevallen, zei hij. Ik begreep het allemaal maar half, maar dit waren de problemen die hij efficiënt had opgelost.

Ik was in Congo, zoveel was zeker.

Zijn vrouw zette verse aardnootjes in een gedeukte kastrol op de lage tafel tussen ons, en bracht Primusbier aan. Mij viel op hoe deze chef altijd in de wij-vorm sprak, hoe hij de nadruk legde op consensus, bedachtzaamheid. Hij had het over voorvaderen, de bewoners van Popokabaka, maar ook traditie, het gezag.

Plots werd hij nerveus als het ging over de onrust in de hoofdstad. President Joseph Kabila had de ordediensten doen schieten op betogers. Internet was geblokkeerd. Tijdens de protesten waren doden gevallen. Het ging over een herziening van de kieswet, een volkstelling. Toen ik nadien terugkeerde naar België, las ik dat er in Kinshasa vijftig doden waren gevallen.

Foto Olivier Heiligers

Engagement

Hoe gelukzalig futiel vond ik onze eigen politiek in vergelijking met Trump. Het begrotingstekort terugdringen? Een regering vormen en daar belachelijk veel tijd voor nodig hebben? Was dat zoals die krokodillen en tovenaars? Ik vroeg me af of wij, sinds Trump, een onderscheid mogen maken tussen een hogere en een lagere politiek. Enerzijds de hogere, gevaarlijke politiek à la Trump en Kabila, die de fundamenten van het beschaafd samenleven en de wereldvrede bepalen, en anderzijds de lokale, tijdelijke coalities waarbij politici ongeacht hun kleur een beetje doen wat ze moeten doen. In een ideale wereld, zo wist György Konrád al, praten we over de politiek zoals over voetbal, het weer. Of over nieuwe boeken.

Mijn boek werd opgemerkt. Het kwam op de ECI-longlist. Als men me op mijn werk daarover aansprak, sprong ik snel over naar een ander onderwerp. Ja, af en toe schreef ik een boek, om de drie jaar, bekende ik. Het is niet meer dan dat. Stoemelings zei ik: 'Wat moet een mens anders 's avonds doen?' Ik zei dat ironisch, ook al meen ik dat wat ik schrijf, voor mij van levensbelang is. Misschien zelfs is literatuur, en schoonheid in het algemeen, mijn engagement voor de mensheid. Hoe pathetisch dat ook moge klinken.

Intussen bleef dat vrolijk opstuivende presidentiële hanekapsel van Trump mij fascineren, net als zijn gebaren. Die handen die hakten of veegden, haast onthoofdend. Zijn zwiepende handbewegingen, als messen van een papiersnijder. Dan plots hief hij één hand, het wijsvingertje fijntjes op de duim, waarschuwend. De moerassen van Washington zou hij persoonlijk droogleggen. Naast hem stond ijskoud zijn stralende First Lady Melania. Een Barbie op hoge stelten. In juli 2017 bezochten zij Frankrijk. Naast Donald prijkte Melania, in rode jurk en rode jas van Dior in ruwe zijde. Zij kreeg een rondleiding in de Notre Dame van Parijs. In de kaarsverlichte bidkapel legde zij haar handen op de Heilige Doornenkroon. Was dit de kitsch van de nieuwe wereldpolitiek? Hoe wereldvreemd en onnozel moest het nog worden?

Met mijn professor had ik het over Trump, en ook over Hannah Arendt die in haar Vita activa beschrijft hoe sommige mensen politicus willen worden. Gewone mensen wijden hun leven aan het gemeenschappelijk belang. Ze kunnen zelfs onsterfelijkheid verwerven door grote politieke woorden te spreken tot het publiek. Het gaat dan om het overtuigen, het daadwerkelijk overhalen van mensen tot een gezamenlijk standpunt. Het gaat om de moed zich de beste te tonen en zich te meten met de anderen. Tegelijk moet de politicus op elk moment zijn bescheidenheid, zijn dienstbaarheid bewijzen. Was Trump niet exact het tegendeel daarvan?

Verwondering

Voor mijn recente boeken ondervroeg ik steeds vaker mensen. Voor De mensengenezer had ik langdurig met mijn professor gesproken, dan met tachtig boeren, jezuïeten en Congolezen. Hun verhalen bleven echoën in mij. Mijn boeken werden minder vrijblijvend, zelfs moreler. Schrijven is voor mij dat geduldige luisteren en toekijken, overzien en dan dat geheel opnieuw vertellen in één verhaal.

Ik werd steeds meer een schrijver-onderzoeker. De combinatie van het schrijven met een gewone dagtaak werd steeds lastiger. Ik voelde me zoals Jansen en Janssen in de Kuifjestrips. Die twee mannetjes in zwart pak en met ouderwetse bolhoed, altijd op onderzoek. Ze vallen op in hun pogingen om onherkenbaar zijn.

Ik kreeg ook het bericht dat mijn roman op de shortlist stond. 's Nachts was ik weer bezig met al die voorbije gesprekken. Stemmen in mijn hoofd. Vermoeid sliep ik weer in. Ik begon zelfs te twijfelen aan de mij vergunde tijd, en zag meer de urgentie in wat ik schreef. Het was of de werkelijkheid zich opdrong. Steeds vaker werd mij gevraagd of het wáár was wat ik neerpende. Ik antwoordde ontwijkend: 'Ongeveer de helft', maar ik schaamde me voor dat antwoord. Natuurlijk was alles waar wat ik schreef in mijn romans. Of toch ongeveer.

2017 was intussen het jaar geworden dat een ondernemer met psychopathische trekken functioneerde als president van de VS. Trump is vriendje met lobbyisten, multimiljonairs, de wapenindustrie, steenkoolboeren, de Russen. Het strafste: bijna de helft van het kiespubliek stemde voor hem. Met open mond kijken wij toe hoe hij, alweer boos, de armen breed op de tafel, krachtig zijn handtekening zet op blanco pagina's. Hanepoten, achter hem de Stars & Stripes.

We hebben Trump leren kennen zoals hij is: America First, zijn afkeer voor journaille en kosmopolitische elites, zijn racisme, zijn polariserende oorlogstaal. In december stichtte Trump nog onheil met zijn uitspraken over de Israëlische hoofdstad. Hij maakte de bescherming van enkele natuurgebieden ongedaan. 'Openbare grond zal weer dienen voor openbaar gebruik door het publiek', zei hij. Het publiek? Hij bedoelt daarmee prospectoren naar gas, olie en mineralen.

Vervolgens kreeg ik de ECI-prijs. Het is een wonder, dachten mijn vrouw en ik de ochtend nadien in ons hotelbed in Den Haag. Op het voltapijt van de hotelkamer stond de bronzen prijsvogel, en twee cheques netjes op kartonnetjes geplakt. Ik vroeg mij af of die boeken en die prijs mij veranderd hadden. Of was het de wereld zelf die veranderd was?

Ik besliste om te stoppen met werken in de bank. Ik had meer tijd nodig om mijn literatuur ernstig te nemen, zonder gelijkmoedigheid of ironie.

Toen we terugkeerden naar Leuven, reden we langs bij mijn professor. Voor hij de fles champagne ontkurkte, vertelde hij me hoe hij in 2000 in Nigeria tot chief was benoemd door de Igbo-koning. De koning, in vol ornaat en naast hem zijn twee vrouwen, overhandigde aan mijn professor een gesculpteerde chief's cane. Door die staf kreeg mijn professor meteen zelf het recht een chief te benoemen.

Lachend sprak de professor me aan met 'chief' en overhandigde me plechtig de staf. Boven op de houten staf stond een kleine Afrikaanse chef tronend op zijn stoel, met een charmant westers bolhoedje. Net dat hoofddeksel van Janssen en Jansen.

Thuis zette ik de staf naast mijn boekenkast.

Ik vraag me af: ben ik nog steeds een schrijver met een bolhoed? Hoe ironisch en meegaand mogen we zijn? Mogen we nog lachen met het gevaar, als het journaal zich vermomt als een slechte film?

Meer over