Columnsylvia witteman

In 1979 heb ik mijn laatste dagboek in de vuilnisbak gegooid

null Beeld
Sylvia Witteman

Ik begrijp nog steeds niet hoe mensen een dagboek kunnen bijhouden. Als je het alleen voor jezelf doet kun je het net zo goed nalaten, en als je – stiekem of openlijk – hoopt dat anderen het ooit met belangstelling zullen lezen krijg je al snel de neiging tot onoprechte mooischrijverij.

Zelf heb ik mijn laatste dagboek in 1979 in de vuilnisbak gegooid (gewikkeld in een oude krant om te voorkomen dat mijn broertje en zusje het ding zouden opvissen en mijn onbeduidende gevoelens smalend aan elkaar voorlezen) maar van David Sedaris ben ik blij dat hij alles opgeschreven en bewaard heeft, want hij kan het wél.

Ik las zijn laatste dagboeken, van 2003 tot 2020; A Carnival of Snackery, vrij te vertalen als ‘snackfeest’. Inderdaad zijn zijn dagboeknotities een soort lopend buffet van uiteenlopende hapjes, vaak lekker, maar soms ook iets dat je op de rand van je bord laat liggen.

Sedaris reist ontzettend veel, je krijgt na een paar pagina’s al plaatsvervangend het heen en weer van alle Tokio’s, Sydneys en Boekaresten; maar de signeersessies die hij daar vaak urenlang volhoudt leveren wel geestige anekdotes op, want hij gaat met al zijn fans in gesprek over de vreemdste onderwerpen. Zo vraagt hij, volkomen willekeurig, aan een meisje wanneer ze voor het laatst een aap heeft aangeraakt. ‘I expected ‘never’ or ‘It’s been years’, but instead she took a small step back, saying, ‘Oh, can you smell it on me?’.

Zoiets verzin je niet. Ook leuk is dat Sedaris een verzameling bijhoudt van de ergste vloeken in de diverse landen waar hij komt. Deze, uit Roemenië, bijvoorbeeld: ‘I dragged my balls across your mother’s memorial cake, from cherry to cherry, and to each of the candles.’ Een ‘memorial cake’, voor de goede orde, is een taart die op een begrafenis wordt geserveerd. Je ziet het voor je, die balzak die langs elke kers en elk kaarsje wordt gesleept, met die kist op de achtergrond, en treurige muziek.

Niet alles in de dagboeken is om te lachen. Sedaris’ moeizame relatie met zijn stokoude vader bijvoorbeeld, een Trumpliefhebber en homohater (Sedaris is al dertig jaar samen met zijn vriend Hugh) is pijnlijk, net als de zelfmoord van zijn zusje, en de – schrikbarend terloopse – herinnering aan drie verkrachtingen, lang geleden, waar hij indertijd geen aangifte van deed omdat hij dacht dat verkracht worden als homo je eigen schuld was. ‘Net zoiets als een Christusbeeld met een bijl in stukken hakken en dan klagen dat je er blaren van hebt gekregen’. (Dus tóch om te lachen.)

Sedaris was ooit een straatarme, beurtelings aan drugs en drank verslaafde schlemiel uit een disfunctionele, neurotische familie. Inmiddels is hij alleen nog verslaafd aan opruimen en schoonmaken, en, dank zijn schrijversroem, schathemelrijk. Die puissante rijkdom heeft soms iets ongemakkelijks, zoals de terloopse aanschaf van een opgezette kiwi (de vogel, niet de vrucht) voor 8.000 pond, of het kopen van diverse huizen, waaronder een New Yorks appartement zó groot dat Sedaris er dagen na de aanschaf nog een extra badkamer in ontdekt.

Ook zijn liefde voor dure, excentrieke kleren stuit me tegen de borst. Anderzijds is het wel verfrissend dat hij daarvoor uit durft te komen, in een tijdsgewricht waarin beroemdheden graag doen alsof ze heel gewoon zijn gebleven. God weet dat die allemaal in een zwembad vol champagne joelend kaviaar uit een Stradivarius zitten te lepelen. En dan in interviews maar volhouden dat ze 12 jaar met de zelfde winterjas doen.

Trouwens, wat zou ik zelf doen als ik rijk was? Ik geef niks om kleren, maar die opgezette kiwi had alláng op mijn schoorsteenmantel gestaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden