Ilias

Al had ik tien tongen, en een stem die niet kan breken

Het leven is kort, zinloos en zelden aangenaam. Koesterden vorige generaties nog het twijfelachtig vooruitzicht van een eeuwig leven na de dood, sinds de secularisatie heeft toegeslagen is ook die troost ons afgenomen. De meesten van ons zullen, zodra er niemand meer is die ons gekend heeft, in vergetelheid geraken. We hadden er net zo goed niet kunnen zijn. Als je naam nooit meer uitgesproken wordt, ben je definitief verdwenen.


Het tweede boek van Ilias de bestaat voor een groot deel uit wat traditioneel de wordt genoemd, een minutieuze opsomming, honderden regels lang, van de Griekse en Trojaanse strijdkrachten. Moderne lezers zullen de neiging hebben snel door te bladeren totdat het verhaal weer op gang komt, maar dat zou een verkeerde beslissing zijn. De passage wordt ingeleid door een aanroep van de Muzen, die waken over het collectief geheugen. Wie waren, zo vraagt de dichter, al die bevelhebbers? 'Hun aantallen vermelden en hun namen / zou ik niet kunnen, al had ik tien tongen, / tien monden zelfs, een stem die niet kan breken,' tenzij goddelijke inspiratie de juiste informatie verschaft. De lijst begint zo:


Peneleos en Leïtos geleidden


met Klonios, Arkesilaos en


ook Prothoënor de Boiotiërs.


Van Hyra en het rotsachtig Aulis


zijn zij, van Schoinos, Skolos, Eteonos


met veel ravijnen, Graia en Thespeia,


het uitgestrekte Mykalessos, Harma,


Eilesion, Erythrai, Eleon.


Deze vijf helden spelen in de verder geen rol van betekenis, en de dichter veronderstelt zeker niet dat we de namen van al die dorpjes zullen onthouden. Waar het om gaat, is dat ze genoemd zijn. Ze zijn gezien, ze zijn niet onopgemerkt gebleven. De catalogus is een gesproken grafmonument, misschien vergelijkbaar met de voorlezing van de namen van de 102.000 bewoners van Kamp Westerbork, in januari van dit jaar. Ook al ken je geen van de namen, het ritueel is zo indrukwekkend omdat het suggereert dat ieder mens, hoe bescheiden zijn of haar rol op het wereldtoneel ook is, een onmisbare schakel in het grote geheel vormt. De voordracht van Boek 2 van de Ilias werkt daarom als een troostende litanie.


De Vlaamse classicus en dichter Patrick Lateur (1949), die eerder de poëzie van Pindaros vertaalde, heeft het aangedurfd een nieuwe vertaling van de Ilias te maken. Lateurs versie is de twaalfde complete Ilias in het Nederlands. Homeros' dactylische hexameters, brede regels van minimaal dertien, maximaal zeventien lettergrepen, waarvan de eerste altijd lang, en dus beklemtoond is, laten zich niet gemakkelijk naar onze taal omzetten. Hexameters klinken in het Nederlands algauw enigszins geforceerd, bovendien hebben ze de neiging een huppelende cadans te ontwikkelen, die vreemd is aan de trage gedragenheid van het Grieks.


Aegidius Timmerman begon in 1931 zo: 'Wrok, zij uw zang, o, Godin, de moordende wrok van Achilles, / Peleus' zoon die talloze rampen de Grieken bereidde'. H.J. de Roy van Zuydewijn probeerde het in 1980 als volgt: 'Muze, bezing ons de wrok van de zoon van Peleus, Achilles, / die ongenadige wrok die de Achaeërs grenzeloos leed bracht'. Tijdens het lezen word je afgeleid doordat verzen niet lopen, of doordat je in eerste instantie helemaal niet begrijpt wat er staat. Vandaar dat M.A. Schwartz er in 1956 voor koos de hexameters in ritmisch proza te vertalen: 'Goddelijke muze, zing van de wrok van de Pelide Achilles, de onzalige wrok, die aan de Grieken eindeloos leed bracht'.


Lateur bedacht een radicaal andere oplossing. Hij zette de zesvoeters om in soepele jambische pentameters, het metrum van Keats' Hyperion , Gorters Mei en Nijhoffs Awater, met in de vertaling steeds drie regels waar Homeros er twee heeft:


De wrok, godin, van Peleus' zoon Achilles


moet u bezingen. Hij was dodelijk,


bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde.


Een andere ingreep is de w

ijze waarop Lateur de zogeheten epitheta ornantia naar zijn hand zet, de fraaie samengestelde bijvoeglijke naamwoorden van het type 'roosvingerig', 'schoonlokkig', 'helmboswuivend' en 'snelvoetig'. Lateur omschrijft ze: 'Briseïs met de mooie wangen', 'de krijgers met een helmbos / van paardenstaart'. Een veelvoorkomende woordgroep bij Homeros is deze: 'hij sprak de gevleugelde woorden.' Lateur wekt de oude formule tot leven: 'hij gaf zijn woorden vleugels'. Het werkt, kortom. Wie deze meeslepende ter hand neemt, blijft doorlezen.


De Ilias dateert vermoedelijk uit de achtste eeuw v. Chr. Hoewel het epos is voortgekomen uit een eeuwenoude orale traditie, is het gedicht zoals wij het kennen een volmaakt geconstrueerd geheel, waarvan moeilijk voorstelbaar is dat de dichter het heeft kunnen concipiëren zonder gebruik te maken van het schrift, dat in zijn tijd in de Griekse wereld werd ingevoerd. Homeros vertelt het verhaal van een oorlog die minstens vierhonderd jaar eerder zou hebben plaatsgevonden, maar doordat hij goden laat opdraven en voor de belangrijkste personages een complexe psychologie heeft ontwikkeld, ziet iedere lezer meteen dat het fictie betreft.


De plot is sterk en eenvoudig. Achilles en Agamemnon, twee Griekse krijgsheren die al tien jaar tevergeefs geprobeerd hebben Troje in te nemen, krijgen ruzie om een vrouw, waarna Achilles zich woedend terugtrekt uit de strijd. In zijn afwezigheid zien de Trojanen kans de Grieken in het nauw te drijven. Pas wanneer zijn dierbaarste vriend sneuvelt, zet Achilles zijn wrok opzij. Hij werpt zich weer in de strijd en doodt de Trojaanse aanvoerder Hektor. In het ontroerende laatste boek komt Hektors vader het door Achilles mishandelde lijk van zijn zoon ophalen. De eindigt met de begrafenis van Hektor. De lezer weet dan al dat ook Achilles spoedig zal sterven.


Wat dit epos tot een van de rijkste werken uit de wereldliteratuur maakt, is het ongelooflijke bereik van Homeros' poëzie. Zelden is er een boek geschreven dat een zo compleet universum behelst. De helden strijden, schelden en discussiëren, hebben hartstochtelijk lief en verlangen naar huis, ze genieten intens van mooie kunstvoorwerpen en sterke verhalen. Ze worden door de dichter respectvol en nauwgezet vergeleken met leeuwen, wespen, stormwinden en boombladeren: 'Zoals een hond een hertenkalf opjaagt / dat hij in het gebergte uit zijn leger / verjoeg en drijft door kloven en ravijnen; / al duikt het ongemerkt in struikgewas, / hij speurt en loopt gestaag tot hij het vindt - / zo bleef ook Hektor niet onopgemerkt / voor Peleus' zoon, snelvoetige Achilles.' Geen detail van de werkelijkheid lijkt aan Homeros' aandacht te zijn ontsnapt.


Een van de interessantste passages is de beschrijving van het schild dat de god Hefaistos voor Achilles smeedt. Het is versierd met scènes die een parallelle wereld representeren, die door de dichter worden opgeroepen alsof het levende beelden betreft. We zien steden waar geschillen worden beslecht, we zijn getuige van een belegering en een veeroof, van agrarische activiteiten, maaltijden, en zelfs een bruiloft waar gedanst wordt: 'En jonge dansers draaiden in het rond, / schalmei en citer klonken in hun midden.'


Terecht wordt de beschrijving van het schild vaak beschouwd als een mise-en-abîme, die in het klein laat zien wat de dichter in het grote geheel van de heeft uitgewerkt. Maar als het schild een epos is, geldt ook het omgekeerde: de is een blinkend schild, waarin het ganse heelal wordt weerspiegeld. Een schild tegen de vergetelheid.



Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden