ColumnSylvia Witteman

Ik zag Klassen en dacht aan Theo Thijssen. Wat is er in een eeuw eigenlijk veranderd?

null Beeld

Wie de onderhoudende en ontroerende documentaireserie Klassen nog niet heeft gezien, moet dat onmiddellijk alsnog doen. Daarin worden achtstegroepers uit Amsterdam-Noord gevolgd op verschillende scholen, uit alle lagen van de bevolking. In Nederland krijgt iedereen gelijke kansen, zoals dat heet. Maar die kansen ten volle benutten is niet eenvoudig als je je huiswerk moet maken in een kamer waar al je broertjes en zusjes door elkaar heen schreeuwen, of als je moet zorgen voor je zieke opa en oma, of als het je ouders allemaal niets kan schelen wat je uitvoert.

Dan kunnen juf Astrid en juf Jolanda nog zo goed hun best doen (onbetaalbare vrouwen die dit slopende werk ongetwijfeld voor een nederig salaris verrichten), maar ze kunnen geen bergen verzetten als die kinderen thuis in een intellectuele en pedagogische woestenij leven.

Met plaatsvervangende schaamte keek ik hoe de rijke kindertjes bijles krijgen (en later, op het gymnasium, een burn-out), terwijl die arme, lieve, slimme Anyssa (haar moeder is ‘uit beeld’) met haar tandenloze, zwijgzame oma mee moet naar de dokter om te helpen onthouden welke medicijnen ze moet nemen en hoeveel.

En al die tijd dacht ik aan Theo Thijssen. Die was honderd jaar geleden zelf schoolmeester, op een ‘kostelooze school’, voor de kinderen van de onderklasse dus, de onderklasse waaruit hij zichzelf had opgewerkt. Geboren voor een dubbeltje was het dus ook toen al mogelijk een kwartje te worden, zij het nog een stuk moeilijker dan nu. Thijssen schreef De gelukkige klas, een roman in dagboekvorm, over zijn jaren als meester Staal, voor die klas met veertig kinderen. We volgen de dappere kleine Fok, slimme Hilletje, Louis met de bochel en het zwakke hart (waaraan hij later nog sterft ook) en de ongewassen Leentje Roos met dezelfde belangstelling als hun leeftijdgenoten, een eeuw later: Yunuscan, Gianny, Younes, Esma en Anyssa.

Ook de problematiek is hetzelfde. Meester Staal moet beslissen welke van zijn pupillen begaafd genoeg zijn om één avond per week extra onderwijs te krijgen op de avondschool. De meeste leraren geven maar drie of vier kinderen op, maar Staal kan het niet over zijn hart verkrijgen om zulke harde keuzes te maken en wil de halve klas sturen. Zijn vrouw raadt het hem af. ‘Er ziet er eigenlijk geen één naar uit om later… enfin, dat hij nou later juist zoveel geleerd hoeft te hebben.’

Staal is woedend op zijn vrouw, maar ze krijgt gelijk. ‘Marie Scholten haar moeder had het kind te veel thuis nodig, en bovendien, van leren kwam het toch niet, de fabriek is haar voorland. (…) Moeder De Rooy voelde er ook weinig voor. Bertha kwam zo gauw mogelijk in het huishouden. (…) De moeder van Lodewijk Tamminga, daar was het net het omgekeerde mee. Het stond voor haar al vast dat Lo als het even kon naar de HBS moest; en toen ik zei dat het nog heel erg de vraag zou zijn of hij het halen zou, zei ze: er bestaan ook nog privaatlessen.’

Wat is er eigenlijk veranderd? Vroeger gaf een leraar onderwijs en verder niets. Dat zijn leerlingen het thuis slecht hadden, was jammer, maar niets aan te doen. De leraren van nu besteden meer tijd aan de problemen van de kinderen. De achterstandskinderen van nu kennen, in tegenstelling tot Fok, Hilletje en Leentje, alle vaktermen. Ze hebben ‘gebrek aan motivatie’, ze willen ‘in hun kracht gezet worden’ en niet ‘onder hun niveau’ werken. Ook wordt er verrassend veel gehuild, getroost en geknuffeld. Maar nog steeds geldt dezelfde pijnlijke conclusie van een eeuw geleden: de school kan, ook met man en macht, niet rechttrekken wat er thuis misgaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden