InterviewCabaretier Paul Haenen

‘Ik wist: dit wordt mijn leven, al zal het moeilijk worden, want als homo was je uitschot’

Paul Haenen in het Betty Asfalt Complex in Amsterdam, een theater dat hij runt met zijn man Dammie van Geest. Beeld Valentina Vos

‘Ik heb bekend, mijn leven begint!’, schrijft cabaretier Paul Haenen in een van zijn tienerdagboeken, die nu worden uitgegeven. Een gesprek over zijn coming-out en de eenzame puberteit die eraan voorafging. 

Op 4 maart 1962 schrijft Paul Haenen, dan 15, in zijn dagboek onder het kopje ‘homoseksuelen’ dat hij hiermee bij een ‘heel moeilijk onderwerp’ is aanbeland: ‘Ik twijfel namelijk aan mezelf omtrent dit punt.’

‘Ik twijfelde sinds mijn 6de al niet’, zegt Paul Haenen (73) nu, ‘maar ik schreef het zo op in mijn dagboek omdat ik wist dat mijn moeder het zou lezen. Ik was bang dat ik dan hormooninjecties zou krijgen om van mij een hetero te maken. Ik dacht: als ik nou opschrijf dat ik twijfel, kan ik altijd nog zeggen: het is alweer over, ik had me vergist.’

Een verhuisdoos vol dagboeken, 32 of 33 stuks, sleept cabaretier en programmamaker Paul Haenen al zijn hele leven met zich mee. Nu vond hij het tijd ze uit te geven, of althans: een selectie eruit, samengesteld door bevriend journalist Ivo van Woerden. Ik heb bekend, dagboeken 1958 – 1965 luidt de titel; vanaf zijn 12de is de hele puberteit voor Paul Haenen één ellenlange, vaak eenzame aanloop naar zijn coming-out.

Op 29 juni 1965, hij is dan 18, is het moment daar. ‘IK HEB BEKEND’, schrijft hij met koeienletters. ‘Mijn leven begint!’ Op dezelfde bladzij: ‘Zaterdag neuken.’

Niet veel later, in november, houdt de selectie op. Haenen hield nog wel een paar jaar dagboeken bij, maar schreef vooral als-ie ‘kwaad, hysterisch, depressief of dronken’ was – en dat was nogal eens, want het nieuwe, veelbelovende leven bleek minstens zo complex als dat van vóór zijn coming-out. Tot hij Dammie van Geest tegenkwam, die ‘verdere dagboeken overbodig maakte’.

Sinds 1972 zijn ze samen – Van Geest opent de voordeur van het Betty Asfalt Complex, het Amsterdamse theater dat ze samen runnen, en schenkt koffie in. Paul Haenen, in de foyer, bladert door de drukproef van Ik heb bekend, waarin veel van zijn originele dagboekpagina’s staan afgedrukt vol foto’s, krantenknipsels en met dikke stift geschreven koppen (‘Mama zegt: IK HAAT HOMOSEKSUELEN’). Opgewekt, met het karakteristieke stemgeluid dat niet ver afligt van dat van zijn alter ego dominee Gremdaat: ‘Er staat nogal wat droefenis in, maar het moest ook sensationeel zijn. Dat is het journalistieke in mij. Als mijn moeder zoiets zei over homoseksuelen, vond ik dat verschrikkelijk, maar ik dacht óók: dat is een goeie kop.’

Wat opvalt in het dagboek: u liep van jongs af aan met een groot geheim rond dat u met niemand kon delen, lange tijd zelfs met uw dagboek niet.

‘Nee, omdat ik gemerkt had dat mijn moeder meelas toen ik een keer iets over homoseksualiteit had geschreven. Toen kwam ze met me praten: ik hoefde me geen zorgen te maken, het ging vanzelf over, zij was vroeger ook verliefd geweest op de juf. Maar ik maakte me geen zorgen, en ik wist wat ik voelde. Ik wist: dit wordt mijn leven, al zal het moeilijk worden, want als homoseksueel was je uitschot in die tijd. Het was vies, een ziekte, je moest ervan genezen. Dus ik dacht: als ik er weer over schrijf, krijg ik hormooninjecties. En dat wilde ik niet, want ik heb nooit gehoopt dat het over zou gaan.

‘Later heb ik een dagboek met een slotje genomen en er wel uitvoerig over geschreven. Maar toen zat ik al tegen mijn coming-out aan, ik was bijna 18 en veel strijdbaarder. Toen luisterde ik naar psychiater Trimbos, die op vrijdagavond een praatje had voor de KRO-radio en daar zei: homoseksualiteit is normaal.’

Dus toen u in april 1961 schreef: ‘Kees is een erg aardige jongen (hij is 13 jaar), gezellig en geestig. Ja, op dit moment vind ik Kees wel de aardigste jongen van onze klas’…

‘Toen was ik verliefd op hem, ja, maar dat durfde ik niet op te schrijven. Kees Polderman, hij woonde in Amstelveen. Ik in de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West, en na school reed ik helemaal met hem mee naar huis, 10 kilometer, gewoon om maar naast hem te kunnen fietsen. Gek eigenlijk achteraf, dat hem dat niet verbaasde, Maar ik zei niets, nooit, tegen niemand, hoewel ik al jongetjes wilde zoenen op de kleuterschool’

Meermaals valt te lezen in de dagboeken hoe eenzaam u zich voelde. Op 8 juni 1962 bijvoorbeeld: ‘Ik voel me soms alleen. Helemaal alleen. Ik wou dat ik een echte vriend had, maar die vind je niet zo een, twee, drie.’

‘Ja, dat had ook met mijn homoseksualiteit te maken, ik verlangde te sterk naar een vriend. En dat voelen de anderen natuurlijk. Ik weet nog dat ik 9 was en met een jongen naar het station ging om treinen te kijken en dat ik mijn arm om hem heen sloeg. Hij weerde dat onmiddellijk af, zei: nee, niet doen, want hij voelde wel dat het méér was dan zomaar een arm. Dat heb ik eigenlijk altijd gehad, ja, dat ik werd afgewezen omdat ik te graag wilde. Nu zijn jongeren opener over homoseksualiteit, maar dat was toen niet zo, ik moest me altijd inhouden. Ook met Kees Polderman: wel meefietsen, maar niet handtastelijk worden. Later, op kampeervakantie met Jack van Minden, ben ik ook niet handtastelijk geweest, dat is best knap eigenlijk. Ik weet nog dat we met de fietsen voor zijn huis stonden op de Vrijheidslaan en dat Jack voorstelde om samen op vakantie gaan. Dat was een van de gelukkigste momenten van mijn leven in die tijd, want het kwam van hém uit, hij vroeg het zelf. Eindelijk de vriend die ik zo graag wilde. Het ging me niet om seks ofzo, al hunkerde ik wel naar een omhelzing. Mary Dresselhuys zei eens: het toppunt van liefde, dat is als je vriend zijn jas over die van jou op het knaapje hangt. Zulke dingen, daar verlangde ik naar.’

Paul Haenen: ‘ Elk moment kan je wereld instorten, je kunt iedereen verliezen als je je ware aard onthult. Zo voelde het toen.’Beeld Valentina Vos

U was al jong geïnteresseerd in tv, theater en toneelspelers. Bij acteurs als Mary Dresselhuys en Ko van Dijk ging u om een handtekening vragen.

‘Dat waren eigenlijk onbereikbare sterren, maar je kon ze toch zó opzoeken in de telefoongids, onder het kopje ‘toneelspelers’. En omdat ik zin had om uit de sfeer van thuis te breken, fietste ik op zondagmiddag naar ze toe. Mocht je boven komen, soms had je zelfs een heel gesprek. Daar was ik trots op, thuis, dat ik dat als verlegen jongen durfde. Want mijn moeder had straatvrees, die keek daarvan op.’

Waarom wilde u uit de sfeer van thuis breken?

‘Nou, mijn moeder had angsten, niet alleen die straatvrees, maar gewoon totale levensangst. Overal zag ze tegenop, en altijd een negatieve benadering: als het mooi weer was, was het te mooi en als het lelijk weer was, was het te lelijk. Ze kwam bijna niet buiten. Wij, mijn twee broers en ik, deden de boodschappen. En als ze naar de dokter moest, kwam er een taxi voorrijden voor dat stukje van 300 meter en dan ging ik met haar mee.

‘Later toen ze oud was, moest ze het huis uit in Amsterdam waar ze 51 jaar gewoond had om naar een pension in Hilversum te gaan. Dat ging eigenlijk verrassend makkelijk. Toen voelde mijn broers en ik ons wel een beetje opgelicht, ze had die straatvrees wel erg gekoesterd.

‘En mijn vader… Er zat geen kwaad bij, bij allebei niet, mijn vader heeft me nooit geslagen, maar er was wel altijd een vreselijke onderhuidse spanning, omdat mijn ouders elkaar niet begrepen en omdat er, ja’ (Gremdaat-achtige uithaal) ‘een enorme háát was onderling. Mijn moeder verweet mijn vader gebrek aan liefde en mijn vader verweet haar dat ze niet naar buiten ging. Ik stond altijd aan de kant van mijn moeder. Met mijn vader had ik al helemaal geen hechte band. Dat is later goed gekomen, ik schrok eigenlijk van de haat waarmee ik over hem schrijf in mijn dagboeken, maar zo voelde dat in die tijd. Ik weet nog dat de vader van Jack van Minden aan hem vroeg: wil je mijn rug even krabben? Daar was ik jaloers op, dat lichamelijke, die warmte, die was er tussen mij en mijn vader niet. Op zondagmiddag eiste hij dat het doodstil was als hij naar klassiek muziek op de radio luisterde. Je mocht haast niet ademen, want hij zat op te letten of het orkest wel zuiver speelde. ‘Vals’, klonk het dan geïrriteerd. Er hing altijd een angstaanjagende stilte in mijn herinnering. En ik ontsnapte daaruit, ik wilde de buitenwereld in. Vooral de televisiewereld vond ik geweldig interessant.’

U schreef als 15-jarige al ingezonden brieven over het omroepbestel naar de krant. Op school deed u optredens, u werd klassenvertegenwoordiger, hoe eng u dat ook vond. ‘Angsten niet ontwijken, maar overwinnen’, schrijft u in uw dagboek.

‘Ja, als je altijd afgewezen wordt, ga je naar andere manieren zoeken om jezelf te manifesteren. Klasgenoten vonden het wel interessant, die ingezonden stukken, en als ik optrad, merkte ik dat ze om me moesten lachen. Dat was natuurlijk heerlijk, dat was mijn houvast, omdat het in het dagelijks leven zo veel moeizamer ging.’

Onder het kopje ‘Positie verstevigen’ schrijft u in 1963 in uw dagboek: ‘Ik voel dat ik wat in populariteit afneem. Daar moet ik erg voor oppassen. Ik moet niet doorslaan en denken: nu vinden ze alles leuk.’

‘Het rare is: dat was eigenlijk het begin van mijn latere leven. Want ook in het theater moet je altijd in de gaten houden of het nog klopt wat je doet en of je niet afzakt. Net als vroeger op school.’

Vermoedde niemand dat u homoseksueel was?

‘Niet dat ik weet, wat eigenlijk best gek is, want ik schreef voor de schoolkrant al over homoseksualiteit. Maar niet over die van mezelf, natuurlijk, want die moest ik verborgen houden. Anders liep ik de kans te worden uitgekotst. Zo voelde het toen: elk moment kan je wereld instorten, je kunt iedereen verliezen als je je ware aard onthult.’

Was uw vriend Jack eigenlijk ook homo?

‘Nee, anders was ik ook niet op hem gevallen denk ik, want ik viel altijd op heteroseksuele jongens. Er was trouwens maar één andere homo bij ons op school van wie ik het wist, maar die moest niks van mij hebben.’

Andersom schrijft u ook ergens in uw dagboek: ‘Over het algemeen vind ik homoseksuelen vervelende mensen.’

‘Dat waren natuurlijk ook mijn eigen vooroordelen. Je kende nauwelijks homo’s. Ja, Albert Mol. Die een schat was, later heb ik hem leren kennen, maar in mijn jeugd was zo’n verwijfd type een schrikbeeld. Ik dacht alleen maar: ik hoop niet dat ik zo word. Gerard Reve was de eerste echte man die ik kende die op een gegeven moment op de radio vertelde: ik ben homoseksueel.’

Dat was een belangrijk moment voor u.

‘Ja, daardoor voelde ik me enorm gesterkt. Want Reve was én een goede schrijver én hij had humor én hij was een echte man én homoseksueel, die combinatie was voor mij een voorbeeld. Ook ten opzichte van mijn vader, want die hield van Reve.’

Dus omdat uw vader van Reve hield, dacht u: dan ben ik misschien ook aanvaardbaar voor hem?

‘Ja, en Reve was strijdbaar, dat hielp ook. Hij zei: niet wegkruipen in een hoekje, je moet je tanden laten zien. Nu adviseer ik daarom ook iedereen vroeg uit de kast te komen. Want vanaf dat moment kun je jezelf verdedigen, hoef je je niet meer te verstoppen.’ Luid opeens: ‘Ga de strijd aan, het is hartstikke leuk!’

Uit zijn dagboek blijkt hoe Paul Haenen op zijn 18de wekenlang toeleeft naar het moment dat hij voor eerst iemand over zijn homoseksualiteit gaat vertellen, zijn broer Tom. Uiteindelijk vertelt hij het Tom samen met diens pianodocent, Frans, een man van 30 die ook homoseksueel is, als ze gedrieën iets drinken in een café. Nog diezelfde avond noteert Paul ‘zaterdag neuken’ in zijn dagboek; hij en Frans hebben een afspraakje gemaakt.

Paul Haenen.Beeld Valentina Vos

In 2018 had u het in de talkshow van Margriet van der Linden over ‘misbruik’ toen die avond met Frans ter sprake kwam.

‘Nou, misbruik is ook weer overdreven, maar het was geen prettige ervaring, nee. Want hij had wel een soort macht over me, omdat hij zoveel ouder was en omdat ik me had prijsgegeven, terwijl verder op mijn broer na nog niemand het wist. Er zat geen liefde bij, wat dat betreft had ik het liever met Jack van Minden gedaan. Maar goed, ik had er zelf voor gekozen. Op een oude fiets moet je het leren en ik was er tenminste doorheen.’

Is het door deze ervaring dat u, toen Jelle Brand Corstius met zijn misbruikverhaal naar buiten kwam, zei: hij moet niet zeuren?

‘Hij was 24 toen het gebeurde, en die ander 25, dan weet je precies wat er te koop is als je met iemand mee naar een hotelkamer gaat. Dan kan er iets grensoverschrijdends plaatsvinden, ja. En dat er iets in zijn drankje zou zijn gestopt… Ik vond het ongeloofwaardig.’

Het kan toch volkomen terecht zijn dat iemand zegt: mijn grenzen zijn overschreden, er is iets heel erg fout gegaan? 

‘Ja, maar soms wíl je ook je grenzen verleggen. Ik had er met die Frans toch geen spijt van dat ik het had gedaan. Op een gegeven moment kun je maar beter gewoon seks hebben dan eindeloos te wachten op de ideale vriend.’

Vanaf dat moment ging u het ook aan anderen vertellen.

‘Ja. Mijn broer Tom wist het en die had me niet in de steek gelaten, dat was essentieel.’

Hoe reageerden uw ouders?

‘Mijn vader accepteerde het wel, maar ik kreeg geen omhelzing. En mijn moeder moest huilen, maar ze zei ook meteen: ‘Homo’s zijn heel goed voor hun moeder.’ Bij haar vond er een hele omwenteling plaats. Ze kreeg opeens ook een heel idealistisch beeld van homoseksuelen: dat waren hoogstaande mensen met een verheven relatie, die hadden in haar ogen ook geen seks met elkaar.’

Ze wilde zich niet voorstellen dat u seks had met een jongen.

‘Nee, en misschien heeft ze het zich wel nooit voorgesteld. Ook niet toen ik met Dammie was, met wie ze overigens ontzettend blij was, en mijn vader ook.’

Het klinkt als een bevrijding, uw coming-out. Toch brak daarna een lastige periode aan die nog jaren duurde.

‘Ja, je leeft daar haast vanaf je 6de naartoe en dan is het moment daar en begint je leven, stel je je zo voor. Ik weet nog dat ik bij de radio ging werken, ik was 19 en Henk van Stipriaan, dat was een radioman, vroeg me rechtstreeks: ben jij homoseksueel? Ik zei: ja. En hij zei: prima, iedereen moet op zijn eigen manier dat beetje geluk kunnen vinden dat er is voor elk mens. Een heel mooie zin die ik nooit ben vergeten, toen voelde ik me aanvaard. Maar jaren later ben ik bij de KRO op het matje geroepen; in een uitzending over de Gaykrant mocht ik niet zeggen dat ik zelf homoseksueel was. ‘Niet lang na mijn coming-out kwam bij een psychiater terecht, een heel rechtse, intolerante man, die zei: jij hebt te weinig mannelijkheid getankt, ik kan je ombouwen naar een goeie, gezonde hetero. En al wilde ik dat helemaal niet, ik werd wel depressief toen. Ook omdat ik lang ongelukkig in de liefde ben geweest. Ik was in die tijd verliefd op mijn eindredacteur, een heteroseksueel die getrouwd was en kinderen had, maar die wel steeds zei: onze tijd komt nog wel. Ik heb er later nog een soort sleutelroman over geschreven: Wacht maar jongen, die is uitgegeven bij Van Gennep.

‘Op een gegeven moment kwam ik bijna mijn bed niet meer uit. Ik kreeg angstaanvallen, ik durfde niet meer naar buiten – ik was eigenlijk gewoon mijn moeder geworden. Ongeveer toen het op zijn ergst was heeft een vriend van me mij meegesleept naar een Vara-feest. En daar stond Dammie.’

Op de terugweg heeft er toen iets ‘grensoverschrijdends’ plaatsgevonden, zegt u tegen Ivo van Woerden in het interview dat Ik heb bekend besluit. ‘Als ik dat grensoverschrijdend gedrag in de auto niet had gehad, was ik altijd alleen gebleven.’

‘Ik zat naast Dammie op de achterbank en ik had niets te verliezen, dat is het voordeel als je depressief bent, dan maakt niets je meer uit. We waren allebei ook behoorlijk dronken en daar, in het donker, werd ik handtastelijk. En hoewel Dammie toen nog een vriendin had, ging hij daarin mee. Toen ik in Amsterdam werd afgezet, is Dammie met mij mee naar binnen gegaan. Dat is nu 47 jaar geleden. Dus ja, mensen moeten in het MeToo-tijdperk ook weer niet te bang zijn om grensoverschrijdend gedrag te vertonen. Er zijn ook leraren die iets met een leerling krijgen en dat mag absoluut niet, daar ben ik het mee eens, maar je hebt er die jaren later samen nog steeds gelukkig zijn. Je moet ook weer niet te veel in regeltjes denken.’ Op z’n Gremdaats, met uitschietende stem: ‘Je moet je éígen gang gaan! Nou, en zo is het.’

Paul Haenen (Amsterdam, 30 april 1946) is een Nederlands acteur, cabaretier, stemacteur, toneelschrijver, programmamaker, presentator en journalist. Hij werd bekend met theatervoorstellingen als Smakelijke voortzetting (1994) en televisieprogramma’s als Haenen voor de Nacht (1993). Ook maakte hij radio- en televisieseries als zijn alter ego Margreet Dolman. Daarnaast sprak hij de stem in van Bert in de Nederlandse versie van Sesamstraat. Met zijn man Dammie van Geest runt hij het Amsterdamse theater Betty Asfalt Complex. 

Betty Asfalt Tv

Paul Haenen runt samen met zijn man Dammie van Geest niet alleen het Betty Asfalt Theater in Amsterdam, maar ook, sinds 2018, bettyasfalt.tv. Op die eigen digitale zender voert hij onder meer ‘vensterbankgesprekken’, waarin hij als zijn alter ego Margreet Dolman bekende acteurs en cabaretiers interviewt. Sinds kort is er ook een betaalvariant: Betty Asfalt Plus. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden