‘Ik wil in de grote zandbak , met de jongens’

Sinds ze in haar poëzie refereert aan haar twee overleden kinderen, is ze vaak ‘de dooiekindertjesdichteres’, grijnst Esther Jansma (1958)....

Twee joekels van prijzen zijn nu binnen. In 1999 kreeg ze de VSB Poëzieprijs voor haar bundel Hier is de tijd, en onlangs werd haar de A. Roland Holst-penning uitgereikt, een oeuvreprijs. Esther Jansma zat er niet op te azen: ‘Eerlijk gezegd wist ik niet dat die penning bestond’, lacht ze. ‘Maar het is leuk om hem te krijgen.’

Nee, met de poëzie van de oude bard uit Bergen heeft ze niet veel op. ‘Hij opereerde als een Dichter, in leven en werk.’ Bij de uitreiking werd verteld dat Holst graag een middagslaapje deed. Hij had twee soorten, ‘tuk-mét’ – met een bewonderaarster – en ‘tuk-zonder’. ‘Een patatje met en een patatje zonder. De verheven dichter viel van zijn voetstuk; hij was dus verslaafd aan bewondering.’

Nog steeds identificeren dichters zich met het hogere, denkt Jansma. ‘Kijk maar naar de toon van het debat over poëzie; ze verdedigen iets heiligs. Ook voor het publiek dat massaal voordrachtsavonden bezoekt, heeft de dichter een aureool.’

Jansma heeft niet veel tijd voor debat en voordrachten. Ze heeft het druk, met drie kinderen en haar werk als hoofd van een onderzoeksafdeling van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en directeur van het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie. Dichten doet ze in het weekend.

Onlangs verscheen Altijd vandaag, haar verzameld werk tot nu toe. Dat is niet voorbarig, want twee bundels waren niet meer verkrijgbaar. Zelf hield ze zich de afgelopen tijd bezig met een andere dichter, de Amerikaan Mark Strand. Samen met haar man, de poëziekenner Wiljan van den Akker, vertaalde Jansma gedichten van hem, die zullen verschijnen onder de titel Gedichten eten. Schitterende poëzie, vertelt ze opgetogen. ‘Muzikale, samengebalde gedichten, met een hoog abstractieniveau. Grote onderwerpen als oneindigheid en verdwijnen.’

Dat zijn ook Jansma’s thema’s. Ook haar poëzie is kernachtig, krachtig van vorm. Abstract en tegelijk zeer aards. Want ‘het moet bij mij altijd ergens over gaan’.

Als ze nu haar eerste bundel, Stem onder mijn bed, terugleest, vindt ze dat ze niet verder kwam dan ‘wat mooie plaatjes’. Maar de ambitie was altijd groot. ‘Laatst vond ik een cv’tje van toen ik begin twintig was. Ik noemde mijzelf “aankomend dichter”. Schattig hè? Ik koesterde een naïef, maar waardevol geloof in maakbaarheid van de wereld, en dat is nooit echt verdwenen. Ik wilde zwaardvechten met de grote dichters. Dan moet je die ook lezen, en erop reageren. Er is een traditie waartoe je je moet verhouden.’

Jansma kan het niet genoeg benadrukken: ‘Een gedicht is een ding van taal. Niet van emoties.’ Laatst vroeg haar dochter van zeven waarom ze het leuk vindt om gedichten te maken. Ze legde het uit: ‘Ik krijg dan gedachten die ik anders niet heb. Ik máák gedachten. Ik kijk naar wat ik opschrijf en dan willen die woorden ook iets. Daarmee knutsel ik verder en dan staan er nieuwe gedachten.’

Kinderen, dat is het onderwerp waarmee deze dichteres eeuwig wordt vereenzelvigd. En dan vooral met dode kinderen. In haar leven gebeurde twee keer iets verschrikkelijks: haar dochter Floortje stierf bij de geboorte, een paar jaar later overleed haar zoon Abel tijdens een operatie, vóór zijn eerste verjaardag. Aan die kinderen, aan hun voortdurende niet-bestaan, refereert Jansma in een aantal gedichten. Sindsdien, zegt ze met een grijns, ‘ben ik vaak de dooiekindertjesdichteres. Mensen willen ál mijn gedichten autobiografisch lezen. Een grote vergissing.’

Bijvoorbeeld het gedicht ‘De zoon die ik niet had’. ‘Toen ik dat schreef, had ik nog geen zoon. Het was een commentaar op een gedicht van Drummond de Andrade. Die afwezige zoon werd als een lieflijk wezentje beschreven. Ik dacht: sorry, er zitten ook níet-lieflijke kanten aan. Ik schreef een reactie, zo grimmig als maar kon. Later verloor ik een zoon. Ja, alles gebeurt, in en buiten de poëzie.’

Schrijven is voor Jansma als schaken: een goed potje spelen. ‘Ik word weleens overspoeld door emoties, maar niet als ik schrijf. Dan trek ik aan woordjes als een poppenspeler. Ik doe dat zo, dat jíj daar als lezer iets bij voelt. Als ik een gedicht heb geschreven over een emotioneel onderwerp, blijf ik niet als een hoopje ellende achter. En als iemand dan zegt dat hij zó om dat gedicht heeft moeten huilen, denk ik: yesss!!!’

Wat niet wegneemt dat de bron waaruit zo’n gedicht ontstaat echt is: ‘Je moet een motortje hebben. Natuurlijk ben ik betrokken bij onderwerpen als verlies en verdwijnen, en dat heeft met mijn leven te maken. Maar die emotie is er altijd, die hoef ik niet op te roepen.’

Als lezers tegen haar zeggen: ‘Ik heb hetzelfde meegemaakt’, schoffeert ze hen niet. ‘Die mensen hebben een levensgrote hulpvraag in hun ogen, dus ik reageer meelevend. Maar inwendig baal ik als een stekker. Ik praat liever over taalbehandeling.’

Hinderlijker is het als collega-dichters of poëzierecensenten – critici als Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer – haar terugduwen ‘in het hok van de gevoelspoëzie’, als ze het waagt over historische of filosofische onderwerpen te schrijven. ‘Ik ben archeoloog en heb filosofie gestudeerd, dus ik heb daar verstand van. Maar nee, die onderwerpen worden niet van me verwacht. Schrijf je over dingen die dicht bij huis liggen, dan ben je het wijf dat gevoelspoëzie schrijft. Het is nooit goed.’

Dat komt, denkt Jansma, doordat er een heftige competitie woedt in dichtersland. ‘Belangeloosheid bestaat niet in de poëziekritiek. Door onderwerpen te marginaliseren, marginaliseer je vrouwelijke concurrenten en kom je er zelf beter uit. De grap is dat poëzie traditioneel iets vrouwelijks was. Mannen die poëzie schrijven, moeten een manlijke houding innemen, anders krijgen ze geen machtspositie. Het lijkt alsof op de tafel van de literatuur maar een beperkt aantal glazen past. Als je er één afflikkert, komt er voor jou een plaatsje vrij.

‘In de poëzie ben ik een kerel. Ik wil in de grote zandbak spelen, met de jongens. Je kunt neerbuigende reacties links laten liggen, óf terugslaan. Dat laatste heb ik gedaan, met een gedicht.’ In ‘De omwentelaar’ dicht Jansma over een zot, ‘lomp aan een ketting waarvan elke schakel/ de nul de leegte is van een idee dat hij niet heeft’. Poëzie ‘moet van dattum op straffe van slaag’. Ze had veel plezier toen ze dat gedicht schreef. ‘Ik koos met opzet een opgepompt stijltje.’

Het effect was groots, vertelt Jansma met glanzende ogen. ‘De poëziewereld die ik ironiseerde, viel over dit gedicht. Ik had mijn mouwen opgestroopt en een dreun uitgedeeld. Dat hoort niet bij het brave meisje dat over dooie kinderen schrijft.’

Meestal is beheersing het uitgangspunt. In het gedicht ‘Aarde’, waarin iemand sneeuwklokjes plant die ‘doodskleedjes’ worden, ‘met witte hoofdjes’, spreekt de ik-figuur zichzelf streng toe: ‘beschaving is niet morsen maar schenken’. Die dichtregel is voor Jansma een motto: ‘Incontinentie van gevoelens, dat mag je anderen niet aandoen. Dat heb ik moeten leren. Ik ontdekte dat hoffelijkheid iets oplevert; de ander krijgt het gevoel dat hij ertoe doet. Voor poëzie betekent “niet morsen” dat je nooit emoties op papier kwakt.’

Toch wordt de lezer niet altijd gespaard. Goede gedichten, vindt Jansma, ontstaan uit een tegenstelling. ‘Toen mijn zoon was gestorven, schreef ik “De geliefden”, een gedicht dat bol staat van vette liefdesclichés – rode rotsen, opstijgende vogels, walgelijk. Maar op die clichés volgt een keihard moment: de “ik” duwt de lippen van de dode op elkaar en slaat zijn koude armen om haar hals. “Het lukte”, staat er dan. Bruutheid van een handeling in een kort, bruut zinnetje.’ Helaas, zegt ze, las niemand de ironie in dit gedicht: ‘Uit ontzag voor het gruwelijke onderwerp, ongetwijfeld. Toch jammer.’

In Jansma’s poëzie wordt druk gebouwd en gesloopt; er worden plaatsen gecreëerd waar het veilig is, maar nergens is het definitief veilig. ‘Ik heb een hoofd dat gerust is zolang gerustheid duurt’, dichtte ze. En: ‘Ik oefen hebben waar de tijd tussen komt’. Wat wel troost biedt, zegt ze, ‘is het besef dat wat verdwenen is, toch maar mooi is gebeurd. Ik schrijf over een planeet waar licht op valt. Dat licht bescheen ook een plek waar wij gelukkig waren. Vervolgens vertrekt dat licht, gaat op reis door het heelal. Maar het heeft ons wél aangeraakt. Toen mijn zoontje was gestorven, dacht ik: wat is er nog van hem? Ja, dat licht. Maar ik schrijf zoiets op in het grandioze besef dat er nauwelijks iets blijft.’

Jansma’s gedichten hebben een morele inslag, maar een wrede God ontbreekt. ‘Toen ik klein was’, vertelt ze, ‘kwam ik erachter dat mensen in God geloofden. Een Sinterklaas in de hemel, die straft en beloont. Ik bedacht: áls er een God is, wil hij niet dat wij in hem geloven. De perfecte god is onzichtbaar; wij moeten uit onszelf handelen.’

Nee, voor Jansma wijst niets op een Groot Plan waarin alles is beschikt. Als ‘moeder van dode kinderen’ kreeg ze een lading bijgeloof over zich heen. ‘Het zou voorbestemd zijn, karma; het overkwam me om van te leren. Mensen maken het nare verteerbaar door te zeggen dat het zo bedóeld was. Want stom toeval zou ook hen kunnen treffen. Ik geloof niet in offers. Je brengt geen lammetje naar de slachtbank opdat een ander er beter van wordt. Het verdriet van een moeder valt trouwens in het niet bij wat de kinderen is overgekomen: een heel leven dat geleefd zou worden, en meteen weer werd afgepakt.’

Toch denkt Esther Jansma dat mensen een opdracht hebben. ‘We moeten, bij alle chaos, aan zingeving doen. Mooie dingen maken, voor je kinderen zorgen – dat is zinvol. Goliath staat voor de rottigheid, het toeval in de wereld. Ik ben David, die geen steen gooit maar een dansje doet. Dát is het.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden