'Ik wil geen shit maken. Ik wil ontroeren met mijn werk'

Na zeven bejubelde boeken is arbeiderszoon Alex Boogers (44) nog geen bekende schrijver. 'Als je vraagt: wil je die erkenning van miljoenen? Nee, ik wil waarachtig zijn.'

Beeld Martin Dijkstra

Aaron Bachman is nog geen 10 jaar oud en heeft een terugkerende droom, waarin hij wordt achternagezeten door een onheilspellend, voortrollend gevaarte.

'Het gevaarte stuwde allerlei rommel voort, beelden die in mijn hoofd kropen en die bezit van me wilden nemen. (...)

Ik wist niet wat ik ermee aanmoest tot ik begon op te schrijven wat ik zag. Dat hielp. De beelden waren niet langer angstaan-jagend. Ze vertelden verhalen die ik niet begreep. De volgende dag verborg ik mijn schrift onder mijn matras, uit schaamte.'

Aaron Bachman is de hoofdpersoon uit Alleen met de goden, het achtste boek van Alex Boogers (44). De roman-figuur woont in Vlaardingen, met zijn ongelukkige moeder, die hem voortdurend uitscheldt en zegt dat hij beter nooit geboren had kunnen worden. Zijn vader slaat een man dood en brengt jaren door in de gevangenis.

Bachman schrijft; fragmenten, beelden, alles wat hij niet kwijt kan raken. Hij praat er met niemand over. Als hij iets ouder is, begint hij met kickboksen, samen met een Surinaams vriendje dat door jongetjes vanwege zijn huidskleur in elkaar wordt geslagen. Het vriendje stopt, maar Bachman gaat door - hij wil wereldkampioen worden.

Alleen met de goden is 'het eindboek', zegt Boogers in een café in Vlaardingen, de stad die door hem steevast 'het naamloze gat' wordt genoemd. De stad waar hij is opgegroeid en nog altijd woont met zijn vrouw en zoon van 13, maar waar hij nog steeds de weg niet goed kent. 'Ik woon hier, maar verder kom ik hier nooit.'

In de ogen van iedereen uit 'de regio Amsterdam' is Boogers 'een Rotterdammer', zegt hij. Inmiddels legt hij niet eens meer uit dat Vlaardingen een andere stad is. 'Ik heb overigens niks tegen Amsterdam, al doe ik soms alsof, maar dat is om te plagen.'

Beeld Martin Dijkstra

Waarom is dit 'het eindboek'?

'Omdat ik in een vroeg stadium ontdekte dat het groot zou worden. Alles waar ik in mijn eerdere werk over schreef, komt terug in dit boek, maar dan puurder, heftiger. Ik heb geschreven als een...'

Hij pauzeert. 'Ik vind het vervelend, als ik eerlijk ben, want mijn manier van werken is niet de goede manier. Maar ik weet niet hoe het anders moet. Ik moet het eruit rammen, in één keer, en ik blijf maar gaan, ik blijf maar gaan.'

Drie maanden was je bezig, met een boek van meer dan vijfhonderd pagina's.

'Ik bedenk zoiets niet van tevoren. Toen ik het terugrekende, bleek ik in drie maanden 184 duizend woorden te hebben geschreven. Mijn uitgever geloofde het niet. Maar waarom zou ik jokken?'

Hoe begin je aan een boek?

'Bij het begin. Eerst draai ik een tijdje als een roofdier rond mijn laptop. Af en toe pak ik een boek uit de kast. Er komt een moment dat ik ineens een scène zie, heel duidelijk. Dat is het moment dat ik achter mijn computer ga zitten. En dan begin ik te rammen, en ik stop niet tot het af is.'

Hoe is jouw manier van schrijver te rijmen met een dagelijks bestaan?

'Moeilijk. Van het salaris van mijn vrouw en de inkomsten uit mijn boeken kunnen we niet leven. Ik moet dus ook lesgeven, in kickboksen, een paar avonden per week. Daarnaast werk ik twee dagen op een kantoor bij een internetbedrijf. Als ik zelf bezig ben met een boek, stop ik tijdelijk met die kantoorbaan. De enige reden dat ik het schrijven kan combineren met kickbokslessen, is omdat vechtsport mijn tweede natuur is.'

Boogers' boeken werden bijna zonder uitzondering uitstekend gerecenseerd, maar hij schreef nooit een bestseller. Zijn laatste novelle, Wanneer de mieren schreeuwen, ging over de 13-jarige Sedar Soares, die in 2003 in Rotterdam werd doodgeschoten na het gooien van een sneeuwbal. Boogers gaf het boek gratis weg als e-book, hij vond dat het gelezen moest worden.

Met andere schrijvers voelt hij zich nauwelijks verwant, niet alleen omdat hij in Vlaardingen woont, ook omdat het schrijverschap bij hem gewoon anders werkt. 'Gisteren was ik op een boekpresentatie in Amsterdam. Daar stond ik te praten met een paar schrijvers. Die hadden het over personages, verhaallijnen, inspiratiebronnen. Daar luister ik naar, en dan denk ik: ik herken me hier totaal niet in. Maar dat durf ik niet te zeggen, bang als ik ben om onprofessioneel over te komen. Ik wil niet zeggen dat ik zelf bijzonder ben, maar ik ben er niet op die manier mee bezig.'

CV Alexander (Alex) Boogers

Geboren op 14 juni 1970, in Vlaardingen.

1987 Mavo-diploma.

1987-1988 Krijgt een brommerongeval en breekt z'n rug.

1988-1990 Werkt onder meer als zwembadschoonmaker en beveiligingsbeambte, maakt meerdere middelbare opleidingen niet af.

1991 Havo-diploma (versnelde opleiding, 4 en 5 in één jaar).

1992 Vwo-diploma (versnelde opleiding, 5 en 6 in één jaar).

1993-1997 Studeert filosofie, Nederlands recht en Nederlandse taal- en letterkunde.

1999 Debuteert als M.L. Lee met Het boek Estee.

2002 Het waanzinnige van sneeuw.

2006 Lijn 56.

2006 Soumia Abalhaja wordt wereldkampioen thaiboksen, Boogers is haar trainer.

2007 Het sterkste meisje van de wereld.

2010 De tijger en de kolibrie (genomineerd voor BNG Literatuurprijs).

2012 Alle dingen zijn schitterend (Het beste boek van Rotterdam in 2013).

2013 Wanneer de mieren schreeuwen.

2015 Alleen met de goden.

Boogers woont met zijn vrouw, zoon en hond Bayang Junior (B.J.) in Vlaardingen.

Hoe wel?

'Ik zet geen lijnen uit, ik bedenk niet waar mijn boek over moet gaan. Ik probeer het schrijven zo lang mogelijk tegen te houden. Ik probeer goed te leven, voor mijn zoon, voor mijn vrouw. Maar dan voel ik de onrust opkomen. Al mijn hele leven word ik, net als Aaron Bachman, geplaagd door beelden. Fragmenten. Waar ik verbanden tussen probeer te leggen. Ik blijf malen, malen, tot ik denk: dát is het verhaal. Dat proces kan ik niet stoppen.'

Je wilt eigenlijk helemaal niet schrijven.

'Ik heb altijd geprobeerd om die drang om te schrijven te negeren, weg te duwen, te verliezen. Ik zou het kwijt willen, ja, in alle gevallen, behalve wanneer ik aan het schrijven bén. Want dan zit ik in een stroom - en dat voelt fijn, omdat ik nergens anders hoef te zijn. Maar alles ervoor, en alles erna, is een hel. Vooraf is het de onrust in mijn hoofd, achteraf het feit dat er met zo'n boek iets móét.'

Is schrijven een noodzaak?

'Dat klinkt zo gewichtig, maar weet je: het ís bij mij nu eenmaal zo. Ik spreek soms jonge schrijvers, dertigers. Die zijn zó gelukkig, zo op hun gemak in de wereld. Die glunderen bij de aandacht. Ze zijn gewoon blíj! Blij dat ze kunnen schrijven, blij dat hun mening belangrijk wordt gevonden, blij dat ze door tijdschriften en kranten worden gevraagd om stukjes te schrijven. Gisteren zei ik op die presentatie tegen een andere schrijver: al die bijzaken, columns, meningen, televisie, het is allemaal shit. Want niks telt, behalve de roman. De rest is niet waarachtig. Dat vind ik. Ja maar, zei die schrijver, ík besta schrijvend, en jij niet. Klopt. Maar ik wil geen shit maken. Ik wil ontroeren met mijn werk.'

En als je alleen dat soort werk maakt, kun je er niet van leven.

'Kennelijk. Nou, dan maar niet. Ik zal er geen boek anders om schrijven. Toen het boek af was, zei mijn uitgever (Joost Nijsen van Podium, red.) dat ik Birdman moest gaan zien. Boeiende film. Indrukwekkend. Eén scène bleef me bij. Een stem richt zich tot de hoofdpersoon, die na zijn succes in Hollywood een toneelvoorstelling op Broadway maakt, en zegt: je hebt miljoenen mensen naar de bioscoop getrokken, waarom maak je je druk? En hij zegt: miljoenen, dat betekent niks! Er komen miljoenen strontvliegen af op een koeienvlaai! Hij zoekt de erkenning in het kleine, in een toneelstuk op Broadway. Die erkenning, die kreeg ik met mijn boeken al. De erkenning van miljoenen niet. Als jij vraagt: wil je die? Dan zeg ik: nee, ik wil waarachtig zijn. Waarom zou ik die erkenning van miljoenen willen?'

Om te kunnen schrijven en niet twee dagen op kantoor hoeven zitten.

'Dat zou fijn zijn. Maar ik kan geen kunstje. Ik ben niet belangrijk, het boek is belangrijk. Ik weet niet welk boek hierna komt. Liefst even helemaal geen boek. Ik ben bezig de draad op te pakken van mijn leven, te kijken of ik weer een goede vader kan zijn en een niet al te klootzakkerige man voor mijn vrouw.'

Neemt zij je iets kwalijk?

'Nee, want ze kent me al sinds we 17 zijn. Dan had ze eerder moeten weggaan.'

Tijdens het schrijven belandde je twee keer in het ziekenhuis.

'De eerste keer kan ik me niet eens herinneren. Ik merk dat die drang om te blijven schrijven steeds erger wordt. Het is als een groeiend abces - als ik niet schrijf, spat het uit elkaar. Mijn zoontje kwam op wisselende tijden thuis van school, terwijl ik zat te schrijven. Ik merkte dat ik daar explosief op reageerde. Hij moest me niets vragen, niet of iemand kon komen spelen, niet of hij ergens naartoe mocht. Daarom ging ik elke ochtend naar een café in Rotterdam. Dat klinkt romantisch, maar het was het Douwe Egberts Café naast het Centraal Station, met tafels waar je een laptop kan inpluggen. Niet ouwehoeren, geen weltschmerz bespreken. Trein in, trein uit, zitten, rammen, laptop dicht, trein naar huis, naar de sportschool, lesgeven. Ik probeerde niet gek te worden door mezelf een strakke discipline op te leggen.

'Op de sportschool liep ik kilometers hard. Eerst 3, toen 6, toen 8, uiteindelijk steeds 12. Als ik mezelf fysiek helemaal uitputte, kon ik redelijk ontspannen lesgeven. En als ik daarna dan thuiskwam, was ik heel even rustig. Omdat ik zo moe was dat ik wel moest slapen. Tot de volgende ochtend, en dan begon het weer opnieuw. Ik leefde op blauwe bessen en havermout en viel in korte tijd 13 kilo af. Iets met mijn darmen, geloof ik, maar misschien waren het ook uitputtingsverschijnselen. Mijn vrouw heeft me naar het ziekenhuis gebracht. Toen ik weer thuis was, kreeg ik ineens een abces in mijn lies. Moest meteen geopereerd worden. Dat kan zomaar gebeuren, zeiden de artsen, dus ik weet niet of het iets met het boek te maken had. Ik baalde wel, want ik zat net in de laatste fase van het schrijven.'

Beeld Martin Dijkstra

Wat zei je vrouw?

'Niks. Die weet dat het geen zin heeft. Ze zei alleen: ik zie je morgen. Ik lag op de operatietafel met mijn armen gespreid, als een crucifix, en kreeg een narcosemiddel toegediend. Ik was niet meteen weg. Ik voelde het komen, ik voelde mijn hartslag lager worden. Dat moment - heerlijk. Eindelijk ontspanning.'

Boogers ging naar de mavo, daarna naar de havo, toen naar het vwo. Hij studeerde korte tijd filosofie in Rotterdam en debuteerde in 1999, onder pseudoniem, als M.L. Lee, met Het boek Estee. 'Ik ergerde me aan de schrijver als beroemdheid, en dacht dat ik, Alex Boogers, de tegenbeweging zou leiden. Het boek was goed en zou dus vanzelf ontdekt worden. Niet dus. Het boek was wel goed, maar het werd niet gezien. Ja, door een paar mensen, maar niet massaal. Misschien was ik naïef, waarschijnlijk wel. Maar ik ben liever naïef dan cynisch.'

Toen hij bij zijn tweede boek (Het waanzinnige van sneeuw, 2002) als zichzelf naar buiten trad, duurde het niet lang voor werd ontdekt dat Boogers uit een arbeidersmilieu afkomstig was, en bovendien een vechtsporter. 'Nog altijd word ik geïntroduceerd als de schrijvende kickbokser. Echt waar, joh? Mager. Echt mager. En ver van de waarheid. Ik ben namelijk nooit een kickbokser geweest. Ik brak mijn rug bij een brommerongeluk voor ik één officiële wedstrijd kon vechten. Maar ik weigerde op te geven, omdat ik naast die sport niks anders had. Ik ben trainer geworden, heb anderen opgeleid tot kampioenen.'

Denk je er wel eens aan hoe je leven was geweest als je toen niet achterop die brommer had gezeten?

'Dan was ik waarschijnlijk een vechtsporter geworden.'

Was je wereldkampioen geworden?

'Dat weet ik niet. Er hangt zo veel van het toeval af. Ik weet alleen dat ik niet had opgegeven. Ik had een poging gewaagd.'

Was je dan ook gaan schrijven?

'Ja, dat was onontkoombaar. Ik zat er nogal mee, want ik kon het met niemand bespreken. Mijn moeder is praktisch analfabeet, die is naar school geweest tot de vierde klas lagere school. Mijn vader is monteur en vrachtwagenchauffeur. Het zijn geen mensen aan wie ik mijn gedichtjes liet lezen. En aan mijn straatvrienden vroeg ik ook niet of ze interesse hadden in mijn nieuwste epistel, snap je? Zo was het niet. Wij hadden geen boekenkast thuis. Ik pikte boeken uit de bibliotheek. Of ik ging naar de enige boekhandel in Vlaardingen en bleef daar de hele dag. Ik wist niet wat ik zocht, ik kende geen schrijvers. Het maakte niet uit, als het maar woorden waren, pagina na pagina vol woorden.'

Toen zijn uitgever Alleen met de goden had gelezen, vroeg hij of dit Boogers' autobiografie was. 'Nee, zei ik. Hij wilde weten waarom het dan zo autobiografisch voelde. Ik denk: omdat de pijn, de vreugde en de eenzaamheid, echt zijn. Ik heb dat allemaal gevoeld, op momenten in mijn leven, maar die momenten zijn niet noodzakelijkerwijs dezelfde als in het boek. Dat nuanceverschil is belangrijk. Het is een roman, geen egodocument. Ik schrijf niet therapeutisch. Aan de andere kant kun je vragen: is de pijn van Aaron mijn pijn? Ja. Herken ik de weg die hij heeft afgelegd? Ook.'

Wat in ieder geval zo is: in Alleen met de goden komen alle elementen uit Boogers' biografie terug: het vechten, de fysiek en verbaal gewelddadige moeder, de afwezige vader, het schrijven. 'Maar nu ben ik er klaar mee, daarom noem ik dit het eindboek. Ik herhaal dat zo vaak, dat het op een gegeven moment misschien - hopelijk - ook echt zo is.'

Waar wil je dan klaar mee zijn?

'Met het continu beschrijven van hetzelfde gevecht. Het gaat steeds over gevoelige, misschien zelfs hypergevoelige jongens - mannen - in een onverschillige, harde omgeving. Dat mag wel een keertje klaar zijn. Ik wil ook wel eens, zoals die andere schrijvers, denken: waar zal ik nu eens over schrijven?'

Wie is Aaron Bachman?

'Een jongetje dat ik goed ken. In sommige opzichten is hij zwakker dan ik was. Soms is hij heldhaftig, en dan zou ik hem willen zijn, bijvoorbeeld om de vechter die hij wordt. Hij verenigt het beste van beide werelden, als de samoerai uit een bekende Japanse gezegde, die van de pen en het zwaard. In het westen kan dat niet: óf je zit met je schrijversvrienden in het café over gewichtige zaken te praten óf je bent een sporter. En als het wel samenkomt, zoals bij mij, wekt dat argwaan.'

Je moet je ooit hebben afgevraagd waar die drang om te schrijven vandaan komt.

'Zeker. Van mijn moeder komt het in ieder geval niet. Ze leest mij niet, we praten er zelfs niet over. Inmiddels is de band tussen ons goed. Omdat ze er is voor mijn zoon. Ze is een zeer aanwezige oma. Daar ben ik haar dankbaar voor.'

Maakt ze op die manier iets goed?

'Ja, voor mij wel. Ik heb haar vergeven. Mijn moeder was ongelukkig en verweet mij dat, haar enige kind. Ik had er beter niet kunnen zijn, zei ze, in verschillende variaties. Dat vormt.'

En van je vader komt die drang om te schrijven ook niet?

'Nee. Het is interessant: ben je wie je bent door je dna of door het milieu waarin je opgroeit? Of is het een combinatie? En is het een voordeel als je in een redelijk rauw milieu bent opgegroeid en zelf een tamelijk gevoelige natuur hebt? Heb ik, kortom, geluk gehad met mijn kutjeugd?'

Ze zeggen het: een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver.

'Ik ben een fucking wandelend cliché.'

Op zijn 15de kwam Boogers erachter dat zijn vader niet zijn echte vader was. 'Tijdens het uitgaan, kwam ik een nichtje tegen. Zij vroeg: hoe is het met je moeder en - en toen zei ze niet 'je vader', maar zijn naam. Hoe bedoel je, vroeg ik. O, zei ze, je wéét het nog niet! Ik zat niet in een milieu waarin je dingen kon vragen, dus ik vroeg niks aan mijn moeder.

In plaats daarvan zocht ik tussen de paperassen, tot ik mijn geboortecertificaat vond. Daar stond geen 'Boogers', maar de meisjesnaam van mijn moeder, achter mijn voornaam. Bij 'vader' stond een kruisje. In de marge stond iets gekrabbeld: in oktober 1971 erkend door - en dan de naam van mijn vader. Met dat certificaat ben ik naar mijn moeder gegaan. Ze klapte totaal dicht. Mijn vader durfde ik niet onder ogen te komen. We woonden in een klein flatje, ik hoorde ze praten. Zij zei: dat jong weet het, hoor. O, zei mijn vader. Daarna zat hij in de huiskamer de krant te lezen. Ik ging naast hem zitten, durfde hem niet aan te kijken. Hij zei: ik ben je vader, die andere vent heeft nooit voor je gezorgd. Als hij hier op de stoep staat, ben ik weg. Dat was het. Daarna is er nooit meer over gesproken.'

Beeld Martin Dijkstra

Je hebt je biologische vader opgezocht.

Weifelt. 'Ik was benieuwd, ik dichtte hem natuurlijk van alles toe. Hij bleek ondernemer met inmiddels een eigen gezin. Ik heb halfzussen met wie ik werkelijk niets gemeen heb. Het heeft me niet beter doen begrijpen wie ik was, of waarom ik schrijf.'

Was het een teleurstelling?

'Dat zijn van die woorden. Ook bij hem voelde ik geen herkenning; in die zin was het onbevredigend. Tegelijkertijd is het te ingewikkeld om het nu op tafel te leggen. Ik vind het ook vermoeiend, als ik eerlijk ben. Als je zo graaft, terwijl ik de antwoorden ook niet heb. De ontmoetingen met hem riepen allerlei emoties op: teleurstelling, maar ook berusting. Het was niet eenduidig. Eén ding had ik met hem gemeen: mijn drift. En die uit zich bij mij vooral in het schrijven.'

In 2010 schreef Boogers De tijger en de kolibrie, zijn vijfde boek. 'Ik kon geen vrij krijgen van kantoor, maar het verhaal moest eruit. Ik heb die roman, ik kon het achteraf narekenen, in 34 dagen en nachten geschreven. Dat heeft iets gedaan met mijn hoofd. Ik werd depressief, daarna, iets wat ik nooit eerder had meegemaakt. Ik had last van paranoia, kon de wereld niet buitensluiten, alle indrukken kwamen op me af als een denderende trein. Het was voor het eerst in mijn leven dat ik er niet zelfstandig uit kon komen. Ik ben er enorm van geschrokken.'

Omdat je vond je dat je het zelf moest kunnen oplossen?

'Ja. Er is niemand anders die het voor je doet. Nooit - dat heb ik geleerd in mijn leven. Daarom voelde dit als falen.'

Nog steeds?

'Rationeel weet ik dat ik moet zeggen van niet, maar stiekem voelt het wel zo. Medicijnen wilde ik niet, omdat ik bang was voor de gevolgen voor mijn schrijverschap. Maar ik ben met iemand gaan praten. Die man zei dat ik een flinke depressie had en dat ik leed aan paranormaal denken - wat betekent dat ik continu bezig was met het invullen van de gedachten van de ander. Ze denkt nu dit, dus zet ik nu een kalm gezicht op, en daarna zeg ik dit, waardoor jij weer dát denkt, et cetera. Waanzin.'

Als je een schrijver kon zijn die elke dag drie uur schrijft, zou je dat dan doen?

'Nee, want dan zou wat ik schreef niet zo puur zijn. Er is geen omweg, er is geen weggetje tussendoor. Voor mij is er alleen maar de confrontatie. Ik heb vanuit mijn jeugd geleerd om elk gevecht aan te gaan. Kom maar op. Als je nu tegen me zegt: wat als het volgende boek je de kop kost? Dan zeg ik: ben je gek, zo ver ga ik niet. Maar als ik er midden in zit, kan het me niet meer schelen, dan ben ik in vechtmodus. Dan denk ik: kom maar op.'

Je leeft verder heel gezond. Je drinkt bijna nooit, gebruikt geen drugs, je sport regelmatig, bent al sinds je 17de met dezelfde vrouw...

'En ik woon in een saaie plaats. Je hebt gelijk - ik ben Mister Ordinary. Dat moet wel. Anders kan ik de gekte niet de baas. Ik leef als een monnik. Op een Boekenbal drink ik wel eens een paar wijntjes, maar het raakt me niet, want ik vind het oninteressant. Er schuilt geen heldendom in. En dan zeggen mensen: wat weet jij van drugs, je hebt nooit iets gebruikt. Jawel: ik heb tien jaar terug twee weekeinden lang alle drugs gebruikt die ik kon vinden. Paddo's, mdma, wiet, hasj - gooi er maar in. Kom maar op. Het heeft geen grote indruk gemaakt. Ja, mdma is grappig, want je wordt er geil en knuffelig van, maar vervolgens kun je niks met die geilheid, want je mist de energie. Van paddo's ga je dingen zien die er niet zijn; de traptreden waren huizenhoog, ik was piepklein. Dat ging allemaal weer weg. Wat bleef waren paniekaanvallen. Wat een teringzooi. Daarna heb ik er nooit meer naar verlangd, maar ik weet in ieder geval wel wat het is en hoe het voelt.'

In One Flew over The Cuckoo's Nest ondergaat de hoofdpersoon een lobotomie, zegt Boogers. 'Zijn gekte wordt weggesneden, een soort zombie blijft over. Lang heb ik gedacht: als er bij mij een lobotomie zou kunnen worden uitgevoerd, waardoor die schrijvende gekte weggaat en ik elke dag opgewekt naar mijn werk ga, zou ik het meteen doen.'

Beeld Martin Dijkstra

En denk je dat nu nog steeds?

'Nee. Langzaam leer ik het omarmen. Omdat ik weet: het gaat nooit weg.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden