'Ik wil alleen maar thuis zijn'

Zelfspot, treurige seks en verbale vindingrijkheid: het zijn de ingrediënten van de romans van de ‘redelijk befaamd auteur’ Herman Brusselmans (52)....

Herman Brusselmans is net terug van een buitenlandse vakantie – en dat wil wat zeggen voor de man die zijn vrouw op huwelijksreis liet gaan met haar moeder. Reizen: niks voor hem. De Belgische schrijver is al bijna twee decennia niet verder gekomen dan Nederland. ‘Ik voel niet de drang erop uit te gaan om dingen te zien. Ik wil alleen maar thuis zijn.’

Tania moest dus even gaan zitten toen Herman dit jaar beloofde met haar op vakantie te gaan, voor het eerst in achttien jaar samenzijn. Waarheen? ‘Saint-Tropez’, flapte de schrijver eruit. Saint-Tropez: de magische badplaats waar iedereen die in Frankrijk iets betekende resideerde in de jaren vijftig, de plek van Brigitte Bardot en Alain Delon. Maar ja: wel 1.180 kilometer van zijn woonplaats Gent. ‘Je hoort mensen soms zeggen: ‘En toen sprong ik op het vliegtuig, voor een paar dagen New York.’ Ik denk dan: hoe werkt dat? Ik begin al maanden van te voren af te tellen: ‘Shit, straks naar Saint-Tropez, overleef ik dat wel?’

Zenuwachtig. ‘Helemaal nerveus.’

Het avontuur aan de Côte d’Azur heeft kort geduurd. Op maandag vertrok het echtpaar Brusselmans naar Saint-Tropez en op woensdag was het terug in Gent. ‘Dinsdag begon het te gieten. Het was 12 graden. Iedereen daar zei: ‘Dit hebben we in geen vijftig jaar meegemaakt.’ Alles was verzopen. En het zou nog een week zo blijven. Kortom: mijn smaak om te reizen heeft weer een deuk gehad.’

Voldeed Saint-Tropez nog aan je magische beeld? ‘Het is heel pittoresk, aan dat soort woorden moet je denken. Allemaal middeleeuwse straatjes. Ze rijden er als gekken. Overal in het zuiden, naar het schijnt. Op die dinsdag bezochten we een markt. Het wemelde er van de Nederlanders en de Belgen. Wat me ook opviel: er liep vooral een ouder publiek rond. Nu ben ik zelf ook niet meer zo piep natuurlijk, maar naar mijn idee stikte het daar van de oude mensen. Ik zeg tegen Tania: ‘Waar zijn de lekkere wijven van 18 jaar?’’

Later, ernstig: ‘Ik heb ervoor gezorgd dat mijn leven aan zo weinig mogelijk gevaren blootstaat. Door een schrijver te worden, die zijn werk kan doen in zijn eigen omgeving. Ik heb dat nodig. Vandaar dat ik in Saint-Tropez helemaal niet op mijn gemak ben. Ik wil naar huis. Daar is het veilig. Terwijl: in Saint-Tropez is het natuurlijk ook veilig. Ik zat daar niet in de Bronx tussen de gangs.’

In zijn laatste boek beschrijft Brusselmans een caféscène, met de zelfspot die zijn hele oeuvre kenmerkt. ‘Ik had de indruk dat ik alles onder controle had. Dit zou echter rap kunnen veranderen. Hoe te reageren als iemand binnenkwam met een Mauser-pistool in de hand, en wat te doen als die, zonder verdere poespas, om zich heen zou schieten?’

Het leven kan van de ene op de andere seconde omslaan. ‘Het kan altijd misgaan. Ik kan hier, thuis, een ongelooflijk geluksgevoel hebben, met mijn vrouw en mijn hond en toch denk ik tegelijkertijd: wat gebeurt er morgen weer? Ik vecht tegen dat gevoel. Tania vecht daar samen met mij tegen. Eigenlijk moet ze me honderd keer per dag verzekeren: geen paniek, alles is oké. ‘Er zou een knop op je hoofd moeten zitten die je af kunt zetten’, zegt ze vaak. Ik slik ook pillen, al 25 jaar. Maar ik mag er bijna zeker van zijn dat ik die onrust nooit kwijtraak. Als ik op de snelweg zit, denk ik altijd: die vrachtwagen gaat ons nú rammen.’

Het is een moeizame nacht geweest. Hondje Eddie – hij duikt geregeld op in de romans van Brusselmans – werd ziek. De schrijver zit altijd tot half 6 ’s ochtends achter de computer, maar nu bleef ook Tania tot diep in de nacht waken bij een piepende Eddie. De kleine lhasa apso springt intussen weer behoorlijk kwiek over de salontafel in de Gentse loft, maar Brusselmans blijft hem ongerust in de gaten houden.

Van werken kwam dus niet veel, afgelopen nacht, ook niet voor de schrijver die jaarlijks gemiddeld twee romans publiceert. 2009 is een jubileumjaar. In het voorjaar verscheen roman nummer 50, Mijn haar is lang, en nu ligt daar alweer nummer 51: Kaloemmerkes in de zep, Oost-Vlaams dialect voor kikkervisjes in de goot. Hierin leert ‘redelijk befaamd auteur’ Herman Brusselmans het ‘zesde mooiste meisje’ kennen dat hij ooit heeft gezien. Ze wordt zijn chauffeur en brengt hem naar een literair optreden in Nederland. Een onvervalste Brusselmans, grotendeels verzonnen maar met autobiografische elementen, vol zwarte humor, treurige seks en verbale vindingrijkheid. Waarin iedereen en alles wordt beledigd en belangrijke rollen zijn weggelegd voor Richard Nixon, The Cats, Yolanthe Cabau van Kasbergen en natuurlijk zijn vrouw, Tania de Metsenaere – de enige vrouw van boven de 39 die niet oud is in Brusselmans’ universum.

Twee boeken per jaar: een maniakale schrijver. ‘Compulsive hè. Het probleem is dat je de aard van het beest niet kunt tegenhouden. Moet ik hier op de bank blijven zitten en naar een fluttig televisieprogramma kijken als ik de drang heb om te schrijven? Dus ik ben weer begonnen aan een nieuw boek: De boot naar Zwitserland. Maar ik heb het druk, dus dat zal pas voor het najaar van 2010 zijn.’

Je kunt toch ook zeggen: ik doe eens een paar jaar over een roman? ‘Maar dan zit ik met een boek van duizend pagina’s!’

Niet als je nog eens drie keer nadenkt over elke zin en slijpt en schrapt.‘Nee, dat zitten priegelen aan een boek nee.’

Vorig jaar overleed je vader. In het verleden liet je weten dat je na zijn dood met een autobiografische roman over je jeugd zou komen. ‘Ik dacht vroeger: als ooit mijn vader sterft, als ooit mijn moeder sterft, dan maak ik de geschiedenis van die jeugd.’ Meteen: ‘Maar ik ga het niet doen. Alleen het schrijven ervan zou ik al deprimerend vinden. Omdat de stof zo deprimerend is. Die ellende. De tristesse, van al die jaren, de achterlijkheid van zo’n leven op het platteland in de jaren zestig.’

In zijn boeken is af en toe een glimp op te vangen van Brusselmans’ ouders. Zijn moeder, ‘een heilige’; zijn vader een verbitterde veehandelaar die zaken moest doen met boeren die weigerden de kettingen rond de halzen van de kalveren wijder te maken als ze opgroeiden.

‘Mijn vader moest zich conformeren aan slechte mensen’, heb je wel eens gezegd. ‘Ik wilde me nooit hoeven te conformeren.’ ‘Als schrijver heb ik in principe de vrijheid om tegen iedereen te zeggen: ‘Fuck off’. Dat is altijd belangrijk geweest voor mij. Mijn vader is eraan kapot gegaan dat hij tegenover debielen braaf en onderdanig moest zijn om toch maar een koe te kunnen kopen of verkopen. Terwijl hij ’s avonds zijn frustraties botvierde op zijn gezin.’

Op welke manier? ‘Agressie. Gooien en slaan. Dat ik een complete neuroot ben, stamt uit die tijd. Altijd die angst voor die vader en de wereld van de veehandel, met dat dierenleed en mensenleed. Een psychiater hoeft mij niet te vertellen: ‘We gaan je jeugd eens bekijken.’ Ik weet het zo wel.

‘Eigenlijk was mijn vader tegen alles. Tegen uitgaan, tegen plezier maken, tegen leukigheid. Hij richtte zich zeer eenkennig op zijn beroep, op die beesten. Dag en nacht was hij ermee bezig. Ontspanning bestond niet bij ons. Die moesten we stiekem zelf zoeken. Tot je op de leeftijd kwam dat je zei: ‘Mag ik niet naar de discotheek? Kus mijn kloten.’ Mijn broer was ook nogal een grote stevige jongen hè. Wat hij altijd bij ons had gedaan, konden we nu bij hem doen. Hij besefte: die gasten zijn 18, 20 jaar, ik kan ze niet meer aan.’

Wat gebeurde er toen de rollen omdraaiden? ‘Hij werd nog gefrustreerder hè.

‘Mijn moeder stierf in 1992, jong, op haar 61ste. Vanaf dat moment zag je mijn vader compleet verschrompelen. Zij zorgde altijd voor alles, voor zijn eten, de was en zijn plas. Toen ging de zaak ook nog eens failliet. Hij werd een zielige oude man. Dan moet je kiezen. Of je zegt: ‘Dat-ie zijn plan trekt, de klootzak.’ Of je zegt: ‘We gaan die man helpen.’ Hij kreeg suikerziekte, nierdialyse. Een wrak. Tania en ik hebben hem emotioneel en financieel gesteund tot hij overleed.

‘Wat voor type mijn moeder was kan ik moeilijk zeggen. Die vrouw is altijd onderdrukt, in haar jeugd, en later door zo’n moeilijke man. Potentieel zat er in mijn moeder misschien wel alles wat er maar mogelijk is.’

Je bedoelt: waren de omstandigheden anders geweest, dan had ze hoogleraar kunnen worden. ‘Misschien. Maar ook zij is, net als mijn vader, maar tot haar 13de naar school gegaan. Toen moest ze gaan naaien, in zo’n atelier. Haar vader was paardenhandelaar, met een café ernaast. Ze waren met twee zussen. Ik heb er foto’s van gezien: mooie jonge meisjes die in het café die geile boeren moesten bedienen. Een ongelooflijk triest leven. Daar heb ik soms last van hoor. Dan moet ik me verbijten dat ik voor haar niks meer heb kunnen doen. Mijn vaders leven heb ik toch tien jaar beter kunnen maken dan het was.’

Eddie kruipt op de bankleuning. Naast het raam staat de natuurstenen urn met de as van Woody, zijn geliefde voorganger – naast de computer van Brusselmans. De urn is naar deze veilige hoek verplaatst toen bleek dat Eddie alles ondersteboven liep. ‘We dachten: als Eddie Woody maar niet omver stoot.’

In je boeken beschimp je moslims, joden, negers, homo’s – noem maar op. Met de mensheid heb je weinig mededogen, met de dieren des te meer. ‘Als ik op straat een gevecht zie tussen twee mannen, zal ik me er niet mee bemoeien. Maar als iemand zijn hond slaat, ram ik hem omver.’

In Mijn haar is lang schrijf je over de blinde witte koe die vlak voor ze naar het slachthuis werd gebracht door het prikkeldraad brak. ‘Ik zie dat beeld nog voor me. De ongelooflijke kracht van dat beest. Ze ging door drie lagen prikkeldraad, waarbij ze zichzelf natuurlijk ongelooflijk pijn deed. Zo heb ik twintig, dertig, honderd beelden in mijn hoofd van dieren, uit mijn jeugd. Ik heb het meegemaakt, de slachthuizen en hoe die beesten behandeld werden. Hoe ze afgemaakt werden. Bij ons thuis werden de koeien goed verzorgd. Maar ik wist: over drie weken moeten ze naar dat verschrikkelijke slachthuis.’

Dat mededogen met de dieren zit duidelijk in je werk Onderbreekt: ‘Met mensen heb ik ook wel mededogen hoor. Ik ben de eerste om bedelaars wat te geven. Van de week loop ik een winkelstraat in om met Tania iets te kopen. Zit er een oudere moslimvrouw te bedelen. ‘Help, help’, zegt ze. Ik geef haar 2 euro, in zo’n kartonnen bekertje dat een paar meter voor haar staat. Komt er een straatveegmachine aan, met van die grote borstels. En ik begin me die sketch voor te stellen, van de vrouw die ineens haar kartonnen bekertje kwijt is. Enerzijds heb ik enorm mededogen met haar’

Maar anderzijds zit je nu te lachen. ‘Ik denk: is het nu echt nodig dat je zit te bedelen? We zijn hier in België. Platweg gezegd: trek leuke kleren aan en ga solliciteren. Heel cynisch. Snap je? Dat heb ik bij mensen.’

Denkt na: ‘Eigenlijk is het vreemd. Ik heb zelden sympathie met kinderen, terwijl die ook weerloos zijn. Tania en ik hebben de boot altijd afgehouden en elke keer als we met kinderen in aanraking komen hebben we daarover een groot gevoel van opluchting. Van: pfoe, die ellende hebben we niet over ons hoofd getrokken. In kinderen zit vaak al de egoïstische smeerlapperij van wat een mens kan zijn.

‘Al die verwende etters die in de watten worden gelegd en een soort statussymbool zijn. Dat begint al met de naam, die moet speciaal zijn. Iemand uit je kennissenkring krijgt een kind en dan duurt het twee jaar voordat ik die onmogelijke naam kan onthouden. En daarna moet je elke keer nog bedenken: is het nu een jongen of een meisje? Want dat zegt die naam niet. Noem je kind gewoon Herman. Een fantastische naam.’

Halverwege zijn lange bureau, dat loopt tot aan de open keuken, staan twee kleine ingelijste foto’s, van een oudere man en een oudere vrouw.

Zijn dat je ouders? ‘De vrouw was een buurvrouw van ons, die haar hele leven nooit meer tegen mijn vader had gezegd dan ‘goeiedag’ en ‘goeieavond’. Toen mijn moeder stierf, overleed in diezelfde maand haar man. Die twee zijn eigenlijk een stel geworden. Ze is een maand voor hem overleden.’

Mooi dat je die foto van haar hier hebt staan. ‘Toen ze is gestorven, hebben we haar foto neergezet. En een maand daarna die van mijn vader.’

Dan: ‘Al met al ben ik een softie hè, als het erop aankomt. Maar niet als schrijver. Als je gebruikmaakt van de humorbranche moet je geen regels kennen, geen wetten. Natuurlijk is mij wel een grens gelegd met dat proces van tien jaar geleden. Wat ik ongelooflijk jammer vind, want ik zou nog veel harder en veel smeriger over iedereen willen schrijven.’

Hij doelt op het proces dat de Vlaamse mode-ontwerper Ann Demeulemeester tegen hem aanspande, nadat hij haar een paar keer op ouderwets-Brusseliaanse wijze had beschreven in Uitgeverij Guggenheim (1999). ‘Een dwergpoliep met puitenogen en haar van op haar pruim tot op haar rug.’ De rechter oordeelde dat de auteur de ontwerpster opzettelijk had gekwetst.

Waarom zou je over iedereen nog veel smeriger willen schrijven? ‘Omdat ik het leuk vind. Het begint vaak met een zin. Ik ben nu bezig met een column voor Humo. Ineens bedenk ik: kutten stinken naar pies. Da’s een zin, daar kun je iets mee. Dan schrijf ik een hele column over ruikende kutten. Waarom niet? Dat is wat in me opkomt.’

Later: ‘Ik heb duizend boeken in me, zonder dat ik iets beleef. Ik kan iets verzinnen en het komt wel. Dat is de aangeboren drive van de echte schrijver.’

Het kan ook leiden tot eindeloos geouwehoer. ‘Eindeloos geouwehoer vind ik fantastisch. Van mij hoeft het echt niet ergens over te gaan.’

Is het frustrerend dat je nooit een literatuurprijs hebt gewonnen? Brusselmans reikt de krant De Morgen aan die voor hem ligt, op een kaarsrecht stapeltje dagbladen. ‘Kijk, ze hebben een vooruitblik op het literaire najaar: de tien boeken om naar uit te zien. Sta ik niet bij. Daar kruip ik niet huilend van in een kuil, maar toch vraag ik me af: waarom sta ik daar niet bij? Hetzelfde geldt voor die prijzen.

‘In alle bescheidenheid: er zijn maar weinig schrijvers zoals ik. Ze kunnen me niet in een traditie plaatsen. Wie heeft er nu een oeuvre van vijftig boeken die vol bullshit staan en die veroordeeld zijn tot het predikaat: het is altijd hetzelfde boek? Wat niet waar is, maar goed.’

Herman Brusselmans past alleen in zijn eigen traditie. ‘Eigenlijk wel.’

Hij verschuift secuur de slordig weggelegde krant.

Meteen die krant weer rechtleggen. ‘Neurotisch hè.’ Hij wijst naar een strak rijtje voor hem op de salontafel: twee telefoons en een afstandsbediening. ‘Die dingen moeten ook altijd precies op volgorde liggen.’

Wat heb je eigenlijk met Yolanthe Cabau van Kasbergen? ‘Ik hou van de platte cultuur, daar kom ik vandaan. Zo’n Yolanthe Cabau van Kasbergen is niet de allerbeste actrice aller tijden en blijft ook nog eens hangen aan gasten als volksmuzikant Jan Smit en nu weer Wesley Sneijder, die ook geen blik in zijn ogen heeft alsof hij meteen professor in de technologie is. Yolanthe, denk ik dan, je zou eens drie weken bij moeten wonen. Ik ga je leren boeken lezen, ik ga je alles leren. Ik heb een Pygmalion-reflex, richting dit soort meisjes.

‘Overigens: Jan Smit heeft toch ook wel een paar goeie nummers gemaakt – in zijn genre.’

Hij schiet in de lach. ‘De Belgische komiek Gunter Lamoot zegt altijd als hem wordt verteld dat iets goed is in zijn genre: ‘Auschwitz was ook goed in zijn genre.’’

Eddie begint verwoed te keffen. Tania zweeft binnen. Een briesje Vlaamse schoonheid, in een zwarte jurk, een Chanel-tas aan haar arm – ze werkte vroeger in de mode. Tania is net naar de garage geweest met haar Porsche Carrera.

Tegen Herman: ‘Ik heb die vierdeurs daar gezien’

Herman: ‘Aha, de Panamera.’

Tania: ‘Die is echt schoon. Een droom hè.’

Herman: ‘Tania is verliefd op onze Porsche en ik niet. Als ik naar Nederland moet voor een optreden ga ik met een chauffeur in zo’n Opel-busje. Ik zit achterin, want dan zie ik het verkeer niet en voel ik me veiliger.’

Jij was toch altijd zuinig, omdat je je vader failliet hebt zien gaan? ‘Het is bij mij niet alleen: veronderstel dat je ooit eens geen geld meer hebt. Maar ook: ik zie het verschil niet tussen een T-shirt van 10 euro of van 200 euro.’

Ik denk dat Tania het verschil wel ziet. Tania lacht hardop, in de open keuken.

Herman: ‘Als je geduldig bent als vrouw krijg je altijd je zin. Elke dag keek ze op internet: ‘Nou, da’s toch een mooie Porsche.’ Op een gegeven moment zei ik: ‘Koop die Porsche.’ Dan kan het me ook niks meer schelen wat die kost.’

Het contrast tussen de zwartgallige hoofdpersoon uit je boeken en de vriendelijke man die hier op de bank zit is groot. Tania: ‘Ik vind er niet zo’n heel groot verschil in zitten hoor.’

Herman: ‘Zij maakt natuurlijk van alles met me mee. Zoals vannacht met die hond. Ik denk direct: hij gaat sterven. En dan gooi ik er dingen uit die ik eigenlijk niet zou moeten zeggen.’

Tania: ‘Ik had Eddie gisteren een pilleke gegeven, om te ontwormen. En dan roept Herman in zijn paniek: ‘Je hebt hem te veel gegeven!’ Toen we pas samen waren, was ik helemaal onder de voet van dat soort opmerkingen, nu weet ik het te plaatsen.’

Herman: ‘Tania is de vriendelijkheid zelve, een heel lieve vrouw, maar we hebben wel allebei dat cynische trekje van: die deugt niet en die deugt niet. We kunnen ons de hele avond amuseren door naar de televisie te kijken en iedereen uit te schelden. Zoals afgelopen week die Tygo Gernandt’

Tania: ‘Óóóó.’

Herman: ‘De grote jonge god van de film, die in de De Wereld Draait Door bezopen allerlei onzin zat uit te kramen. ‘Wat een lul en wat een fakegast’, roepen we dan. ‘Dat haar, moet je dat haar zien.’ Zo zitten we dan te fulmineren. Natuurlijk heb ik iemand nodig die dat ook wel in zich heeft.’

De licht vileine inborst. ‘Mocht zij kunnen schrijven, dan zou ze dezelfde boeken schrijven als ik.’

Tania was toch ook zo kwaad op Ann Demeulemeester, na dat proces? ‘Ze heeft al haar kleren van Ann Demeulemeester weggegooid.’

Wel zonde. ‘Enorm zonde. Haar halve klerenkast was leeg.’

Tania: ‘Nooit iets tegen Porsche beginnen, schat.’

Herman: ‘Porsche is fantastisch.’

Toch: je wereld is klein. Dat is Tania, en de hond. ‘Ik heb een heel kleine wereld. Ik zeg niet gemakkelijk: ‘Jij bent mijn vriend dus jij mag nu komen eten.’ Liever niet, eigenlijk.

‘Als ik terugdenk heb ik geen spijt van de beslissingen waardoor ik nu in een beperkt wereldje leef. Vijf jaar lang zat ik elke dag in een stamcafé. Elke dag bezopen, elke dag twintig whisky-cola, elke dag meisjes met minirokjes. Stel dat ik daar nu nog zou ziten. Starend naar die minirokken, whisky-cola drinkend tot je dronken van je kruk dondert. Dat zou erg droevig zijn hè.’

In je boeken klinkt door: als ik me maar genoeg afzet tegen de mensen, hou ik ze op een afstand. ‘Ik wil mezelf wel afschermen. Hoe dan ook.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden