Ik was op de vlucht voor de drukte; nu ben ik dat weer

Cultuurfilosoof Ton Lemaire (1941) woont in z’n eentje in een boerderij in Frankrijk. Hij schreef een boek over de mens die er maar op los leeft....

Weet u wat twitter is?‘Ik vermoed dat ik weet wat het is, maar ik weet het niet zeker.’

In 140 tekens vertel je waar je zit; of wat je denkt.

‘Eenzijdig een boodschap de wereld in sturen: getverderrie. En het wordt ook nog gezien als buitengewoon belangrijk waarschijnlijk.’ Resoluut: ‘Ik laat me niet allerlei behoeften aanpraten. Ik heb geen internet, e-mail, geen mobiele telefoon. Het is me erg aanbevolen, omdat ik hier zo geïsoleerd zit. Maar ik neem een computer als ik eraan toe ben. Over een jaar misschien. Over tien jaar. Of misschien nooit.’

Ineens schiet cultuurfilosoof Ton Lemaire overeind, loopt in drie snelle passen naar het raam van zijn kleine boerderij. ‘Ik kan normaal goed tegen natuurgeluiden’, zegt hij, ‘Maar zo’n vervelende bromvlieg die tegen de ruiten zit’ Hij pakt zijn zakdoek, vouwt de stof zachtjes over het zoemende insect en laat de vlieg buiten los, op zijn Zuid-Franse domein, 14 hectare heuvel, midden in het bos.

De schrijver woont nu twintig jaar in deze oase in de Dordogne, op 7 kilometer van het plaatsje St. Astier. ‘Dit heeft mij gered. Ik ben gillend uit Nederland vertrokken. Hier heb ik een buffer om me heen van natuur en rust. Anders was ik ten onder gegaan.

‘Ik ben een ecologisch vluchteling. Ik heb zo geleden onder de vernietiging, de kaalkap van het Nederlandse landschap. Al op mijn 17de stuurde ik ingezonden brieven naar de krant. Geen hond die daarop lette natuurlijk. Ik heb zoveel meegemaakt. Dat er een autobaan werd aangelegd, dwars door de prachtige bossen waar ik als kind zo aan gehecht was. Daar kom ik nooit meer. Nooit meer. Dat is een litteken voor altijd. Als ik eraan denk, begin ik bijna te janken.’

Begrijpt u dat de buitenwereld het vreemd vindt dat iemand zich de teloorgang van de natuur en het landschap zó persoonlijk aantrekt?

‘Ja, dat vinden ze vreemd.’

Veel mensen hebben een teflonlaag op hun ziel, om zichzelf te beschermen.

‘Dat is juist het erge. Ik wil door die teflonlaag heen gaan, dat is de strekking van mijn boek. Ik vind het wel symbolisch om over teflon te spreken. Teflon is waarschijnlijk een giftige stof.’

De telefoon rinkelt. ‘Hallo, bonjour’, zegt Lemaire. ‘Hè!’ Hij gooit de hoorn erop.

Wat was dat?

‘Reclame. Via de telefoon. Dat doen ze hier ontzettend veel. Dan ben je druk met iets bezig en moet je dat gezwets aanhoren. Kan ik me zo kwaad om maken.’

De vroegere docent van de universiteit van Nijmegen schreef originele boeken (veertien in totaal) over liefde en verliefdheid (een filosofische bestseller), vogels, indianen, de paddestoel, het landschap. Maar het belangrijkste thema in zijn werk zijn de sociale en ecologische problemen in de wereld, als gevolg van het streven naar almaar meer welvaart. De val van Prometheus heet zijn nieuwe boek. Een fel, dik boek over de keerzijden van de vooruitgang, met als kern: de westerse mens, geobsedeerd door economische groei en verslaafd aan consumptie, leeft erop los alsof er een tweede planeet klaarstaat – we zijn bezig collectief zelfmoord te plegen.

Ton Lemaire waarschuwt de wereld voor de laatste keer. Dat was de indruk die ik kreeg.

‘Ik had het gevoel dat ik het moest doen. Dit is mijn taak, dit is mijn boodschap. In dit boek is ook mijn wanhoop tot uiting gebracht. Hoe weinig fundamenteels er gebeurt om het kapotmaken van de aarde te stoppen.’

Het is een scherp boek; u zet uw voorbeelden zwaar aan. Door bijvoorbeeld insecten mee te rekenen bij de miljarden dieren die volgens u jaarlijks worden doodgereden.

‘Insecten zijn ook dieren, alleen vinden de meeste mensen het erger als er een ree wordt doodgereden dan een spin. En ook zonder dat ik insecten meetel komen er elk jaar wereldwijd miljarden beesten om in het verkeer. O ja hoor. Maar waarom zou het boek niet scherp mogen zijn?’

Het komt aan als een mokerslag.

‘In godsnaam, ja. Moeten de mensen worden ontzien? Waarom moeten mensen doorgaan in de verdringing van het onaangename? Een dosis pessimisme is ook een dosis realisme.’

Dan: ‘Is het goed als we even onderbreken? Ga ik erwten plukken en doppen.’

Lemaire wandelt naar zijn moestuin, achter zich zijn schaduw, hond Tessa. Hij eet eieren van zijn eigen kippen en honing van zijn eigen bijen. Het hout om zijn huis te verwarmen zaagt de cultuurfilosoof met de hand, van de bomen op zijn glooiende terrein. Brood maakt hij zelf. Gras maait hij met de zeis. Naast de wc staat een emmer regenwater, om mee door te spoelen. De was doet hij op een wasbord, met regenwater dat hij opvangt en waarmee hij ook zijn tuin besproeit.

Het is warm, die typische, broeierige warmte van de Perigord. Geen zuchtje wind. De cicaden maken hun zware geluid. ‘Ik hoor liever krekels’, zegt Lemaire. ‘Die snerpen niet zo.’ In de verte kakelen Lemaires kaalnekkippen.

De vogels fluiten, de bijen zoemen, de zwart-wit gevlekte landkaartjes vlinderen in cirkels om de struiken. ‘Summertime’, zegt de schrijver, terwijl hij de erwtjes dopt aan de grote betonnen tafel met uitzicht op een groene vallei – nergens een huis te zien.

Hoe is het in de winter?

‘Psychisch is het zwaar. Als je zo dicht bij de natuur woont, tellen de seizoenen des te meer; alles komt sterker over. Het kan dagenlang grijs, somber, kil zijn. Steenkoud. Regen. Dat werkt op mijn humeur hoor. En ik had niet voorzien dat ik hier alleen zou komen te zitten.’

Hij woont al dertien jaar in zijn eentje, op zijn afgelegen boerderij. Twee korte relaties mislukten. Lemaire kwam met een oud-studente. ‘Ze ging weg na zeven jaar; ze had zich te jong en te vroeg teruggetrokken. Toen heb ik het erg moeilijk gehad. Buitenstaanders denken vaak dat ik een geboren kluizenaar of een eenzaat ben. Dat is absoluut niet het geval. Ik zou veel liever een relatie hebben, dat is een groot gemis.

‘Vanaf mijn 25ste was mijn utopie om mij in Frankrijk terug te trekken met een groep. Toen had ik nog romantische ideeën over een ecologische, socialistische samenleving. Dat ik dit in mijn eentje nog volhou, is een brokstuk van die utopie.’

Waarom houdt u het vol?

‘Dat is een vraag die je niet verwacht.’

Nouzo enthousiast klinkt u niet.

‘Waarom hou ik het vol? Omdat ik denk: goddorie, ik laat me er niet onder krijgen.

‘Aan de andere kant: het is zeer bevredigend als je je eigen hout in je eigen kachel in je eigen huis kunt stoken. Ik geniet elke dag met volle teugen van de natuur en de schitterende omgeving. Ik zou niet meer kunnen wennen in Nederland, waar ik tegelijkertijd ontzettend aan ben gehecht. Om het dramatisch te formuleren: ik ben weggegaan uit Nederland omdat ik zo van Nederland hou.’

In 1990 belandde Lemaire in een diepe crisis. Hij gaf cultuurfilosofie aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen: ‘Uiteindelijk kwam ik altijd bij dat fundamentele probleem terecht. We zitten als westerse samenleving op een doodlopende weg – zelfs in mijn zintuigen ervoer ik dat. Daardoor kon ik heel gedreven college geven, maar die lessen grepen mij erg aan. Ik liep vast in mijn denken.’

Hij woonde hij op een boerderij, aan de rand van de Peel. Dat had een idyllische plek kunnen zijn – als de mensen zich er niet mee hadden bemoeid. De ruilverkaveling rukte op. Met ingehouden woede bekeek hij de gifwagentjes die rondreden over de akkers, ‘sproeiers van tien meter breed’. De doodklap: ‘We bleken in de aanvliegroute van een militair vliegveld te zitten. Om zeven uur ’s ochtends begonnen die krengen te starten. Niets zo erg als het geluid van een laag vliegende straaljager.’

Hij raakte overspannen. Tot zijn ‘stomme verbazing’ werd hij volledig arbeidsongeschikt verklaard. Een psychologisch instituut constateerde een diepe depressie. ‘Ik heb het met beide handen aangegrepen. Ik voelde me zo bevrijd dat ik weg kon.’

Datzelfde Nederland maakte het u mogelijk hier te gaan wonen; de inwoners betalen uw uitkering.

‘Dat weet ik heel goed, dat weet ik heel goed.’

Heeft u daar geen moeite mee?

‘Ik zie geen uitweg. Ik zit in die maatschappij. Het is van een hopeloze tegenstrijdigheid, beklemmend bijna. Maar het is niet zo dat ik zeg: ik heb het hier leuk en ik werk lekker wat in de tuin. Ik ben nog steeds erg betrokken bij Nederland. Door erover te schrijven en kritiek te leveren doe ik iets terug. Ik lees me te pletter, blijf goed op de hoogte van het wereldnieuws en ga daaronder gebukt. Ik heb een sterk gevoel voor het tragische.’

Een soezerige middag breekt aan. De stilte is weldadig. Lemaire schenkt een aperitief, een zelfgemaakte notenwijn. Hij neemt een glaasje sap van de wortels van de gele gentiaan. ‘Goed voor de maag.’

Bent u hier minder nerveus geworden?

‘Iets minder. Maar ik ben heel gauw opgewonden, of uit mijn evenwicht. Daar moet ik mee leren leven.’

Begrijpen uw Nederlandse vrienden hoe u hier woont?

‘Sommigen hebben er affiniteit mee. Die bewonderen en benijden mij misschien. Maar ik beweeg me niet uitsluitend in kringen van milieufanatici. Ik ga niet alleen om met mensen uit mijn eigen straatje; ik kom ook in aanraking met andersdenkenden.’

Hij zet de erwten op tafel, aardappels uit de eigen tuin, in de schil, sla, net geplukt.

‘Soms is het beter voorbeelden te geven dan van alles te roepen. Bezoekers zien hoe ik leef en doen toch ideeën op. Ze merken domweg als ze bij mij eten: wat heeft het allemaal veel smaak, zo vers uit de grond.’

Het is gemakkelijker hier zo te leven dan in Nederland.

‘Dat is niet waar. In Nederland woonde ik ook op een boerderij, toen ik nog een volledige baan had. Fietste ik zo veel mogelijk. Hield ik ook kippen en bijen.’

Toch iets anders dan ecologisch proberen te leven op een flat in de Bijlmer.

‘Zelfs dan is het mogelijk om een leven te leiden van vrijwillige eenvoud, zoals ik voorsta in mijn boek. Maar het vergt wel enige moeite.’

Zou het niet overtuigender zijn als u uw ideeën predikte vanuit Nederland, vanuit de samenleving zelf?

Fel: ‘Ik zit in die samenleving! Zij het aan de rand. Ik verzet me ertegen dat ik soms word afgeschilderd als een zonderling in het bos. Elk jaar kom ik wel een keer in Parijs, en een paar dagen in Amsterdam. Twee keer per week doe ik boodschappen in St. Astier. Dat heeft toch bijna zevenduizend inwoners, een stad, voor Franse begrippen. Daar maak ik volop mee wat de consumptiemaatschappij is. Zie ik de jongeren staan met een mobieltje in de ene hand en een sigaretje in de andere hand.’

U bent hier veel alleen. Ga je dan de rest van de wereld niet steeds meer zien als de boze buitenwereld?

‘Dat risico is er. Maar daar ben ik me ook sterk van bewust.’

Vanuit het niets: ‘Hoor je dat verkeersvliegtuig?’

In de verte.

‘Je zult het niet geloven, want het is nu een mooie stille dag, maar vaak is het helemaal niet zo stil. Vliegtuigen. Boeren met tractoren. Als de wind verkeerd staat, hoor ik zelfs het verkeer van St. Astier. Maar het allerergste is: er zit daar een grote politieschool. Die helaas veel oefent. Met knallen van geweerschoten en granaten. Ik ben een geluidsneuroticus. Ik schrik me te pletter van een straaljager. Dat voel ik in heel mijn lijf.’ Hij kijkt naar de vallei, het eindeloze groen. Plotseling: ‘Ik vind de geluidshinder hier zo erg, dat ik besloten heb om weg te gaan. Ik heb vorige week mijn huis verkocht.’

Nee.

‘Ik heb een nieuw huis gekocht, 60 kilometer verderop. Mooier dan deze plek is niet te vinden, maar ik doe het in ruil voor de rust. Negenennegentig van de honderd mensen begrijpen er niks van. Die vinden het hier zo verschrikkelijk stil. Die zijn sowieso al verdoofd, door het gedruis in hun omgeving. Ik ben uit Nederland weggegaan, op de vlucht voor de drukte, en nu ben ik weer op de vlucht. Ik word achtervolgd door datgene wat ik wil ontlopen.’

Er valt niet te ontsnappen aan

‘...de destructieve kant van de vooruitgang. Er gaan ook vliegtuigen over de meest afgelegen gebieden ter wereld. Zelfs de eskimo’s hebben te maken met de gevolgen van ddt. En overal op de Mount Everest ligt plastic rommel van de bergbeklimmers.’

Hoe lang kunt u vluchten?

‘Dat is de rode draad in mijn leven: ik ben op de loop voor de keerzijden van de vooruitgang.’

In huis gaat de telefoon. Mopperend komt hij terug. Weer die reclame. ‘Maar ik saboteer ze – op mijn manier.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden