'Ik walg niet meer zo van mezelf als vroeger'

'Aan nederlagen geen gebrek', heet het brievenboek van Arnon Grunberg. Wilma de Rek sprak met hem over schaamte, intimiteit en de grens tussen privé en publiek.

Beeld Sanne De Wilde

'Hanne. Wat een dag. Vond jij dat ook? Ik ben zo moe. Ik mis je', schrijft Arnon Grunberg op 2 februari 1993 om twee uur in de ochtend aan Hanne Lijesen, de vrouw op wie hij dan verliefd is. 'Hanne. Ik wil je zo snel mogelijk weer zien. Mag dat. Kan dat. Is dat toegestaan. Ik kan nu niets anders meer schrijven. Ik vind je lief. Ik denk aan jou. Ik heb daar geen andere woorden voor dan deze oude woorden. Ik vind je lief. Ik denk aan jou.'

Het is een sobere brief, eentje die niets anders beoogt dan de inhoud ervan (jongen mist meisje) overbrengen aan degene aan wie ze is geadresseerd. En ze valt op, deze brief, juist omdat ze zo simpel en gewoon is. De meeste brieven in Aan nederlagen geen gebrek - Brieven en documenten 1988-1994 die Grunbergs inmiddels gepensioneerde uitgever Vic van de Reijt bijeenbracht voor Privé-domein nummertje 289, vorige week verschenen bij De Arbeiderspers, lijken geschreven in het volle besef van een toekomstige publicatie. Goed, de jonge Arnon Grunberg (februari 1971) zeurt, dramt en mekkert er tegen zijn kennissen, vrienden en vooral vriendinnen op los, maar hij doet dat op hoog niveau. Hij onderzoekt en analyseert zichzelf en zijn omgeving in een superieure, intelligente stijl die je niet verwacht bij een jochie van rond de 20 dat hunkert naar aandacht en erkenning en nog niet is doorgebroken als schrijver. Zelfvertrouwen over dat schrijverschap is er al wel. Aan zijn eerste vriendin Rosie Mastenbroek, 17 november 1992: 'Ik ben de jongen die over vijfenveertig jaar de Nobelprijs zal winnen'.

Bijna een kwart eeuw hoort Grunberg bij de beste schrijvers van Nederland en is hij geliefd columnist voor de Volkskrant, VN, de VPRO-gids en Het Parool.

De jongen die over 26 jaar de Nobelprijs zal winnen, bestelt een glas muntthee in het Ambassadehotel in Amsterdam, de plek waar hij woont als hij in Nederland is en niet in het huis van zijn vorig jaar overleden moeder verblijft, of bij zijn vriendin Roos - die nog in de luiers lag toen Grunberg het merendeel van de nu gepubliceerde brieven schreef.

Grunbergs favorieten

Grunbergs favoriete Privé-domeinen: Gustave Flaubert: Haat is een deugd; Alma Mahler: Mijn leven; Gerrit Komrij: Verwoest Arcadië; Edmund en Jules de Goncourt: Dagboek. 'En de allermooiste: Henry de Montherlant: Spelen met stof, met een zin die ik nooit zal vergeten: 'Je weet nooit of het avontuur van je leven niet op de volgende straathoek zal beginnen. Alleen daarom moet je naar die straathoek gaan.''

In de inleiding bij de brieven heb je het over 'degene die ik toen was'. Kijk je naar je vroegere ik als naar een ander mens?

'Het is vervreemdend. Heel veel dingen vind ik herkenbaar. Ik ben minder snel gepikeerd dan toen, minder agressief, tegen bepaalde mensen hoef ik me niet meer af te zetten. Maar ik kan mijn huidige zelf niet loskoppelen van de jongen van destijds. Bepaalde gewoontes zijn er nog, het basisgevoel is hetzelfde gebleven. Ik was altijd geneigd te denken dat identiteit iets is waarmee je kunt spelen en dat je kunt kneden en ook wel kunt veranderen; maar toen Vic me die brieven had gegeven en ik ze teruglas, dacht ik: wat ben ik eigenlijk weinig veranderd.

'Je bent natuurlijk ook in verliefdheden anders, wat voorzichtiger, je hebt jezelf meer in bedwang. Emoties zijn er nog wel, maar ze nemen je niet meer zo fataal over als toen. Dat is eigenlijk het grootste verschil. Als ik mijn brieven teruglees, denk ik: ik kon echt meegesleept worden door emoties. Ik denk dat je gaandeweg leert om iets beter... nou ja, misschien ook niet, misschien is het een illusie, er zijn altijd weer momenten dat je wordt overmeesterd door emoties.'

Uit het voorwoord: 'Verder heeft het voordelen voor een auteur om bij leven al iets uit een begraven verleden te publiceren. Hij kan hier en daar nog iets rechtzetten. De nadelen zijn evident: hij moet leven met schaamte. Maar dat moest hij misschien toch al.'

Grunberg deelt zijn fascinatie voor schaamte met socioloog Joop Goudsblom (1932), met wie hij bevriend is en die eens schreef dat de schaamte bij Grunberg zo diep zit 'dat hij uitzonderlijk ver durft te gaan om die schaamte te trotseren'.

'Goudsblom had vroeger een schaamteclubje waar ook psychiater Louis Tas deel van uitmaakte. Toen ik de leeftijd bereikte waarop ik daarbij had gekund, was Tas al dement, niet lang daarna is hij gestorven. Maar schaamte is inderdaad een belangrijk thema. Een psychiater zei laatst tegen me: jij schrijft dingen op die sommige mensen pas durven te vertellen als ze in therapie zijn.'

Wanneer begon die schaamte een rol te spelen?

'Al heel vroeg. Kinderen zijn meedogenloos. Ik schaamde me als ik bij mijn moeder op de fiets zat, ik schaamde me voor mijn kleding omdat ik voelde dat die niet voldeed aan de norm. Ik vond mijn haar heel erg, het was een enorme bos krullen en kinderen zeiden dat ik een vogelnestje had, dus ik kamde het achterover met heel veel gel, het zag er niet uit. Ik schaamde me dat ik zo'n oude vader had, ik schaamde me dat ik me schaamde dat ik zo'n oude vader had - de schaamte over de schaamte, het loyaliteitsconflict dat ook bij schaamte hoort. Op de middelbare school schaamde ik me voor mijn rugzak, en voor de appel die mijn moeder me meegaf en die in zo'n zak van het reformhuis zat, waar mijn moeder brood kocht.

'Het dieptepunt was toen ik in de brugklas of de tweede zat en mijn moeder met zo'n zak de klas binnenkwam omdat ik mijn appel was vergeten. Je wilt op die leeftijd zo zelfstandig mogelijk overkomen en opeens word je gereduceerd tot een hulpbehoevend kind. Dan kun je nog zo'n grote mond hebben, op dat moment val je door de mand.'

Volgens Goudsblom is het gekke aan schaamte het dubbele: je wilt jezelf verbergen, maar doet het tegenovergestelde en maakt jezelf juist zichtbaar. Laat jij daarom je intiemste zelf zo gemakkelijk zien?

'Ik ben aan toneel gaan doen om die schaamte te overwinnen, ermee te spelen. Toneel was mijn redding, een manier om op een gecontroleerde manier alles te laten zien. Schrijven is dat ook. Daar kan het. Dat deze brieven nu in een boek staan, heeft ook iets veiligs, de boekvorm schept afstand.'

Heb je wel een privégedeelte in je leven, of mag iedereen alles zien en weten?

'Er is ook wel een soort privé, iets wat van mij is. Dat zit in een bepaalde onbevangenheid, frivoliteit, speelsheid, in grapjes die ik maak; je hebt een ander soort verstandhouding met iemand met wie je bevriend bent. Maar er zijn niet zoveel dingen waarover ik niet zou durven schrijven, eigenlijk, of waarover ik zwijg. Hooguit omdat iemand anders het niet zou willen.'

Sinterklaas

Zijn allereerste brief schreef Grunberg aan Sinterklaas: 'Wat ik wilde hebben, met de prijzen erbij.' Daarna schreef hij aan leraren van de middelbare school, 'persoonlijke noten onderaan proefwerkblaadjes, omdat ik contact met ze zocht; je wilt door zo'n leraar geliefd en gezien worden, niet één van de velen zijn.'

Op zijn 17de won Grunberg een toneelschrijfwedstrijd van Toneelgroep Amsterdam. De prijs was een elektrische schrijfmachine. De brieven in Aan nederlagen geen gebrek zijn hierop geschreven. Tegenwoordig schrijft Grunberg geen brieven meer, alleen mails.

Maar van jezelf wil je alles wel laten zien.

'Ja, ik zou niet weten wat ik verborgen wil houden. Er zullen ongetwijfeld dingen zijn, maar ik zou niet weten welke.'

Straks komt de fotograaf. Wil je dan naakt op de foto?

'Mijn lichaam! Dat vind ik eng, ja. Ik ben weleens naar een naaktstrand geweest en ik zou met een willekeurige lezer van de Volkskrant naar de sauna kunnen. Maar het hoeft niet op de foto. Naakt, dat is wel intiem. Wat ik ook heel lang heel intiem heb gevonden - maar dat is later wel bekend geworden door de documentaire die ik heb gemaakt - zijn de koosnaampjes die ik mijn moeder gaf. Koosnaampjes zijn ook intiem.'

In de brieven aan je eerste vriendinnen gaat het heel weinig over seks. Je schrijft aan acteur Kees Hulst dat je 'met de vrouw die je leuk vindt liever zes uur goed zou lunchen, dan een kwartier wippen'.

'Van seks was meestal ook geen sprake. Met Hanne heb ik één keer gezoend, Mariëtte kende ik nauwelijks. Het kwam er niet van, het speelde geen rol, het was iets waar ik ook eigenlijk helemaal het initiatief niet toe durfde nemen. Met Rosie had ik op de middelbare school wel seks gehad, maar toen ik later opnieuw met haar omging, durfde ik niet meer. De vrouwen waren meer liefdesobjecten dan vriendinnen. Seks was onbereikbaar, ik vond het al heel wat als ze even door mijn haar zouden strelen. Fysieke intimiteit heb ik lang heel moeilijk gevonden. Dat is wel veranderd.'

Als je alles openbaar maakt, zoals nu ook je jeugdbrieven, hoeveel exclusiviteit gun je dan je vrienden nog?

'Mensen uit mijn omgeving zeggen inderdaad: we vinden het zo vervelend dat we jouw meest intieme gedachten in een krant moeten lezen, waarom zeg je die dingen niet gewoon tegen ons?'

En?

'Ik vind het gemakkelijker iets op te schrijven en het met half Nederland te delen, dan dat ik het zeg. Dan heeft het een vorm, het is een stukje. Dingen zeggen is ingewikkelder. Ja, hoe komt dat. Het heeft met angst te maken. Dat je denkt: dan ga je aan iemand van wie je houdt dingen over jezelf vertellen, en als daar dan niet goed op wordt gereageerd voelt dat zó lullig. Of als het wordt vergeten. Of als er níét op wordt gereageerd, niet naar wordt geluisterd. Wat weleens voorkomt, want mensen hebben ook hun eigen leven. En zo dek je jezelf in tegen die teleurstelling: ik schrijf het wel op, dan kun je het lezen, dan hoeft het niet één op één. Het is een beetje hetzelfde als waarom ik vroeger ook niet van telefoneren hield en liever brieven schreef, want dan hoef je niet geconfronteerd te worden met iemands reactie, of het uitblijven daarvan.'

'Als ik dood ben moet je niet op de auteursrechten van deze brieven gaan zitten', schrijf je aan Mariëtte Ciggaar. Als jij iemand een brief of mail stuurt, voor wie is die dan? Voor die iemand, of voor iedereen?

'Op een gegeven moment wist ik bij die brieven aan Mariëtte wel: ze gaat niet meer terugschrijven. Dat gold ook voor Rosie en anderen, en dan worden brieven vanzelf fictie. Maar ik heb daar wel discussies over met mensen in mijn omgeving. Ook met mijn vriendin Roos, al is zij vrij gemakkelijk, andere vriendinnen waren daar veel strikter en moeilijker in. Ik leg ook wel dingen aan haar voor: vind je het goed als ik dit zo opschrijf?'

Heeft Roos je brievenboek gelezen?

'Nee, dat vindt ze ingewikkeld. Ze is bang voor het gevoel er eentje in een rij te zijn en dat wil je niet, als geliefde, je wilt niet vervangbaar zijn.'

Je schreef haar een brief voor haar verjaardag en ook die heb je laten drukken, in een oplage van honderd exemplaren.

'Ik dacht: dat is een leuk cadeau. En ze vond het ook een leuk cadeau. Toen heb ik het nog een keer gedaan, ik dacht: dit verwacht ze niet, dat ik nóg een keer een boekje maak. Mij leek dat zo'n brief extra leuk werd als je hem ook nog kon delen met anderen. Maar die tweede keer zei ze dat ze gemengde gevoelens had.'

Waarom deed je het, die brief laten drukken?

'Ik denk toch dat het ermee te maken heeft dat je het wilt laten zien. Dat het pas bestaat als je het kunt laten zien; dat het geen geheim is.'

Je wilt voor je vijftigste een kind; is dat kind dan ook schrijversmateriaal?

'Alles is materiaal. Maar dat ben je voor jezelf ook, als schrijver. Heel veel dingen zijn materiaal, maar dat betekent niet automatisch dat sprake is van liefdeloosheid.'

'Ik ben woedend over mijn lot en woedend over mijn leven omdat het onvolmaakt is', schrijf je aan Esther Krop. Is die woede er nog altijd?

'Ik walg niet meer zo van mezelf als vroeger, maar er is altijd wel zelftwijfel en ontevredenheid. Vooral op momenten dat je je schuldig voelt. Als je vindt dat je mensen in je omgeving tekort doet, of dat je denkt: ik zou een bordspel met hem gaan doen en dat is er nu wéér niet van gekomen. Of als je iets niet hebt gezien. Dat iemand naar je toe komt en zegt: maar zag je dan niet hoe verschrikkelijk ongelukkig ik was? En dat ik dat dan niet had gezien, terwijl ik van mezelf toch altijd denk dat ik een redelijke observator ben. Op dat soort momenten heb ik een hekel aan mezelf. Ik ben een perfectionist, in mijn werk maar ook in mijn persoonlijk leven.'

Aan Marianne Koeman schrijf je: ik geloof niet dat wij werkelijk kunnen doorgronden waarom we dingen doen.

'Ik ben geen echte mysticus en helemaal niet religieus, maar het idee dat je alles zelf in de hand hebt en alles kunt doorgronden, staat heel ver van mij af. Ik denk dat je jezelf soms ook wijs maakt dat je weet waarom je dingen doet; je construeert achteraf.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.