Ik vervloek de rivier des tijds

Het kapsel van Bergman, de wangen van Garbo

'Ze zag eruit als een vrouw uit een film, als Greta Garbo in Koningin Christina, die aan het einde van de film dromerig op de voorplecht van het schip stond, op weg naar een andere, spirituelere plek (...) of als Ingrid Bergman in Casablanca, want ze had hetzelfde kapsel, dezelfde ronding van haar wangen', denkt de ik-figuur in Ik vervloek de rivier des tijds van de Noorse auteur Per Petterson.



Arvid Jansen, de ik in het verhaal, stelt zich voor hoe zijn bejaarde moeder aan boord stapt van de veerboot die van Oslo naar Frederikshavn in haar geboorteland Denemarken vaart. Ze heeft maagkanker en zoekt de eenzaamheid in het oude zomerhuisje van de familie. Haar zoon reist haar achterna, niet zozeer om haar te helpen als wel om zich met haar te verzoenen.



Petterson brak internationaal door met zijn roman Paarden stelen (2003), waarmee hij de International Impac Dublin Literary Award 2007 won. Ook Ik vervloek de rivier des tijds (2008) is al in de prijzen gevallen, eerst in eigen land en in 2009 kreeg het de grootste literaire prijs van Scandinavië, die van de Noordse Raad.



Niet alleen ziet de ik-figuur Arvid zijn moeder in gedachten veranderen in een van de filmsterren die ze samen bewonderden, hij ervaart zijn leven ook als een film die je misschien niet vooruit, maar wel achteruit kunt spoelen. Heen en weer, associatief, met kleine en grote sprongen in de tijd, een film waarin de belangrijkste dingen niet gezegd maar getoond worden in eenvoudige, fraaie en treffende beelden.



Het draaipunt is 1989, in de wereld zijn grote veranderingen gaande, maar de 37-jarige Arvid wordt meer in beslaggenomen door zijn eigen besognes. Zijn vrouw wil scheiden en in lijdzame afwachting gaat hij steeds vroeger naar zijn werk en maakt hij af en toe een autoritje met zijn twee dochtertjes: 'Alleen maar op die weggetjes rijden en Beatlesliedjes zingen, heuvel op en heuvel af, in steeds nieuwe bochten en krommingen, de akkers rechts bleekgroen en links bruingrijs, en dan weer andersom, zoals het er die herfst, in 1989, uitzag in het matte licht in Nittedal, Nannestad en bij Eidsvoll, de kaalgewaaide bomen langs de beekbeddingen, en dan zien hoe het landschap in grote strogele vlakken en blokken omhoog golfde', en nog is de lange meanderende zin niet ten einde.
Petterson heeft in interviews benadrukt dat Arvid geen alter ego is, maar zijn 'stuntman'. Arvid maakt dingen mee die Petterson ook hadden kunnen overkomen, en soms daadwerkelijk zijn overkomen. Zo verloor de auteur twintig jaar geleden zijn ouders, een broer en een neef bij een brand op de veerboot de Scandinavian Star.



In de ontroerende roman Kielzog (2001) krijgt Arvid, die dan in de veertig is, een vergelijkbaar verlies te verwerken. Belangrijker dan de biografische feiten, is de manier waarop Arvid het leven en zijn omgeving ervaart. Hij is een zoeker, een dromer, die zichzelf bijna beschouwt als 'een historische vergissing'.



Als tweede zoon uit een arbeidersgezin, groeit Arvid op in een wijk van het naoorlogse Oslo, dat uitvoerig, maar voor een buitenstaander niet altijd even navolgbaar wordt beschreven aan de hand van de metrostations, straten en pleinen. Als hij voortijdig van school gaat om in een fabriek te werken omdat hij als maoïst zijn afkomst niet wil verloochenen, geeft zijn moeder hem een klap in zijn gezicht. 'Stomme idioot', is het enige wat ze zegt, waarna ze zich vol onbegrip van hem distantieert.



Alles wat moeder en zoon ooit deelden, vooral boeken en films, verweeft Petterson subtiel in het verhaal. Op een dag komt moeder langs met twee tompoezen: 'Ze wierp een blik op Absalom, Absalom! dat daar lag. 'Zware kost, dat boek', zei ze. 'Helemaal mee eens', zei ik. 'Maar ook heel mooi.' Toch blijft er een afstand tussen beiden, die nog vergroot wordt door de vroegtijdige dood van een broer.



In de fabriek geniet Arvid van het

fysieke werk en het wij-gevoel, maar hij slaagt er niet in de besluiten van het partijbestuur ten uitvoer te brengen: 'Er gaapte een politieke kloof tussen mij en de anderen in de hal, en elke keer dat ik het gesprek op de twee stromingen in de vakbeweging probeerde te brengen, de rode, revolutionaire, en de blauwe, conservatieve, gaven ze me alleen maar een klopje op mijn schouder, lachten en liepen weg om op een pallet te gaan zitten roken als het pauze was'.



Hij leest tijdens zijn werk, als de lopende band dat toelaat, en verder als hij thuis is. Hij houdt van De ellendigen van Victor Hugo, en vertelt het verhaal 's avonds aan een meisje dat hij kent van de metro. Ook deze liefdesrelatie beschrijft Petterson fragmentarisch, maar de losse scènes, waarin de sfeer belangrijker is dan de gebeurtenissen, geven een vertederend beeld van twee jonge mensen die zich niet kunnen voorstellen dat hun liefde op een dag 'volkomen verbrijzeld kon worden', net als het dunne laagje ijs op het meer waar ze met hun bootje doorheen varen.



Natuurbeelden spelen een voorname rol in het werk van Petterson, misschien het sterkst in Paarden stelen, dat zich grotendeels afspeelt in een afgelegen bos. Maar ook in zijn andere romans is de natuur haast een personage dat vele gedaanten kan aannemen, van een Noors meer of een strand op een Deens eiland.



In Denemarken wordt Arvid door zijn moeder en haar oude vriend Hansen op sleeptouw genomen naar het eilandje Læsø. Daar blijkt zijn oudste broer geboren te zijn, en zijn moeder zoekt de boerderij op waar ze toen verbleef. De boerin is nog in leven en de oude vrouwen gaan wandelen ('het praat gemakkelijker als je loopt'), terwijl Arvid met Hansen de benen gaat strekken:
'En de vlakte was vlak zoals alleen Deense vlaktes vlak kunnen zijn. Ooit, heel lang geleden, was iemand hier met een strijkijzer aan de slag geweest'.



Ik vervloek de rivier des tijds (een citaat uit een gedicht van Mao) is behalve een gevoelig en wijs portret van een moeder en een zoon die het aan woorden en gebaren ontbreekt, evenzeer een zoektocht naar het leven als een confrontatie met de dood: 'Als je plotseling beseft dat alle mogelijkheden om degene te zijn die je eigenlijk wilde worden, over en uit zijn, en dat wie je wás degene is die de anderen zich zullen herinneren.'



* * * *
Per Petterson: Ik vervloek de rivier des tijds. Uit het Noors vertaald door Paula Stevens. De Geus; 256 pagina's; € 19,90. ISBN 978 90 4451 461 2.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden