‘IK VERAFSCHUW INSPIRATIE’

Vijfentachtig wordt hij dit jaar. Van de drie Nederlandse schilders in de CoBrA-beweging is alleen hij nog over. En Corneille schildert weer, na een kwetsbare periode....

‘Zonnebloemen’, zegt Corneille, ‘soms zijn hier zonnebloemen. Elk jaar zaait de boer iets anders. Koren ook, dan staat het veld vol koren.’

Dit seizoen is het maïs. De akker vouwt zich in een wellustige plooi naar de verte. De nevel van de ochtend vlijt ook in de middag een milde waas over het landschap.

‘Vincent van Gogh moet hier tijdens de laatste maanden van zijn leven gelopen hebben; wie weet op deze heuvel zelfs. Dit is land dat hij geschilderd heeft. Auvers-sur-Oise is vijf kilometer verderop, in vogelvlucht misschien drie. Daar heeft hij zichzelf kapot geschoten. De burgemeester van Auvers heeft me beloofd dat op de begraafplaats waar hij ligt ook een plekje voor mij is gereserveerd. Niet ver van Van Gogh, dat is bijzonder. Ik ben een bewonderaar. Van Gogh was een voorloper.’

Hij is de tuin van zijn huis ingelopen om te laten zien waarom hij zo’n acht jaar geleden Parijs ontvluchtte. ‘Het is daar een janboel geworden; het lawaai, de vuile lucht’. Hier in het departement Val-d’Oise, noordwestelijk van Parijs, is de stilte, de zuiverheid, hier zijn de bomen.

Zijn witte baard is dunner geworden, de tred behoedzaam. Binnen, aan tafel, zit hij in een rolstoel. ‘Hij is melancholieker de laatste jaren, kwetsbaarder’, zal zijn vrouw, Natacha Laktionoff, later zeggen.

Van de drie schilders die het Nederlandse smaldeel in de experimentele CoBrA-beweging vormden, is alleen hij nog over. Altijd waren er dezelfde beschrijvingen: Karel Appel (1921-2006) was ‘het schildersbeest’, Constant Nieuwenhuis (1920-2005) de ‘theoreticus’, en hij, Guillaume Cornelis van Beverloo, (Luik, 1922) de fijngevoelige ‘poëet’ die met op de kindertekening geïnspireerde stijl zijn verbeelding met vooral vogels en vrouwenfiguren vormgeeft. Heldere, opgewekte kunst. Met zijn baard, alpinopet en Parijse ateliers groeide hij welhaast uit tot het archetype van de kunstenaar. Hij heeft vrede met de rolverdeling. ‘Ik heb me altijd als literaire schilder gezien. Mijn werken zijn fabels.’

Hij leeft een teruggetrokken bestaan in het Maison du Cedres. De gevels en zelfs de witte luiken van het 18de-eeuwse landhuis gaan goeddeels schuil achter weelderige klimop. In de met muren omsloten tuin staan enkele van zijn bronzen beelden tussen de struiken – een kat, een vogel. Een trapje leidt naar beneden, naar zijn atelier op de helling, een mobilehome, met zicht op de velden. Tussen verfattributen en kunstboeken staan tientallen beelden uit Afrika, aan de wand hangen maskers. ‘Je kunt ze daar nog wel krijgen, maar de innerlijke kracht ontbreekt. Ze worden nu in serie geproduceerd.’ Vorige week heeft hij er in Parijs ruim 150 laten veilen. Collection Corneille. Het blijkt een voorschot op wat komen gaat. ‘De successierechten hier zijn absurd.’

Hij schildert weer. ‘Poëtische beeltenissen. Sprookjes. Wolkjes, Straatjes. Mensen. Vogels, ja natuurlijk vogels.’ Er ligt wat werk op de vloer. ‘Zie het rood. Het vibreert.’ Ook zijn hand trilt, lichtjes.

Er zijn weer dagen dat hij zich goed voelt, ook dankzij medicamenten. ‘Als je van ver terugkomt, lukt het je een sterker mens te worden. Dat zie je in de natuur ook.’

Corneille was ver, twee jaar geleden. Manisch depressief. Hij verbleef wekenlang in de Clinique du Chateau in Garches bij Parijs. Wat moet hij erover vertellen? ‘Ik zat opgesloten in een krankzinnigengesticht. Dat zegt toch alles? Daar ga ik niet over uitweiden.’ Natacha: ‘Heb je One flew over the cuckoo’s nest gezien? Zo dus.’ Corneille: ‘Het zit in je hoofd. Te veel emoties, denk ik. Je kunt er moeilijk de vinger op leggen. En ineens, boem, vliegt het deksel van de pan, en ben je geestesziek.’ Het is hem al eens eerder overkomen, in 1992.

Zijn opname leidde tot speculaties onder relaties in Amsterdam. Zijn vrouw zou hem afschermen van de buitenwereld. Ze zou op zijn geld azen. Ze liet tijdens zijn verblijf in de kliniek zijn pied-à-terre in Amsterdam leeghalen. Natacha, van Frans-Russische komaf, 26 jaar jonger dan haar echtgenoot, is nogal altijd woedend over de verdachtmakingen. De waarheid volgens haar: de contacten zijn beperkt op medisch advies, hij was zo labiel dat zij zijn curator is geworden. ‘En het was míjn huis, hè, in Amsterdam. Er was ingebroken, er zijn tekeningen weggehaald. Er zijn vrouwen, maîtresses, modellen, die de sleutel hadden. Corneille was te goedgelovig. Hij dacht dat ze kwamen schoonmaken.’ Corneille: ‘Er zijn toen grove leugens verspreid.’ Er zijn inmiddels wat banden met Amsterdam verbroken.

De schilder zelf concentreert zich liever op een komende gongslag in zijn artistieke loopbaan: het Cobra Museum in Amstelveen viert deze zomer zijn 85ste verjaardag met een expositie, Some of these days. Veertig werken, met het accent op zijn vroege jaren, de jaren veertig, de CoBrA-jaren 1948-1951, een uitloop naar de jaren zestig. Hij schuift zijn omelet opzij om het meegebrachte paarse affiche te bekijken, waarop hij staat afgebeeld met zwierige hoed, een trui losjes over de schouders, een Franse krant onder de arm. ‘Bravo! Ik hoorde dat er al een geveldoek hangt, van vijf bij vijf meter. Dat is groot hoor, vijf bij vijf!’ Bij het doorbladeren van de catalogus valt zijn oog op een foto uit 1947. In zijn atelier aan de Nieuwe Prinsengracht snijdt de beginnende kunstenaar een brood aan. ‘Het was een plek tegenover de Magere Brug. Ik at toen heel veel boterhammen met muisjes. Zijn die er nog, muisjes?’

Een jaar later zou hij met Appel, die hij al in de oorlog op de Rijksacademie voor de Beeldende Kunsten in Amsterdam had leren kennen, Constant en Deense (Asger Jorn) en Belgische (Christian Dotremont) schilders de oorlog verklaren aan de burgerlijkheid en het stramien, en de liefde aan het experiment. Ongebreidelde fantasie en energie, spontaniteit en naïviteit dienden aan de basis van de creativiteit te staan. Van de drie is hij de beginselen het meest nabij gebleven. ‘Waarom ook niet? Het was een formidabel avontuur.’

Het uit zich zeker in zijn werkwijze – niet veranderd in al die jaren. ‘Als ik begin heb ik nog steeds geen idee. Ik verafschuw inspiratie. Ik ga gewoon aan het werk. Na het eerste streepje komt een tweede, van een vlek komt nog een vlek, en de vlek wordt een vogel, of een vrouwenlichaam. Het is de manier van een kind. Ook een kind begint maar. Ik hou ook niet van het woord inspiratie. Het heeft iets edels. Je plaatst een kroontje op het hoofd van een heilige. Nou ben je schilder. De inspiratie is je ten deel gevallen.’ Hij snuift.

‘Ik schilder altijd met heel weinig verf. Ik hou van goede penselen. Machtig haar moeten ze hebben. Karel Appel was wel eens kwaad op mij: hoe kun jij met zulke zuinigheid zulke kleuren oproepen? Om het rood zo intens te krijgen heb ik een kilo verf nodig, en jij een paar gram.’

Hij werkt tegenwoordig wel op een tafel, op doktersadvies na rugklachten. Vroeger lag het werk op de grond. ‘Ik wil nooit op een ezel werken. Je concentreert je op het middengedeelte. Wat er boven zit, vergeet je, wat er onder zit ook. Op de grond kun je om je werk heen wandelen. Je ziet alle plekken.’

Hij was in de twintig in de CoBrA-tijd. ‘In de lente van mijn leven. Mooi, jong, veel vrouwen, en succes. En het werk doorstaat de tijd. Er zit eeuwigheidsgevoel in. Over honderd jaar zullen de doeken nog altijd tot de mensen spreken, dat weet ik zeker.’

‘Vaak wordt vergeten dat wij al eerder de Experimentelen hadden opgericht, schilders en dichters. Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek. Het zat in de lucht. Het is een naoorlogs fenomeen. Je leeft niet meer onder druk. Je kunt overal naar binnen, er is van alles te koop. Nederland was een saai land voor de bezetting. Een ingeslapen bevolking, zonder veel ambities, zonder driften. De oorlog heeft veel driften losgemaakt.’

In de eerste jaren na de bevrijding is zijn werk tamelijk somber, met veel grijs- en groentinten. ‘Het is eerder dramatisch. De oorlog zat nog in mijn geest. Ik zat ondergedoken, ik ben tien keer van plek veranderd. Ik at tulpenbollen in de hongerwinter. Ik woog 45 kilo toen ik uit de oorlog kwam. De eerste die op de deur klopte, was een vriend van me, een ex-bokskampioen. Hij herkende me niet. Corneille, ben jij dat, Corneille? Het was een ramp, die oorlog. Maar ik heb me ontrukt aan die geestelijke ellende. Het werd snel vrolijker.’

Ze vormden even een driemanschap, Appel, Constant en Corneille. Ze zaten in november 1950 in dezelfde trein naar het Gare du Nord. Maar drie jaar na de oprichting bestond CoBrA niet meer. ‘Er is niets misgegaan, niets speciaals althans. CoBrA was een collectief. Maar er komt een tijd dat je je ook als individu wilt laten gelden. Dat zie je in de hele geschiedenis van de moderne kunst. De futuristen, de dadaïsten, de surrealisten; uiteindelijk gaan de leden uit elkaar.’

‘Nee, ik ben niet naar de begrafenissen van Constant en Appel geweest. Ik heb het ook niet overwogen. We zagen elkaar al snel niet veel meer. Appel ging in Monte Carlo wonen, later in New York. Constant ging snel terug naar Amsterdam. Waarover we spraken als we elkaar eens ontmoeten? Over verf, natuurlijk. En over vrouwen – ik zeker. Niet over die tijd. Haha, CoBrA was geen romantische beweging. Over elkaars werk ging het niet. Ik volgde het wel. Constant heeft van die periodes gekend. Heel abstract, dan weer conceptueel. Hij heeft prachtige dingen gemaakt. Ik hou van zijn aquarellen. Die zijn beter dan zijn olieverven. Subtieler, verfijnder, lichter van aard. Karel Appel ging allerlei dingen aan zijn schilderijen toevoegen. Hij plakte varkenskoppen of van weet ik wat voor dieren in zijn schilderijen, hij hing er touwen of weet ik wat overheen. Ik vind dat latere werk niet goed. Brutaal, ongevoelig. Ik krijg er de kriebels van. Maar ik sprak het niet uit. Ik wilde niet oordelen. Nu kan het wel. Hij is dood. Er komt geen vervolg meer. Maar het blijven grote kunstenaars, allebei.’

Dat de Nederlandse kunstwereld zijn eigen latere werk minder welwillend heeft ontvangen – het vroegere werk van de zoekende kunstenaar was interessanter, de ontwikkeling is al jaren gestopt, altijd maar die vogels – stuit op onbegrip. ‘Hier in Frankrijk of in Italië of waar ook speelt het niet. Ik exposeer nog over de hele wereld. Ik heb net nog in China gehangen, in Peking. Waar hebben ze het nou over? Het zijn zuurpruimen, de Nederlanders. Holland is een land waar je voor moet oppassen. Het kraken zit er in de aard. Ik vind dat ik nog prachtige schilderijen maak. Maar ze hebben niets te maken met het werk van 50, 60 jaar geleden. Ik kan mezelf toch niet gaan herhalen? Kom nou!

‘Wat ik maak is een soort dagboek. Ik heb geleefd als een razende trein, en alle stemmingen die ik doormaak, al die landen die ik heb bezocht, dat kun je terugvinden in mijn werk.’ Hij slaat de catalogus open. ‘Hier, dit maakte ik nadat ik in de Sahara was geweest. Ik kom er nu niet meer. Nu zit ik hier, en dit landschap weerspiegelt zich in wat ik nu maak. Ja, er zitten vogels in, en vrouwen. Ik heb duizenden vogels gemaakt, en geen een lijkt op de ander. Ik hou nu eenmaal van vogels en vrouwen, katten en bomen, veel bomen. Het zijn thema’s. De vogel als symbool van begeerte, maar ook als verbinding tussen het kosmische en het aardse. Het is de droom van de man los te komen van de aarde. De vogel doet dat, soepel en sierlijk. De vrouw is bij mij de aarde. Ik beeld haar ook altijd liggend af, klaar om zich te geven. Maar goed: Corneille is Corneille, hè. Uiteindelijk heb je je eigen stem gevonden, je stijl. Corneille is een begrip, zoals Appel en Constant begrippen zijn geworden.’

De suggestie dat de huidige alomtegenwoordigheid van ‘het product Corneille’ – in motieven terug te vinden op attributen als koffiemok, kussensloop, stropdas en wijnetiket – een serieus artistiek oordeel belemmert, maakt een onverwachte boosheid in hem los. ‘Met het product Corneille heb ik niks te maken. Er zijn boeven, schúrken, die mijn bekendheid, mijn roem, misbruiken om allerlei spullen op de markt te brengen zonder mijn toestemming te vragen, zonder mij te betalen. Ik ben het niet die die boel op de markt brengt.’ Hij beent naar een kast, grist er een kopje uit. ‘Mijn handtekening staat er zelfs onder. Ik weet van niets! Bedriegers zijn het. Hier worden er duizenden van verkocht.’ Later, in de tuin, is de gramschap er nog: ‘Jakhalzen!’

Het echtpaar heeft een advocaat in de arm genomen, de eerste claims zijn de deur uit. Maar hij heeft toch ook zelf geregeld meegewerkt, aan ballpoints bijvoorbeeld? ‘Dat heb ik goed gevonden, en daar heb ik een ontwerp voor gemaakt, en ik ben betaald. Niet veel, maar het was eerlijk geregeld. Er kwam kritiek op, ja. Typisch Nederlands om daarover te beginnen. Kleinzielig. Een schilder hoort zich bij zijn ezel te houden. Grote kunstenaars in het buitenland hebben ook dat soort dingen gedaan. Je hoort er niemand over.’

In het atelier rangschikt hij tubes verf. Hij twijfelt nog of hij naar Amstelveen gaat, voor de opening. ‘Ik zie graag mijn oude werk terug, maar ik vind wat ik morgen maak interessanter. Ik ben nog in volle gang.’ Laatst zag hij een dvd over Constant. Het ontroerde hem. ‘Hij zei: ik weet dat mijn einde niet ver is, maar ik ben tevreden want ik heb het uiterste uit mezelf gehaald. Ik kan hetzelfde zeggen. En wat de anderen ervan vinden, laat ik nu maar aan het publiek over, en aan de geschiedenis.’

Bij het verlaten van het mobilehome ritselt het in een van de fruitbomen. ‘Laat ze maar. Ik heb zo veel vogels geschilderd. Dan kan ik ze toch best wat kersen gunnen?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden