'Ik moet de draak steken met mijn eigen aanstellerij'

Schrijfster Désanne van Brederode (38) voelt zich maar matig thuis in de huidige maatschappij, die volgens haar te oppervlakkig is en waarin mensen zichzelf geen fundamentele vragen meer willen stellen....

Het is 13 augustus 2009. Désanne van Brederode heeft ’s ochtends de laatste versie van Door mijn schuld ingeleverd bij de uitgeverij. Krijgt ze als verrassing het boek mee waarop ze zichzelf had willen trakteren als ze klaar was: Schuld, van Ernest Louwes, de man die ja, nee, ja toch, werd veroordeeld voor de moord op de weduwe Wittenberg. Maanden heeft ze geschaafd aan haar roman geïnspireerd op de Deventer moordzaak, en nu heeft ze – man op zijn werk, zoon bij oma – een hele dag om zijn verhaal te lezen. Ze installeert zich op de bank, broodje erbij. ‘Ik zit met Arjan (Peters, literatuurcriticus van de Volkskrant, haar echtgenoot, red.) gezellig te sms’en, hij in de rol van Louwes. ‘Mevrouw Van Brederode, ik ga u aanklagen wegens uw boek, was getekend Ernest’ – dat soort grapjes. Hoe verder ik in het boek kom, hoe meer ik denk: volgens mij is die Louwes een Leeuw. Dus ik sms naar Arjan: ‘Meneer Louwes, wanneer bent u eigenlijk jarig?’ Bleek het 13 augustus te zijn.’

Toeval. ‘Nou, het is eerder aanleiding voor een vorm van magisch denken. Waarom las ik zijn boek niet op een van die andere 364 dagen? Waarom uitgerekend op zijn verjaardag? Ik vond dat toch een bewijs van hoe diep ik met hem verbonden was.’

Waarom dacht je: hij is een Leeuw? ‘Omdat hij zo’n obsessie heeft met status en zo graag serieus genomen wil worden.’

En dat is typisch iets voor Leeuwen? ‘Mijn vader is van 12 augustus, die heeft ook dat streberige. Niet tegen je verlies kunnen. Vroeger speelde hij altijd vals tijdens spelletjes, en dan werd hij driftig als mijn moeder en ik hem daarop betrapten.’

En dat herkende je in Louwes. ‘Herinner je je dat beeld van Louwes die kwaad wordt in de rechtzaal op het moment dat hij toch schuldig wordt bevonden? Maurice de Hond, die overtuigd is van zijn onschuld, heeft altijd beweerd: iemand die zo emotioneel reageert, kán het niet gedaan hebben. Ik zou het tegenovergestelde denken: zo’n ingetogen man die zich heeft opgewerkt en die zo statusgevoelig is, die het vonnis hoort en denkt: nu hebben ze me door. En dan woest wordt.’

Waarmee je wilt zeggen: Louwes heeft de moord gepleegd. ‘Ik wil me helemaal niet uitspreken over de schuld of onschuld van Louwes. Dat kan ik niet en dat wil ik niet, en ik doe het ook niet in het boek.’

Het idee voor haar nieuwe roman ontstond in mei 2008, na een uitzending van het tv-programma De reünie, met de vrouw van Louwes in de schoolbanken. Wat ze zich in eerste instantie afvroeg: ‘Mag dat zomaar, een partner van een veroordeelde zo veel media-aandacht geven, zo veel gelegenheid om te beweren dat hij onschuldig is? Stel dat Joran van der Sloot een ongelooflijk leuk en bescheiden vriendinnetje had, of voor mijn part vriendje, dat kan ook nog, en die zegt steeds op tv: ‘O, maar Joran is zo’n lieverd, die doet zoiets niet.’ Ik denk dat je daarmee de publieke opinie gigantisch beïnvloedt.’

Dat heeft Anneke Louwes ook gedaan? ‘Anneke is helemaal wat het publiek wil. Ze woont in een eenvoudig rijtjeshuis, ze is een goede huisvrouw, doet daarnaast veel fijne vrijwilligersdingen. Ze beantwoordt in alle opzichten aan waar het in deze maatschappij om draait: herkenbaarheid.’ Lacht: ‘Louwes had haar niet beter kunnen casten.’

En omdat ze zo herkenbaar is ‘Verliezen de kijkers onmiddellijk al hun redelijkheid en reserves. Nogmaals, ik zeg niet dat Louwes schuldig is, noch dat hij niet schuldig is. Maar ik weet dat ik tijdens het kijken dacht: heel Nederland lijkt overtuigd van de onschuld van deze sympathieke man. Maar wat nou als hij het wel heeft gedaan? En hij wil het zijn vrouw vertellen, maar die is in al die jaren dat hij in de gevangenis zat zo gegroeid in haar mediarol en in haar overtuiging dat hij onschuldig is, dat ze hem niet meer gelooft.’

Wat dan? ‘Dan moet hij zijn schuld alleen dragen.’

Ja, beaamt ze, het is een katholiek thema: te biecht gaan om je schuld te verlichten. ‘Maar eigenlijk heb ik niks met dat idee van biechten en dan weer tralala. Ik vind dat kinderachtig en gemakkelijk.’

Wat wilde je dan ermee zeggen? ‘We leven in een tijd waarin je alles met elkaar kunt bespreken. Wat je geheime verlangens zijn, wat je op je kerfstok hebt En onmiddellijk staat er iemand klaar om te zeggen: ‘O, maar dat geeft toch niks, ik heb dat zelf ook wel eens gehad.’ Het is allemaal goed bedoeld en je toont er je ruimdenkendheid mee, maar soms zijn er dingen waarvan je helemaal niet wílt dat een ander zegt: ‘Geeft niks.’ Dat je denkt: ik til hier wél zwaar aan; al zegt de hele wereld dat het futiel is, ik moet ermee in het reine komen. En ik heb het idee dat we elkaar door al dat gepraat over onze zieleroerselen steeds meer de kans ontnemen om zelf, in alle stilte, te lijden en te denken: dit had beter gekund.’

In welke situaties denk jij dat? ‘Als ik in gebreke ben gebleven ten opzichte van een ander. Te weinig aandacht heb gegeven, niet goed heb geluisterd. Maar dat deel ik dus niet meer, zodat ik niet hoef te horen: ‘Ach, we schieten allemaal wel eens tekort.’’

En nu wil je dat andere mensen ook wat vaker hun mond houden en wat meer stilstaan bij zichzelf. ‘Dat klinkt erg moralistisch, maar: ja. Je hebt maar een beperkte tijd van leven, het zou toch fijn zijn als je daarin een bepaalde mate van waarachtigheid tegenover jezelf bereikt? Dat je jezelf eerlijk vragen durft te stellen, over je verlangens, je twijfels, over de zin van je leven?’

Het is alweer vijftien jaar geleden dat ze debuteerde, met Ave verum corpus. Daarna volgden Mensen met een hobby, Het opstaan en Hart in hart.

‘Van Brederode schrikt niet terug voor breedgeschouderde en volgestouwde romans’, klonk het in recensies. En: ‘Ze laat haar personages duiden, uitleggen, analyseren en veel over zichzelf nadenken.’

Het klopt, zegt ze. ‘In mijn vorige boeken zaten te veel overpeinzingen. Te veel dingen die ik, Désanne van Brederode, kwijt wilde aan de wereld. Met dit boek wilde ik daarmee breken. Het moest een boek worden dat je, als je niet op overpeinzingen zit te wachten, lekker kunt lezen.’

Twee jaar nadat Arjan Peters zijn recensie van Ave verum corpus eindigde met de zin: ‘Mag ik een teiltje?’ werden ze verliefd. Zegt ze, over die voor buitenstaanders merkwaardige loop in het leven: ‘Ach, dat eerste boek was ook een monster.’

In welk stadium mag hij nu je boeken lezen? Lacht: ‘Ha! Mag? Arjan krijgt mijn werk tegen wil en dank en tegen heug en meug door de strot geduwd. Als ik een avond goed heb zitten werken en tevreden ben, ga ik hem voorlezen. Vroeger was ik daar grenzelozer in. Dan zag ik hem de volgende ochtend als een vaatdoek opstaan en dacht ik; o, wat erg. Ik ben nu minder een blije hond die tegen hem aanspringt en roept: ‘Dit wordt leuk.’’

Ik probeer me voor te stellen hoe dat gaat: je man is criticus, weet feilloos wat er schort aan een roman, hij houdt van je en probeert je te behoeden voor slechte recensies. Welwillend: ‘Ja?’

Doet hij dat? ‘Ja.’

Hoe? Ze lacht: ‘Door zijn wenkbrauwen op te trekken. Als ik iets voorlees en hij laat vervolgens een stilte vallen, zo’n stilte waarvan je weet: dit is niet omdat hij onder de indruk is ja, dan kan het niet duidelijker. Arjans wenkbrauwen zijn de barometers van mijn werk.’

Heeft hij bij je vorige romans ook gezegd: ze staan te vol? ‘Ja. Maar ik ben zo eigengereid dat ik doorga zoals ík denk dat het goed is.’

Een van de thema’s in haar werk is het verlangen gekend te worden. Ze weet het: het klinkt tegenstrijdig met haar zojuist geformuleerde oproep elkaar niet meer alles te vertellen. ‘Een vriendin van mij fantaseerde er vroeger over: wat zou het heerlijk zijn om één persoon je levensverhaal te kunnen vertellen, inclusief alle zijpaden. Ik ben daar lang in meegegaan, maar inmiddels word ik panisch bij de gedachte.’

Daarom bleef ze ook zo hangen bij die uitzending van De reünie. ‘Op een gegeven moment vraagt Rob Kamphues aan Anneke Louwes: ‘Heb je nooit aan je man getwijfeld?’ En zij zegt, op zo’n heerszuchtige toon waarvan ik het helemaal benauwd krijg: ‘Dacht je dat ik mijn man na veertig jaar nog niet ken?’

Die vorm van kennen, bedoelt Van Brederode te zeggen, voelt als een gevangenis. ‘Ik kan me zo goed voorstellen dat je in zo’n huwelijk iets stiekems wilt doen.’

Wat betekent voor jou ‘gekend worden’? ‘Niet letterlijk het alles weten. Ik vind het fascinerend dat er mensen zijn met wie ik een hele avond een fantastisch gesprek kan voeren over waarmee ik bezig ben, die dezelfde boeken hebben gelezen, dezelfde reizen hebben gemaakt, misschien wel dezelfde strijd in hun leven hebben geleverd als ik, waarbij in theorie dus alle ingrediënten aanwezig zijn om elkaar heel dicht te naderen. Maar toch zit ik soms na zo’n afspraak op de fiets naar huis en dan denk ik: wat is dat nou typisch. Alles klopt, en tóch heb ik het idee dat we elkaar passeren.’

‘Gekend worden’ zoals zij het liever ziet: ‘Pas nog. Arjan en ik kijken naar het Journaal, ik op de bank, hij in die stoel daar, met zijn rug naar me toe. Een itempje over kinderen die wiet gebruiken wordt afgesloten met een beeld van een 17-jarig meisje dat met haar moeder op de bank zit. En wat me nou zo aangreep mijn moeder is nu twaalf jaar dood. Ik ben niet meer verdrietig en, het klinkt een beetje hard, ik geloof zelfs niet dat ik haar mis. Maar bij dat beeld van die moeder en dochter was ik toch geraakt, en flitste door me heen: ik ga er niks over zeggen, ik ga geen ironisch commentaar leveren: jaha meisje, ben maar blij dat je haar nog hebt. Arjan draait zich om, kijkt me aan. Ik vraag: ‘Wat is er?’ En hij zegt: ‘Nou, ik zag die moeder en dochter elkaar omhelzen en toen dacht jij waarschijnlijk aan je eigen moeder.’ Dat is gekend worden: dat hij uitgerekend bij dit beeld aanvoelde wat er allemaal in mij omging. Niet oeverloos praten over: hoe voel je je nou, maar weten: als je het er ooit over wilt hebben, kan het.’

Waar werd je verliefd op? ‘Ik moet heel eerlijk zeggen: het ging me bij Arjan in de eerste plaats, en eigenlijk nog steeds, om het uiterlijk. Niet alleen in de zin van: ongelooflijk aantrekkelijk, maar, zoals ze dat in België zo mooi zeggen: ik zie u graag.’

Waar zit ’m dat in? ‘Ik weet het niet. Ik was in mijn vroege kindertijd smoor- en smoorverliefd op Rob de Nijs. Als ik mijn jubel over hem weer eens wereldkundig maakte, als ik wilde uitleggen wat me raakte, los van Malle Babbe en die stem, dan zei ik altijd: ‘Hij heeft zoete ogen.’ Mijn moeder vertelde me later dat ik sindsdien mensen onderscheidde op zoete en zure ogen.’

Ze groeide op als enig kind in het Brabant van de jaren zeventig. Het gezin Van Brederode: een oudere vader en moeder, hij uitgetreden priester, zij meer filosofisch, en een dochter die zichzelf op haar 4de leerde lezen en die op haar 8ste, gewapend met een rozenkrans, in haar eentje naar de kerk ging.

Op de middelbare school werd ze gepest. Nooit een uitnodiging voor een verjaardag, varkensgeluiden als ze de klas binnenkwam – ze was in die tijd dik, en ze droeg een bril. Riep ze, als het allemaal weer eens tegenzat, ‘tamelijk hoogmoedig’: ‘Wacht maar, voor mijn 25ste schrijf ik mijn eerste roman.’

Nu: ‘Ik denk weleens: werd ik nou zo met scheve ogen aangekeken, zo van: wat is het toch een rare trut, en ben ik daardoor een houding gaan cultiveren van: wacht maar, straks ben ik schrijver en zijn jullie leidster op een kinderdagverblijf? Of was ik zo overtuigd van mezelf dat ik daardoor werd gepest?’

En? ‘Ik denk dat ik lange tijd heb gedacht dat ik heel bijzonder was, maar dat niemand het zag.’

In Door mijn schuld laat je de hoofdpersoon zeggen: ‘Als ik een roman zou schrijven, zou de ik-figuur vanzelfsprekend de onbegrepen, eenzame underdog aan de zijlijn zijn.’ Voel je je nog steeds zo? ‘Ik voel me wel een buitenstaander, maar ik til er niet meer zo zwaar aan. Ik schaam me er ook steeds minder voor dat ik echt graag alleen ben. Er is vroeger, vooral door mijn moeder, op gehamerd dat mijn hang naar alleen op een kamer zitten fout was. Want dan was je asociaal en, in het ergste geval, hooghartig.’

Ze vertelt over de hechte, maar ook benauwende band die ze met haar moeder had. ‘Mijn moeder en ik leken niet alleen heel erg op elkaar, we deelden ook dezelfde obsessie voor eerlijkheid. We vertelden elkaar alles. Als je alsmaar bezig bent met delen, elkaar te begrijpen, te herkennen, dan ben je zo alleen maar met jezelf bezig. Haar dood heeft me in positieve zin veranderd. Ik ben leuker geworden sinds ze er niet meer is. Het is erg om te zeggen, maar het is wel waar.’

In welk opzicht leuker? ‘Relativerender. Ik zei het laatst nog tegen een vriendin die ergens mee tobde: ‘Realiseer je je dat als jij wakker ligt een miljoen Nederlanders ook de slaap niet kunnen vatten en allemaal denken dat ze de enige zijn die onder de afzuigkap een sigaretje staan te roken, of in godsnaam maar de tv aanzetten, of een kwaaie brief naar een collega schrijven?’ Ik vind dat het aandoenlijke van het leven, dat die dingen waarvan je denkt: wat ben ik toch raar, of afwijkend, onbegrepen, eenzaam, dat je die dingen nou net met de massa deelt.’

‘Mijn hemel’, zucht ze, ‘wat een ernst. Ik vind mensen die zichzelf serieus nemen heel erg.’

Je neemt jezelf toch ook serieus? ‘Maar ik moet wel veel debiel doen. Ik moet de draak steken met mijn eigen aanstellerij. Vroeger had ik tijdens het huiswerk maken altijd een zakspiegeltje bij de hand. Dan ging ik gekke gezichten trekken.’

En nu? ‘Maak ik ranzige grappen, of ik doe rare dansjes. Of ik kruip over de grond, met mijn tong uit mijn mond. Onze zoon van 10 is ook zo. Arjan ook. Die is misschien nog wel het ergste.’

Later: ‘Ik heb eigenlijk twee levens. Het serieuze leven, dat is mijn werk; mijn boeken, essays, columns. Maar als ik mijn laptop dichtklap, kan ik tamelijk lichtvoetig meedoen in de normale wereld. En dan maak ik me ook aan alles schuldig wat ik in theorie loop te bestrijden. Ik kan het ene moment een pamflet schrijven tegen plat vermaak, maar als ik zoals laatst een treinreis moet maken, laat ik die interessante stapel boeken thuis liggen en koop ik in de kiosk toch de Weekend omdat ik benieuwd ben naar de lotgevallen van Sonja Bakker.’

Je hebt filosofie gestudeerd, je bent, behalve schrijver ook essayist. Je hebt een column in Buitenhof. Je schreef de afgelopen jaren twee pamfletten, pleidooien eigenlijk: een voor de multiculturele samenleving, het andere voor bescherming van ‘hoge cultuur’ in een maatschappij waar makkelijk vermaak steeds meer de norm is. Van welk onderwerp denk je: het is toch maar mooi dankzij mij dat daarover in Nederland wordt gesproken? ‘Goh, dat denk ik nooit. Ik zie de rimpeling in het water nog steeds niet, van het kiezeltje dat ik erin heb gegooid.’

Vind je dat erg? ‘Nee. Ik ben niet bezig ben met de plaats die ik in de pikorde der columnisten inneem.’

Max Pam, ook columnist bij Buitenhof, schreef over jou: ‘De filosofie die aan de door Désanne van Brederode uitgesproken columns ten grondslag ligt, ademt alles uit van iemand die alleen maar het goede wil. Samengevat ziet de wereld van Désanne van Brederode er ongeveer zo uit: als alle mensen een beetje aardiger tegen elkaar zouden doen, zou het een stuk beter gaan met deze wereld.’ Dat klinkt als: ‘Ze is naïef.’ ‘Ja.’

Vind je dat zelf ook? ‘Nee, maar ik ben misschien niet stellig genoeg. Ik kijk bijvoorbeeld weleens naar Maarten van Rossem of Jan Mulder, naar hoe stellig zij eruit flappen wat ze vinden. En dat doen ze nog aardig onderbouwd ook. Aan de ene kant denk ik: jullie vinden je mening kennelijk zo geweldig dat je nooit twijfelt, nooit nuanceert. Aan de andere kant voel ik jalousie de métier: daar sta ik weer met mijn geaarzel.’

Volgend jaar wordt ze 40, de leeftijd waarop een mens de tussenbalans opmaakt: wat wil ik nog, wat moet er anders? ‘O’, zegt ze verbaasd, ‘dat heb ik helemaal niet. De dingen die ik voor mezelf heb gewenst, komen precies naar me toe. Die eerste roman, die was er, op mijn 24ste. En twee weken nadat het blad Esta mijn column had beëindigd, belde Buitenhof of ik als columnist wilde invallen.’

Er is niks dat niet is gelukt? Na een lange stilte: ‘Het enige waarvan ik af en toe denk: wat jammer dat ik daar niet meer mee kan, is het religieuze. Daar denk ik sinds mijn kleutertijd – tamelijk alleen en heel erg veel – over na. Ik heb lang gedacht: wat zou het prettig zijn ten minste één iemand te kennen die, als het om geloven gaat, aan een half woord genoeg heeft.’

Wat betekent het voor jou om gelovig te zijn? ‘Ik heb steeds meer het idee dat ik daar pas aan het eind van mijn leven een antwoord op kan geven. Het is niet: ik ben gelovig, dus ik laat mijn boeken positief eindigen. Of: ik ben gelovig, dus ben ik aardig tegen andere mensen. Dan maak je een programma van het geloof, een instrument waar andere mensen heel goed zonder kunnen. Ik heb het blijkbaar nodig als moreel kader, of om de moed niet te verliezen.’

Wat is het verschil tussen jou en iemand die niet gelooft? ‘Ik ben als kind geraakt door de figuur van Jezus. Diep ontroerd. Dat kon ik toen nog niet benoemen, natuurlijk, maar ik wist wel: deze man is anders dan de prinsen uit Doornroosje en Sneeuwwitje. Dat waren helden die aan het eind van het verhaal nog even door het vuur moesten lopen en dan hadden ze hun prinses. Terwijl, bij het beeld van Jezus aan het kruis ik kon me niet voorstellen dat hij daar hing en dacht: zo, dit is even een fase waar ik doorheen moet en straks sta ik weer op.’

De wanhoop in de zin: Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten. ‘Die vind ik er ook zo mooi aan.’ Later: ‘Vroeger thuis werd er altijd eindeloos gepraat over het geloof. Ik word nog steeds helemaal zenuwachtig van gezinnen waarin vader na de maaltijd zegt: ‘Zo, nu gaan we samen een stuk uit de Bijbel lezen en dan gaan we erover praten.’ Hetzelfde heb ik met het gedoe over vragen als: bestaat God; is er leven na de dood? Dat is voor mij niet de essentie van geloven.’

Wat wel? ‘De hunkering om jezelf helemaal te geven.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden