COLUMNSylvia Witteman

Ik moest beslist dat boek eens lezen waar ze bij Voskuil ruzie over krijgen

Toen ik me door Voskuils Bij nader inzien, Binnen de huid en het eerste deel van Het bureau had geworsteld, trok ik twee conclusies. 1: ik heb me nog nooit aan een romanpersonage zo hartgrondig doodgeërgerd als aan Nicolien Koning, en 2: ik moet beslist dat boek eens lezen waar Maarten en zijn makkers het meermaals over hebben, ja zelfs ruzie over krijgen: Je wist het toch van Josepha Mendels (1948).

Frans en Henriëtte, allebei Joods en in 1943 uit Nederland gevlucht voor de nazi’s, ontmoeten elkaar in Londen en krijgen een verhouding. Hij noemt haar Kabouter, naar een stenen tuinkabouter uit zijn jeugd bij wie hij ’s nachts ging biechten als hij ‘vol enthousiasme had volbracht wat alle kleine jongetjes van de wereld volbrengen’.

Zij noemt hem ‘Raderdier’, naar een minuscuul diertje dat zich door trilharen in het water voortbeweegt. ‘Weet je dat hun lichaam zo doorzichtig is dat je door een microscoop bij het levende dier zelfs van de binnenste organen alle bijzonderheden kunt zien? Is dit met mijn juist ontdekte Raderdier misschien het geval, wat de kronkelingen van zijn gedachten aangaat?’

Die bijnamen ergerden me ook al. Wat een aanstellerij! Maar goed, ze houden van elkaar, en daar gaat het toch maar om. ‘Toen God de stilte schiep, schiep hij de nacht. Raderdier en Kabouter hebben in deze stilte elkaars lichamen ontdekt. Raderdier heeft lang naar haar borsten gekeken, grote volle borsten, en terwijl hij ze zoende heeft hij moeten denken aan hen, die ze eerder gestreeld hadden. En hij heeft op zijn tong moeten bijten om haar niks te vragen.’

Klein, maar niet onbelangrijk detail: Raderdier Frans is getrouwd, zijn vrouw en twee kinderen zijn in Nederland gebleven. Hij bedriegt niet alleen zijn vrouw (wat overigens wel voorstelbaar is, als je elkaar jaren niet ziet) maar ook zijn Kabouter, met diverse Londense meisjes. Kabouter, op haar beurt, doet niet moeilijk en nodigt al die meisjes uit op een feestje voor Frans’ verjaardag. Ja, het is een raar boek. Men zou zelfs kunnen spreken van absurdisme.

Intussen staat de wereld in brand. Frans, die zich nooit Joods heeft gevoeld (‘niemand heeft het mij voor 1940 ooit lastig gemaakt, het Joodse vraagstuk bestond eenvoudig niet voor me’), hoort dat zijn moeder in Theresienstadt is gestorven. Henriëtte vertelt over haar orthodox-joodse jeugd, hoe zij van haar vrome vader nooit bij een vriendinnetje mocht eten en hoe ze niet mocht trouwen met haar grote liefde; voor haar vader was trouwen met een niet-jood hetzelfde als trouwen ‘met een paard’.

Henriëtte herinnert zich een versje dat ze als kind uit haar hoofd moest leren: ‘Negen maanden is de tijd/ aan de zwangerschap gewijd/ een joodsche knaap, gezond van leden/ wordt de achtste dag besneden.’ En Frans probeert niet aan zijn vrouw en kinderen te denken. ‘Zijn ze vergast of stierven ze reeds in de beestenwagen die hen naar Polen transporteerde?’

Frans’ gezin overleeft de oorlog, maar Henriëttes hele familie is vermoord. Frans gaat terug naar zijn gezin, Henriëtte gaat op bezoek bij de buren van haar zus. ‘Een Jodin die al opgepakt was, maar toen meteen weer is vrijgelaten, heeft uw zuster voor haar vertrek nog gezien’, vertelt de buurvrouw. ‘Het was in een loods. Ze waren toen juist bezig haar krullen eraf te knippen. Zonde toch, ze had zulk mooi haar, maar wel hygiënisch met zo’n bende tegelijk.’

Je wist het toch is grotendeels autobiografisch. De titel is dubbelzinnig: je wist dat Frans terug zou gaan naar zijn gezin. En ‘Wir haben’s nicht gewusst’ was een grote leugen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden