Column Sylvia Witteman

Ik lijd aan dyspoëzie; heb geen benul van gedichten

Bij het onvermijdelijke uitdunnen van de boekenkast stuitte ik op een dichtbundeltje van Adriaan Jaeggi met de intrigerende titel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten.

Ik sloeg het aarzelend open. Zoals je mensen hebt met dyslexie of dyscalculie, zo lijd ik aan dyspoëzie; de meeste gedichten die ik lees gaan het ene oog in, het andere uit, zonder dat ik ze begrijp. Het is een ziekte waar je heel oud mee kunt worden. Jaeggi is niet oud geworden. Hij kreeg kanker en is alweer meer dan 10 jaar dood.

Ik heb hem goed gekend. Hij was een leuke, geestige man met vele passies.

Het woord passie is inmiddels uitgehold en inhoudsloos geworden, vooral sinds de middenstand het zich heeft toe­geëigend; je vindt nauwelijks meer een brood dat zonder passie is gebakken, of een biet die zonder passie is gerooid, ja, loodgieters gieten hun lood tegenwoordig met passie, maar Jaeggi was een gepassioneerd man in de oude betekenis van het woord.

Schrijven, koken, zwemmen en trombone spelen deed hij allemaal met evenveel vreugd en toewijding. Als zijn toen nog kleine dochtertjes om een boterhammetje vroegen dan haastte hij zich naar het fornuis en rustte niet voor de schaapjes achter een copieuze maaltijd zaten, en alle toevallige gasten (die waren er zowat altijd) met hen.

Hij had het dichtbundeltje gesigneerd en er een zinnetje bij geschreven: ‘Zet dat gebraad eens aan!’ Ja, onze vriendschap was vooral gestoeld op een wederzijdse liefde voor eten. Van dat zwemmen had niemand last, maar met zijn trombone-liefde pestte ik hem gedurig, want dat blijft toch een instrument dat voor terloopse diner-begeleiding minder geschikt is, maar ik gunde hem zijn ‘toeter’ graag.

Ontroerd bladerde ik door het bundeltje. De meeste dichtbundels worden uitsluitend verkocht – in dertigvoud – aan de moeder van de auteur, maar deze was wel een bescheiden succesje, indertijd. Ik las het gedicht ‘Wolfgang en ik’:

Ik hoor dat Mozart
is teruggekeerd op aarde
en ik mag hem rondleiden
Hij schrikt van de auto’s

Op straat loopt hij
met zijn handen op zijn oren
We gaan een café in
ik zeg daar is het stiller’

We hebben geen geluk
de jukebox gilt en de mensen
Mozart kijkt om zich heen
Waar zit dat orkest

In die kast, wijs ik
en leg hem in tien woorden
het principe van de cd
en de laserstraal uit

Er komt een meisje naar ons toe
Wie is je vriend, vraagt ze
Wolfgang, dit is
hoe heet je eigenlijk

Een paar uur later bij haar thuis
sta ik dorstig op van het bed

in de keuken staat Mozart
het licht aan en uit te knippen

Ik heb dus, nogmaals, geen benul van poëzie, maar dit vind ik een erg fijn gedicht. Ach ja, bedacht ik, Jaeggi was ook nog stadsdichter, indertijd. In die functie schreef hij onder andere gedichten bij de begrafenis van mensen die eenzaam ­gestorven waren, zonder nabestaanden.

Jaeggi heeft wél nabestaanden. Zijn dochters, bijvoorbeeld, over wie hij ooit, na een mooie zomer, de prachtige zin schreef: ‘Ik zwom elke dag met mijn dochters, die in de tussentijd lange benen hadden gekregen’.

Die benen van zijn dochters zijn ­inmiddels nog véél langer geworden.

Hij zou ze eens moeten zien. Wat zou ik daar graag bij zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden