'Ik jaag omdat ik deel ben van de natuur'

Pauline de Bok wilde terug naar de natuur en ging jagen. Ze schreef er een nuchter boek over, Buit. 'Zielig? Supermarktvlees, dát is zielig.'

Pauline de Bok: 'Hoe meer de mens verstedelijkt, hoe meer wildheid wordt geïdealiseerd.' Beeld Adrie Mouthaan

Je had haar twintig jaar geleden niet moeten vertellen dat ze ooit jager zou worden. Dat ze als een sluipschutter langs de bosrand zou lopen en nachtenlang roerloos de vrieskou zou trotseren. Of dat ze ooit zou schrijven: 'Ik trek het strottenhoofd met de slokdarm en luchtpijp omlaag, graai met volle handen de longen en het hart mee. Bij het middenrif snijd ik een van de twee pijlers los waarmee het aan de buikwand vastzit.'

We zijn dan pas op bladzijde 15 van Buit - Een jachtjaar, het boek dat Pauline de Bok (60) schreef over een jaar jagen in het oosten van Duitsland. Ze heeft een everzwijn geschoten en verwijdert de ingewanden en organen, het ontweien. Wie het eerste hoofdstuk zonder weerzin doorkomt, wacht een diepgaand inzicht in de wereld van de jacht, de psyche van de jager en diens relatie tot de natuur. De beeldende beschrijvingen in het eerste hoofdstuk - 'Ik geef een ruk aan de staart, knak en snijd aan twee kanten langs de bouten de anus los' - werken wellicht als een natuurlijke selectie van haar lezers. Is over nagedacht. 'Al wordt er zelden over geschreven, dat hoort er ook bij', zegt De Bok. 'Daarom laat ik het zien. Ik wil alle facetten van de jacht en het jagen laten zien, ook de minder aangename.'

Weinig thuiskoks zullen de rauwe feiten willen weten als ze zo'n zwijnsbout met rozemarijn en knoflook in de oven schuiven. Dat malse boutje zat echt naast de anus. Er is een jager met een geweer aan te pas gekomen die het beest heeft doodgeschoten, en doden, zegt De Bok, 'is hoe dan ook een daad van geweld, of het nu in een slachthuis gebeurt of in het wild. Ik kan er niet tegen dat sommigen het doen voorkomen of jagen alleen maar vredig is. De natuur ís niet vredig.'

Pauline de Bok

1956 Geboren in Geesteren (Twente)
1974-1981 studies theologie en filosofie
1981 journalist voor radio, dag- en weekbladen
1996 Steden zonder geheugen - In het voetspoor van Isaak Babel, literaire non-fictie
1999 Doodsberichten, literaire non-fictie
2006 Blankow of het verlangen naar Heimat, literaire non-fictie
2007 bachelor Duitse taal en cultuur
2008 master vertalen
2008-heden tevens werkzaam als vertaler Duits
2010 Annalise-Wagner-Preis voor Blankow
2014 De jaagster, roman
2016 Jochen, schaff dir eine Kuh an - Geschichten aus Fürstenhagen, literaire non-fictie
2016 Buit- Een jachtjaar, literaire non-fictie

We wandelen door de Amsterdamse waterleidingduinen. De bomen druipen na van een zware onweersbui, de schemering is in aantocht. Damherten tussen het struweel, damherten op de paden. Uit het struikgewas vliegt een Vlaamse gaai op. 'De politieagenten van het bos', merkt De Bok op. 'Als die zijn gealarmeerd, is er meestal onraad.'

Vier jaar geleden haalde ze haar jachtbewijs in het oosten van Duitsland - das grüne Abitur, het groene vwo-diploma. Met haar vriend had ze er in 2000 een oude koeienstal gekocht en bewoonbaar gemaakt. 'Toen ik onderzoek deed voor mijn roman De jaagster (verschenen in 2014, red.), die zich afspeelt in dat gebied, vond ik dat ik moest leren jagen, dat ik een dier moest hebben doodgeschoten om te weten hoe dat voelt.' Na het verschijnen van de roman besloot ze een heel jaar in haar koeienstal te blijven om de jacht in al zijn facetten te doorgronden. Buit is een onderzoek naar haar persoonlijke relatie met de jacht en de natuur.

Ze schrijft: 'Ik wil het landschap aanraken, er iets veranderen, er thuishoren.' Ze wil geen bezoeker zijn die door een mooi landschapje wandelt en die slaapt op een hooizolder in een omgeving die geschilderd zou kunnen zijn in de Duitse Romantiek. 'Ik heb mijn hele leven een sterk verlangen gehad om mijn fysieke wezen te voelen', zegt ze. 'Zodra er buiten iets gedaan moest worden, bomen gekapt, de tuin omgespit, was ik erbij. Als kind maakte ik kampvuren en bouwde ik hutten, jongensdingen.'

's Nachts in je eentje door een woud banjeren, ver van de bewoonde wereld, lijkt niettemin een wat extreem vervolg. 'Je went geleidelijk aan de geluiden, de dieren en hun gedrag. Toen ik daar voor het eerst alleen was, durfde ik 's nachts niet eens naar buiten.' Dat de stoffelijke natuur dichtbij was, ontdekte ze toen de dieren 's nachts heel dichtbij bleken te komen. Reeën graasden de moestuin af, everzwijnen wroetten de grond om. Bij het ophangen van wasgoed in de stal, regende het maden. 'Het stonk al een tijdje, maar we wisten niet waar het vandaan kwam. Er bleek een dode marter tussen de zolderplanken te liggen. Ik heb hem er voorzichtig tussenuit gehaald. Zijn skelet ligt nu in de vitrine.'

Als jager zag ze haar aarzeling om 's nachts alleen de natuur in te gaan onder ogen. 'Ik ga de dingen waar ik een beetje bang voor ben juist onderzoeken. Wanneer je van steeds meer zaken zegt: 'ik kan er niet tegen', perk je je bestaan enorm in. Je moet wel in de schemering in je eentje naar buiten als je een everzwijn wilt schieten, ook bij slecht weer. Het grappige is: als wandelaar ga ik weleens in een wildkansel zitten, een houten hoogzit voor jagers, maar dat hou ik nooit lang vol. Dan zit ik in een mooi decor, maar neem ik geen deel aan de natuur. Ik jaag juist omdat ik deel ben van de natuur. Wanneer ik 's avonds met mijn geweer zit te wachten, tellen de uren niet meer. Ik hou de windrichting in de gaten, speur de omgeving af, probeer vast te stellen waar het wild vandaan komt, hoe het zich beweegt. Ik zie wat de wolken doen en hoe het licht verandert. Het is meditatief. Als je wild ziet, blijf je dat in de gaten houden en denk je nergens anders meer aan. Maar oké, als ik vier uur buiten zit bij min zes en er komt niks opdagen, wil ik graag naar huis.'

Als kind ging ze vaak mee met haar vader, dierenarts in een boerendorp, ook wanneer er minder zachtzinnige ingrepen op het programma stonden, zoals het afzagen van een kalf dat niet door het geboortekanaal kon. Ze had vaak toegekeken hoe haar vader dode dieren opensneed om vast te stellen waaraan ze waren gestorven. Toen ze in Duitsland voor het eerst een zelfgeschoten dier ontweide, voelde het vertrouwd. 'Ik had dat blijkbaar opgeslagen in mijn jeugd. Ik was gaan studeren, had jarenlang in de stad gewoond. Het was bijna een opluchting om te voelen dat er ook nog een fysiek leven was, een verbondenheid met de natuur. Ik voel me ook heel dicht bij mijn vader als ik een dier ontwei.' Wat ze afschiet, eet ze op of deelt ze met vrienden. 'Meer hoeft niet.'

Tussen de Duitse jagers is De Bok een buitenstaander. Al drinkt ze hun bier en kruidenbitter, al deelt ze hun plechtige rituelen en gebruikt ze hun jachtvocabulair, ze blijft een vrouw, een stadse schrijfster, eentje die af en toe nagellak of lipstick draagt. 'Tijdens drijfjachten schiet ik niet veel. Dat gaat me te snel. Ze vinden me daarom nog steeds geen echte jager, denk ik. Prima.' Na het behalen van haar jachtbewijs ging ze op zoek naar een eigen geweer. Het werd een tweedehands exemplaar met een notenhouten kolf van het merk Mauser. 'Toen Duitsland na de Eerste Wereldoorlog geen wapens meer mocht produceren werd de Mauser-fabriek verplaatst naar het huidige Tsjechië. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd die fabriek geannexeerd door de Duitsers, maar mijn geweer is uit de Tsjechische tijd. Het heeft een verhaal, maar ik zal nooit weten wat voor verhaal. Ik vind dat fascinerend.

'Ik heb respect voor dat wapen, eigenlijk met een heel dubbel gevoel. Aan de ene kant vind ik het fijn om ermee in de natuur te lopen, om het te laden en te bedienen. Het mechaniek is heel ingenieus. Maar ik ben me steeds bewust van de dodelijkheid ervan. Soms wordt me gevraagd of ik me veiliger voel met mijn geweer bij me, maar dat is niet zo. Gevaar, menselijk gevaar, is altijd dreigender als er een wapen aanwezig is. Dat maakt de situatie explosiever.'

Door de duinen klinkt een kelig, knorrend geluid, een burlend damhert - het is bronsttijd. 'Kijk, de hinden lopen weg. Ze hebben er nog geen zin in', zegt De Bok. 'Die twee daar trekken zich het eerst terug. Die zijn jong en wat schichtiger.' Waar je ook kijkt, zijn damherten - 'dammen', zegt De Bok. De populatie kon zich jarenlang voortplanten terwijl politiek en dierenbeschermers verknoopt waren in een emotionele discussie over wildbeheer. In augustus bepaalde de rechter dat de provincie mag doorgaan met afschieten, een paar duizend stuks.

De stadsmens is ver van de natuur komen staan, zegt ze. 'Vaak worden menselijke eigenschappen toegeschreven aan dieren. Hoe meer de mens verstedelijkt, hoe meer wildheid wordt geïdealiseerd. Ze hebben geen idee hoe de natuur werkelijk in elkaar zit. Ze zijn ervan vervreemd. Ze zijn tegen de jacht omdat ze het zielig vinden en eten intussen vlees uit de supermarkt.'

Jagers beweren toch ook dat ze weten wat goed is voor dieren? 'Dierenbeschermers gaat het vaak om het individuele dier, natuurbeschermers, onder wie steeds meer jagers, gaat het om ecologisch evenwicht. In een afgeperkte omgeving zoals de duinen hier, of de Oostvaardersplassen, kan zo'n balans nooit vanzelf ontstaan; damherten hebben hier vrijwel geen natuurlijke vijanden. In Duitsland, in het gebied waar ik jaag, groeit de zwijnenpopulatie met 300 procent per jaar als er geen zwijnen worden afgeschoten. Die beesten veroorzaken enorme schade. Het kan gevaarlijk worden.'

Onder dierenbeschermers heeft ze geen vrienden. 'Ik vind een bepaald type dierenbeschermers hoogmoedig. Doden uit oogpunt van wildbeheer is voor hen uit den boze. Zij bepalen wat goed is voor dieren en plaatsen zich daarmee boven het dier. Ze maken bijvoorbeeld hun katten vegetarisch. Welke aard van welk dier respecteer je dan eigenlijk? Ik zat eens in een forumdiscussie met een filosoof die vond dat dieren democratische rechten moesten krijgen. Wie bepaalt dan welk dier welke rechten krijgt? Juist: de mens. Een dier is een persoon, zei hij. Dat zal ik niet ontkennen, maar het is geen ménselijk persoon. De mens is een zoogdier en een predator. Hij staat in onze contreien samen met de wolf aan de top van de voedselpiramide. Maar in hun ogen moet de wolf worden beschermd en de jager uitgeroeid.'

Jagen zit in de mens, zegt ze. 'Tegenstanders van de jacht ontkennen dat, maar ik vind dat een gebrek aan zelfinzicht. Het blijkt uit allerlei eigenschappen: territoriumdrift, hiërarchie, de strijd om de leiding van de roedel. Stoeiende kinderen zijn in feite aan het oefenen om te vechten. Als je speels tegen een klein kind roept: 'Ik pák je', rent hij weg, een instinctieve reactie. We hebben de jacht niet meer nodig om te overleven, maar intussen jagen we op allerlei andere dingen. Ik begrijp niet waarom je dat zou willen wegstoppen. Voor een goede omgang met je instincten, met agressie bijvoorbeeld, moet je het juist onder ogen zien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden