‘IK HOOP DAT HET GEVAARLIJK IS’

Ilja Leonard Pfeijffer schreef zijn eerste toneelstuk: De eeuw van mijn dochter, naar de gelijknamige toespraak van premier Balkenende. Met personages als mevrouw Balkenende en Jeroen Krabbé....

Karin Veraart

‘Niet gedacht dat ik ooit nog eens in de rats zou zitten als het kabinet Balkenende zou vallen! Toch is dat kort het geval geweest. Maar gelukkig is er niets aan de hand. De nieuwe coalitie is als een tweede huwelijk waarin alles bij het oude blijft. De timing van het stuk had niet beter kunnen zijn!’

Ilja Leonard Pfeijffer spreekt met zichtbaar plezier over zijn eerste toneelstuk. De eeuw van mijn dochter heet het, met een knipoog naar de gelijkgetitelde toespraak van premier Balkenende uit 2005, waarin die zijn licht laat schijnen over solidariteit, economische weerbaarheid en het belang van een sterke rechtsorde in een tijd (én een land) waarin zijn dochter Amélie opgroeit.

Pfeijffer schreef het speciaal voor Annette Speelt, op verzoek van het gezelschap. Naar oorspronkelijk plan zouden ze gedurende de campagne spelen, en was de laatste voorstelling op de verkiezingsdag gepland. Enfin, het liep wat anders. Niet erg, want hoewel het stuk een actuele lading heeft, is het heus niet aan een datum gebonden. Wel aan de tijdgeest, dat wel: de tijdgeest volgens Ilja Leonard Pfeijffer uiteraard, óók. Onherroepelijk.

ATHENE

En nu is al het oude terug. Ik rijm

conform de nieuwe tijden op het oude rijm.

(...)

De burgerkliek

vergaapt zich als vanouds. Het doek is op. Tragedie

ontvouwt zich voor hun ogen. Er is geen remedie

en zij beseffen dat. De boel gaat naar de klote

en hun rest niets dan huiver, zoals Aristote-

les dat voorheen in onze tijd goed formuleerde.

ZEUS

Ach, onze tijd. Hoe lang is dat geleden. Keerde

weerom de dag dat wij tonelen overheersten

met almacht en dat stervelingen ons ten zeerste

met angst en beven rillend waren toegenegen.

ATHENE

Dan heeft u, vader, nu opnieuw uw zin gekregen.

Rijmende alexandrijnen, Griekse goden. De Olympus als toneel, maar ook: Nederland in de nabije toekomst, met personages als mevrouw Balkenende (de weduwe van) en haar dochter Amélie; en tenslotte Jeroen Krabbé, als premier.

Pfeijffer lacht. Het is een gezamenlijk project geweest, benadrukt hij; je zou kunnen denken dat juist die goden uit zijn koker kwamen – hij, graecus, tot voor enige tijd onderzoeker en docent aan de Universiteit van Leiden. Maar Thijs Römer en Michel Sluysmans van Annette Speelt wilden graag een moderne Griekse tragedie rond een actueel thema, mét goden. Zelf stond hem vooral de vorm al een tijdje voor ogen.

Resultaat is een treurspel in vijf bedrijven, dat volle, kloeke monologen afwisselt met snelle, oergeestige dialogen over de weinig florissante stand van het land. Pfeijffer ging kort te rade bij Vondel, ‘maar ik heb me al snel veel meer vrijheden veroorloofd dan toentertijd gebruikelijk was. Het gevaar met zo’n klassieke vorm is dat het enigszins statisch wordt, en dat wilde ik ondervangen.

‘Maar in moderne stukken zie ik vaak de neiging om alles zo realistisch mogelijk te maken, vooral de manier waarop de acteurs spreken – een beetje als televisie. Daar zijn natuurlijk talloze uitzonderingen op, maar het trof mij toch. Omdat toneel per definitie een heel kunstmatig genre is, een kunstmatig soort communicatie. Mijn idee was nu juist dit te benadrukken: klassieke vorm, actueel onderwerp. Nou, kijk eens aan! Langzamerhand rijpte toen het plan om het te enten op die toespraak. En ja, vervolgens hebben we daar nog vele slopende sessies aan besteed. . lange vergaderingen. . . een fysiek zwáár creatief proces was het. Veel in dit café. Toevallig.’

Niks toeval. Dit café is café Burgerzaken in Leiden, Pfeijffers stamcafé waar hij sinds jaar en dag afspreekt, dat inmiddels geen interviewer ongenoemd laat, en dat zozeer verbonden is met het fenomeen Ilja Leonard Pfeijffer, dichter, romancier, poëzierecensent, polemist, dat het ook alweer opduikt in zijn laatste roman Het ware leven, een roman.

Bezoek het en zie dat alles is zoals ik zeg. (. . .) Bezoek het, bij voorkeur in de ochtend, wanneer ik er niet ben, zodat u dit verhaal niet nodeloos verder belemmert, en twijfel vanaf nu geen moment meer aan het waarheidsgehalte van deze roman.

Het is zoals hij zegt. Een licht grand café met La Chouffe op de tap, en met Pfeijffer aan een tafeltje – het is inmiddels middag. Hij heeft zojuist iets bij de uitgever afgeleverd en hoewel dat altijd een ingewikkeld moment is, oogt hij opgewekt. Dubbele espresso erbij, cola en een shagje. En het toneelstuk, in boekvorm, net verschenen. Deze avond zal hij gaan kijken, voor het eerst weer sinds het begin van het proces. Doe maar alsof ik dood ben, had hij tegen de acteurs gezegd. Ofwel: de tekst is klaar, nu mogen jullie ermee aan de haal. Maar hij is wel erg benieuwd.

Het genre is hem nieuw. Pfeijffer (Den Haag, 1968) debuteerde als dichter in 1998 met van de vierkante man, waarmee hij de C. Buddingh’-prijs won. Zijn prozadebuut Rupert (deel van een aangekondigd vierluik) leverde hem onder meer de Anton Wachter-prijs op. Er volgden dichtbundels, de romans Het grote baggerboek (AKO-nominatie) en dus Het ware leven (longlist Libris Prijs), een essaybundel en een korte literatuurgeschiedenis van de antieken.

Aan aandacht geen gebrek, maar met kennelijk genoegen wierp hij zich bovendien op als nijver polemist, die zeker in de poëziewereld nogal wat stof deed opwaaien. Hij kritiseerde luidop collega-dichters van naam om hun veilige, risicoloze werk en riep op tot durf en gevaarlijke poëzie. Niet de dichter moet huilen, maar de lezer, en: je moet het niet zeggen, maar voelbaar maken, vindt hij. En wat hij nu ook weer zegt: ‘Je moet iets willen maken dat er nog niet was. Dat geldt voor mij tenminste.’

Een gevaarlijk toneelstuk. ‘Ja. Ik hoop dat het gevaarlijk is, in die zin dat het mensen toch wel enigszins aan het denken zal zetten. Ook al is het maar voor een avondje. Ik vond het mooi om mee te maken bij een van de eerste lezingen – niemand had het nog onder ogen gehad, en soms konden de acteurs hun lachen niet inhouden bij hun eigen teksten. Alleen, naarmate het stuk naar het einde liep, verging hen het lachen, letterlijk. En toen, na de laatste scène, was het twee minuten echt stil – daarna begon iedereen over politiek te discussiëren. Als je zoiets kunt bereiken bij het publiek, dan is dat toch wel wat, dus laat het in die zin een gevaarlijk stuk zijn.’

Het ligt in de eerste regels al op de loer zegt hij, reciteert:

Hoe groot kan groot zijn in een land waar grootheid geldt

als overdaad, bescheiden streven wordt geteld

als grote deugd en kleinheid als ons grootste wapen?

‘In zekere zin is dat al de kern. Het kleine, benepen denken wordt naarmate het stuk vordert steeds zichtbaarder en voelbaarder.’ Het citaat wordt uitgesproken door het personage Jeroen Krabbé (gespeeld door Jaap Spijkers) die een rede houdt bij het graf van Balkenende. Krabbé (de grootste vriend van Nederland, de kampioen bevriend zijn met alwie gestorven is en machtig belangrijk is geweest) zal al snel de weduwe trouwen en heeft het vooral voorzien op de dochter. Maar met het land gaat het niet best, en uiteindelijk ook met deze mensen niet – daar helpt geen lieve god aan.

Pfeijffer: ‘Authenticiteit is een van de centrale thema’s in mijn werk; ook in dit stuk speelt het. Met een acteur als één van de hoofdpersonages kun je de vraag naar authenticiteit mooi oproepen. Het werkt ook als commentaar op de huidige politieke situatie – het enige zo ongeveer wat ertoe doet, is echtheid in de ogen van de kiezers. Én dus in die van de spindoctors. Er is niks authentieks aan, alles is geregisseerd. Dat kun je uitvergroten: met een acteur als premier.’

Wie kijkt naar het oeuvre en de manier waarop de auteur optreedt, naar buiten toe in interviews en op poëziebijeenkomsten, maar ook als een van de figuren in zijn eigen Het ware leven, een roman, zou aanleiding kunnen hebben te denken dat hijzelf een strenge regie voert over een zelfgeschreven Pfeijffer-scenario.

‘Laten we die illusie maar in stand houden! Nee hoor, niks geregisseerd. Ik heb natuurlijk een bepaald imago en velen zien dat telkens weer bevestigd, terwijl – daar ben ik niet mee bezig. Goed, ik ga het weer thematiseren, dat wel. Maar je ziet hoe raar het lopen kan: omdat Thijs en Katja in de Transsiberië Express bij wijze van spreken maar één boek bij zich hebben, zit ik anderhalf jaar later hier over een toneelstuk te praten. Dat is geen enkele vorm van planning.’

Want zo is het gekomen: Römer en vriendin Katja Schuurman lazen Het grote baggerboek en waren er weg van. Sluysmans overkwam hetzelfde. Zij benaderden Pfeijffer voor eventuele samenwerking en inmiddels zijn ze vrienden. Pfeijffer sloot zelfs afgelopen zomer het huwelijk van Römer en Schuurman, in Frankrijk. En, zegt hij, voorjaar 2008 komt er weer een toneelstuk van zijn hand bij Annette Speelt. ‘Iets totaal anders’.

‘En dan als het eenmaal af is, zullen anderen misschien zeggen: zo nieuw is het niet, want dat sluit daar en daar bij aan – en dat is wellicht waar, en dat is wellicht ook zelfs wel goed. Maar dat is niet het uitgangspunt. De consistentie is gevolg van het feit dat die bepaalde thema’s mij nu eenmaal bezighouden.’

Zo verschijnt in mei een nieuwe uitgave: Second Life, verhalen en reportages uit een tweede leven. ‘Een leuk tussendoorboekje, niet heel pretentieus.’ Al eerder stapte hij voor nrc.next in de virtuele wereld die Second Life heet, en kwam terug met een aantal journalistieke reportages; in die geest ging hij voor het boekje verder. ‘Sommige stukken zijn non-fictie, met bijvoorbeeld uitleg over de virtuele economie, en dat dan afgewisseld met een human interest journalistiek – interviews met mensen die ik daar tegenkwam op straat. Dat is toch geweldig! Echt, nep, het heeft het helemaal.’

Het valt nu wel mee, zegt hij, maar meestal is er na inlevering van een manuscript drie dagen lang sprake van een ‘merkwaardige mengvorm van pure euforie en pure postnatale depressie. Ik kan het werk eigenlijk nauwelijks nog bekijken, dan.

‘Als ik aan het schrijven ben, bestaat er een zeker kunstmatig zelfvertrouwen: ik moet volslagen overtuigd zijn van de eenmalige genialiteit van wat ik op dat moment aan het schrijven ben, anders wordt het niks. Maar ja, du moment dat het klaar is en opgestuurd, denk ik: jezus, in mijn hoofd was het een meesterwerk en nu is het dit?!’ Daarna gaat het langzaam maar zeker beter.

Aan kritieken laat Ilja Leonard Pfeijffer zich meestal weinig gelegen liggen. ‘Dat klinkt misschien als stoerdoenerij maar het is waar. Ik weet zelf altijd zo ontzettend goed waar de sterke en zwakke punten liggen. Ik lees het wel, en ik lees het met interesse, maar ik lig er niet wakker van, van positieve noch negatieve recensies. Maar ach! Nu met De eeuw van mijn dochter is het anders. Als er iets slechts geschreven zou worden over de acteurs, of als ze die onderling tegen elkaar af zouden zetten, o, dat zou ik vreselijk vinden. Dat zou ik me erg aantrekken. Ja, je werk krijgt zo echt nog een andere dimensie.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden