‘Ik heb Rembrandts ogen nooit begrepen’

Na enkele dichtbundels en een verhalenbundel beproeft het jonge Duitse talent Silke Scheuermann nu ook de romanvorm. Het uur tussen hond en wolf is wonderschoon, poëtisch en vervreemdend....

Arjan Peters

Er is iets mis. Meteen vanaf de eerste zin is de vertelster in Het uur tussen hond en wolf, de wonderschone debuutroman van de Duitse Silke Scheuermann (34), haar evenwicht kwijt. De lezer heeft haar slechts te volgen in de vrije val die ze in de loop van het verhaal zal maken, en die onverhoeds begint als ze ’s ochtends baantjes wil trekken in het zwembad van Frankfurt.

‘Vanochtend ben ik niets, niets dan een vage omtrek, op de smalle strook tussen bassin en glaswand van het zwembad, de zoveelste weerspiegeling van een jaren geleden beëindigd leven, de schaamteloze kopie van een eerste zin.’

Volkomen onverwacht zag ze zojuist haar zus Ines uit de kleedkamer komen – dezelfde die ze nou juist jaren heeft ontweken. Ines, de vier jaar oudere alcoholische schilderes, die met haar interessante, artistiek onverantwoordelijke gedrag altijd de hulp van mannen en vrouwen weet op te wekken.

De vertelster, die reportages voor Duitse kranten schrijft, is een flinke tijd terug naar Rome verhuisd. Dáárom is ze niet teruggekeerd, om meteen in het zwembad op de zandlopergestalte van Ines te stuiten. Maar jawel, binnen de kortste keren leert ze ook de nieuwste vriend van Ines kennen, de fotograaf Kai, en die vraagt prompt of Ines een tijdje bij haar jongere zus kan komen wonen, want ze zit in een creatieve crisis, en niet alleen een creatieve.

Ongewild raakt de vertelster weer bij het leven van haar wilde zus betrokken. Onder de handen van Silke Scheuermann wordt dit verhaal een grote stadsroman met poëtische allure, niet vreemd voor een auteur van wie dit jaar ook een dichtbundel verscheen, waarin de instabiliteit die haar werk kenmerkt tot in de titel doorklinkt: Über Nacht ist es Winter.

Er is iets mis met Silke Scheuermann. Ze zou vorige week optreden in Den Haag tijdens het Crossing Border Festival. In een laat stadium moest ze afzeggen.

‘Een ongelukje’, zegt ze, logerend in Amsterdam: ‘Laatst ben ik lelijk van de fiets gevallen in Frankfurt. Vanwege mijn verwondingen kon ik niet naar Den Haag komen. Ik ben hier maar even, met blauwe plekken en al. Nog deze week moet ik thuis naar het ziekenhuis, voor een behandeling aan mijn heup.’

Van de fiets gevallen in Frankfurt, een welhaast surrealistisch ongeval in een stad waar bijna niemand zich fietsend verplaatst. Nog vóór we Scheuermann kennen, weten we al iets merkwaardigs van haar. Zoals we ook van de vertelster in Het uur tussen hond en wolf terstond begrijpen dat ze uit haar doen is.

Maar wie is zij? Over haar jeugd horen we bijna niets, en van die tijd in Rome vernemen we kortaf dat ze daar getrouwd is geweest. Scheuermann knikt. ‘Dat gebrek aan informatie is mijn opzet geweest. Het ging mij om de tegenstelling tussen die zussen: de ene een controlfreak die elke morgen in het zwembad ligt, de jongere een excentrieke kunstenares. De verschillen zijn duidelijk, maar al snel verandert daar iets in. De vertelster begint zelfs na enige tijd een verhouding met de vriend van haar zus, zodat er een complexe mengeling plaatsvindt.

‘Dat intrigeert me meer dan wanneer ik met een verklaring op de proppen was gekomen, zoals je die veelal in romans aantreft, door bijvoorbeeld uitgebreid te vertellen over de gedeelde jeugdjaren van die zussen. Verre van avontuurlijk.

‘Een verklaring maakt alles zo banaal, en kloppend. Door die de lezer te onthouden, spoor ik hem aan mee te kijken naar wat hier gebeurt, als met een camera. De waarneming van het heden is intenser als je niet wordt gehinderd door geruststellende informatie over de achtergrond van de personages.’

De vertelster voelt zich niets, ‘hier in dat, dat – ik zocht een scheldwoord – dat Nietrome, Nietparijs en Nietnew York’, zoals ze zegt als ze naar de rivier de Main blikt, bang te verdwijnen in een kolk die ze niet meer kan bedwingen.

Scheuermann: ‘De ervaring van een nieuwkomer in een grote stad. Ik woon in Frankfurt, en hoewel er charmanter plaatsen denkbaar zijn, denk ik dat dit verhaal zich in alle grote steden had kunnen afspelen. De vrees om te verdrinken in de anonimiteit. Je moet in een stad je eigen spoor achterlaten.’

Tijdens die verkenningen raakt de vertelster in figuurlijke zin steeds verder van huis, ze vergelijkt mensen veelvuldig met dieren, alsof er een permanente transformatie plaatsheeft. Zelfs in een bladenkiosk zit er eentje – als een dier in zijn terrarium.

‘Het was een van die kioskvrouwen van wie je je afvroeg of ze nog leefden of gewoon nog niet gevonden waren, met een prehistorisch hoofd dat direct op de schouders vastzat, net als bij een schildpad.’

Silke Scheuermann: ‘Op dat moment is de vertelster bang dat ze zelf ook zo eindigt.’ Het heden, de leeuw tussen hond (het verleden) en wolf (de toekomst) volgens de Griekse legende van Apollo, wordt bij de Duitse schrijfster een beangstigende, maar ook komische en avontuurlijke tussenfase – het is een fase waarin wij ons feitelijk elke seconde bevinden.

‘Aan het eind,’ zegt ze, ‘staat die zin waar de ochtendlijke zon de vertelster in de greep heeft: ‘(*) en ik keek naar de opgaande zon als naar een vijand die de kamer met zijn bewoners overwon doordat hij die steeds lichter maakte, een vijand die me telkens weer verraste met zijn uitzonderlijke schoonheid, ook nu weer, nu ik zag hoe de zonnestralen door de gordijnvezels priemden, hoe ze kleur kregen en als kleine, lichtgevende rasters, als zonnevlekken door de kamer wandelden, het tapijt overstaken, op de onderkant van het dubbele bed hupten, tot bij ons; ze marmerden de deken en mijn onderbeen in een onregelmatig patroon, als de huid van een exotisch dier.’

Scheuermann: ‘In de Europese traditie is het gebruikelijk de verandering van mens en dier als negatief te bezien, als een straf van de goden. Ik vraag me dat af, en deed dat al toen ik de Griekse mythen en sagen las tijdens mijn studie theater- en literatuurwetenschap. In Egypte is die verandering soms positief.

‘Ik word door dat tussengebied aangetrokken. In mijn gedichten wemelt het van heksen, trollen, weerwolven en waternimfen die zich daar ophouden. Het uur tussen hond en wolf is een realistische roman, maar aan de aantrekkingskracht van de ontregeling is zelfs voor de vertellende controlfreak niet te ontkomen.

‘Die kun je met taal bewerkstelligen: door vergelijkingen en associaties kun je de tover honoreren. En door die vertelster naar een Francis Bacon-tentoonstelling te laten gaan, waar ze oog in oog komt te staan met zijn portretten van verdierlijkte mensen.’

Zo’n verband ziet ze pas achteraf. ‘Tijdens het schrijven gebeurt veel onbewust, zoals je het beste gedicht maakt zonder te weten wat je doet. Mijn zinnen vertrekken vaak vanuit een realistische situatie, maar gaandeweg komt er een lyrische wending in; hoe dat verloopt weet ik zelf niet, maar ik beschouw het als geluk. Dan weet ik iets op het spoor te zijn.’

De vertelster wordt een ander leven in getrokken, gaat relaties aan, en vervalt toch in het patroon dat ze haar drinkende zus wil helpen: ze brengt Ines stiekem whisky als die in het ziekenhuis is beland, en rijdt haar ten slotte naar een ontwenningskliniek in de heuvels op een grondgebied dat Schlangenbad heet, een naam als uit een sage.

Die Ines heeft het mooi voor elkaar. Er gaat weer voor haar gezorgd worden. Zij is eigenlijk de grote constante in de roman, níet de redderende zus.

Scheuermann: ‘Vindt u dat? De oudere zus die van kinds af degene was die voordeed hoe je je moest gedragen, blijkt geen houvast te zijn. Voor de jongere is het misschien prettig te merken dat er ook nog een leven mogelijk is waarin je niet op alles greep hebt. Maar aan het eind van het verhaal weet de lezer helemaal niet meer hoe het met beiden verder gaat.

‘Daar wil ik hem hebben. Ik hoor van veel lezers dat ze graag een vervolg op deze roman willen. Ze verlangen een verklaring of oplossing. Gaat er één sterven, zoals zoveel verhalen eindigen – dan wéten we dat tenminste.

‘Tja. Ines kan ook haar leven weer op orde krijgen in die kliniek.’ Maar ze is ook in staat om kort na haar aankomst uit te breken. ‘Ja, dat zou handig zijn voor een vervolgdeel! Dat ik mijn personages tussen polen laat zweven, bezorgt lezers een ongemakkelijk gevoel.’ De gulle lach van Scheuermann verraadt dat ze daarmee voorlopig hoogst tevreden is.

In Duitse kritieken wordt haar werk – poëzie, de verhalenbundel Omgeven door bliksem (2006), de nieuwe roman – nadrukkelijk beschouwd als dat van een nieuwe generatie: de wemel van relaties, de flirt met de zelfkant, jonge personages wier levens niet op zekerheden stoelen, vervreemdende situaties in nachtlokalen en bistro’s.

Voor haar is ook dat niet zeker. Scheuermann: ‘Ik denk niet aan mijn generatie, die zich al dan niet aan traditionele verhoudingen zou spiegelen. Bij het schrijven zag ik twee individuen voor me: de zussen. Niet omdat ik dat zelf ken – ik heb alleen een broer, die computerspelletjes maakt in Amerika, maar ik wil weten hoe dat is: opgegroeid zijn met, vastzitten aan iemand die op je lijkt, maar die toch anders is.’

In Scheuermanns wereld is geen lichaam zich van zijn vorm zeker, en kan alles veranderen, zoals de winter binnen een nacht kan invallen. Als ze naar de zelfportretten van Rembrandt kijkt, ziet ze allesbehalve verstarring.

In haar laatste bundel schrijft ze een gedicht – autobiografisch, bevestigt ze – over de ogen van Rembrandt van Rijn: ‘Die Augen Rembrandts habe ich niemals/ verstanden Wie sie hemmungslos ruhig/ von der Leinwand sehn/ und erzählen// was die Gabe bedeutet alles in Bilder zu/ fassen einschliesslich sich selbst’.

Scheuermann: ‘Het moet wonderlijk zijn jezelf te schilderen, zoals Rembrandt vaak deed. Geen autobiografie schrijven, alleen spiegelbeelden maken. Er ritselt van alles op die schemerige doeken. Ik vroeg me af wat zijn ogen willen vertellen.

‘Zijn identiteit is opgegaan in die beelden. Ik wil er geen biografie van Rembrandt op naslaan om naar een verklaring te zoeken. Het doek zelf zegt al zo veel tegen de kijker. Daar richt ik mijn aandacht op.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden