'Ik heb niet de illusie dat ik het beter weet dan anderen'

Slechts tien films maakte de Hongaarse meesterregisseur Béla Tarr. Filmmuseum Eye stelde met hem een expositie samen en toont zijn hypnotiserende oeuvre. Dat laat je beduusd en bezield achter.

Béla TarrBeeld Renate Beense

Het is de treurigste boom uit de filmgeschiedenis. Solitair, schraal en kaal, geworteld op de top van een heuvel waar de wind hem onvermoeibaar geselt. Een prettig uitzicht lijkt de boom ook al niet te hebben, in Béla Tarrs The Turin Horse (2011). Nadat de twee uitgemergelde hoofdpersonages de heuvel hebben beklommen, in een laatste poging te ontsnappen aan hun lot, keren ze meteen weer huiswaarts. Waarom precies, dat zien we niet, maar blijkbaar kwijnen vader en dochter liever weg in hun krot dan dat ze zich overgeven aan hetgeen hen voorbij de heuvel wacht. Alsof daar de aarde ophoudt te bestaan en de boom een allerlaatste, dorre grenspost is.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

The Turin Horse (2011).

Leefbare wereld

Diezelfde boom, of eentje die er sterk op lijkt, staat nu in Filmmuseum Eye. Zes jaar nadat hij met The Turin Horse (A torinói ló) zijn pensioen als filmmaker heeft ingeluid, is een van de grootste regisseurs van zijn tijd door Eye uitgenodigd om een expositie rond zijn werk te maken. Dus heeft hij het einde van de wereld met boom en wind(machine) naar Amsterdam verhuisd.

Hoewel, het einde van de wereld - zo moet je die eenzame boom volgens Tarr (61) niet zien. 'De wereld gaat immers niet ten onder', zegt hij via Skype vanuit Boedapest. 'Alleen ligt het wel aan ons wat er met die wereld gaat gebeuren. Aan jou, aan mij, aan ons allemaal. En als we er niet iets beters van kunnen maken dan dat wat we nu overal om ons heen zien, dan ben ik diep teleurgesteld.'

Oktober vorig jaar, enkele dagen voor het referendum waarmee de Hongaarse regering probeerde te ontkomen aan de door de EU verplichte opname van vluchtelingen, schreef Tarr een geëmotioneerde open brief aan zijn landgenoten die werd voorgelezen tijdens een demonstratie. 'GEEF HUN VOEDSEL! GEEF HUN WATER! GEEF HUN ONDERDAK!' Ook in Eye lijkt Tarr de bezoeker in het perspectief van de ontheemde te willen plaatsen: de expositie begint in een met hekwerk afgezette ruimte vol foto's van vluchtelingen en thuislozen. 'Maar het gaat me hier niet zozeer om de vluchtelingencrisis. Het gaat me om dat wat die problematiek over onszelf zegt. Over onze luiheid, over ons onvermogen de wereld leefbaar te maken. Tegelijkertijd ben ik net zo lui en schuldig als iedereen. Het enige wat ik op dit moment doe is zo'n verdomde expositie inrichten.'

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Scène uit Damnation (1988).

Béla Tarr: Till the End of the World - een mengvorm van tentoonstelling, installatie en theaterdecor - is evenwel een logische voortzetting van Tarrs grandioos kaalgeslagen universum. Met films als het duistere sprookje Werckmeister harmóniák (2000) en het zevenenhalf uur durende Sátántangó (1994) leverde Tarr in regen, nevel en modder verzonken meesterwerken af, waarin de personages vergeefs vat op hun bestaan proberen te krijgen. Alles raakt gesmoord in opportunisme en dronkenschap, en anders is het wel het werkpaard dat geen zin meer heeft om te eten en drinken en daarmee voor de vader en dochter uit The Turin Horse de ondergang inluidt.

Complete dorpen gaan eraan bij hem. En toch: mits je er vatbaar voor bent, laten zijn films je eerder beduusd en bezield achter dan murwgebeukt. Dat komt alleen al door de hallucinante schoonheid die hij en vaste medewerkers als cameraman Fred Kelemen in alle Oost-Europese treurnis ontdekken. Als iemand je kan hypnotiseren met over muren glijdende schaduwen, met een kudde koeien, een mistwolk of in de wind klapperend stuk zeil, dan is het Tarr.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Sátántangó (1994).

Sprankje hoop

Bovendien flakkert er altijd wel ergens een laatste sprankje hoop, een laatste rest menselijkheid. De hand die het stervende paard streelt in The Turin Horse, de lange (natte) kus waarmee twee voor het verhaal onbelangrijke personages uit Werckmeister harmóniák de film naar zich toetrekken: wankele kaarsvlammetjes zijn het, die je in het gitzwarte geheel gemakkelijk over het hoofd kunt zien. Geen wonder dat Tarr vaak als doemdenker wordt beschouwd, terwijl hij nog steeds in het goede van de mens probeert te geloven en allerminst gelooft dat hij de waarheid in pacht heeft. 'Ik ben geen profeet die anderen vertelt hoe de wereld precies in elkaar steekt, of wat ze moeten doen. Ik heb niet de illusie dat ik het beter weet dan anderen', aldus Tarr. 'Ik reageer slechts op de dingen die ik om me heen zie gebeuren. Dat is alles.'

Als angry young man in het door de communisten bestuurde Hongarije van de jaren zeventig, was het de leugenachtigheid van de gemiddelde bioscoopfilm die Tarr ertoe bracht filmmaker te worden. Als hij op het witte doek nooit het echte leven terugzag, dan moest hij er maar persoonlijk voor zorgen dat die 'echte' films er kwamen - met Family Nest (Családi tüzfészek, 1979), een claustrofobisch 'Kammerspiel' over de teloorgang van een liefdespaar, als eerste wapenfeit. 'Naarmate ik de mens en het leven beter begreep, veranderde natuurlijk ook mijn stijl - stap voor stap.'

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Werckmeister harmóniák (2000).

Amateur

Expressionistisch kleurgebruik maakte plaats voor zwart-wit; het aanvankelijk schokkerige handcamerawerk kalmeerde, de shots gingen steeds langer duren. Het is fascinerend om te zien hoe Tarr geleidelijk uitkwam bij de traag cirkelende camerabewegingen die vanaf Damnation (Kárhozat, 1988) zijn handelsmerk werden. En hoe hij van sociaal-realisme richting abstractie schoof, met het volkomen uitgebeende The Turin Horse - twee personages, één locatie, één shot per scène.

Omdat hij bang was dat hij zich zou gaan herhalen, stopte Tarr na negen speelfilms als cineast. 'Al tijdens de opnamen van The Turin Horse wist iedereen dat het mijn laatste zou zijn. Maar mijn creativiteit hield daarmee niet op te bestaan.' Binnen de filmacademie van Sarajevo richtte hij de 'film. factory' op, een opleiding waar jong talent workshops volgden van talrijke iconen uit de wereldcinema, en Tarr voornamelijk optrad als mentor bij de afstudeerfilms. Eind vorig jaar sloot de factory door geldgebrek alweer de deuren. 'Dat doet natuurlijk flink pijn, ik heb me er meer dan vier jaar volledig aan gewijd. Maar nu wil ik me concentreren op de Eye-tentoonstelling. Het is mijn allereerste expositie en ik ben ontzettend dankbaar dat de mensen van Eye me zo goed helpen. Op dit vlak voel ik me een complete amateur.'

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Masterclass

Gedurende de periode van de tentoonstelling Béla Tarr - Till the End of the World vertoont filmmuseum EYE ook Tarrs belangrijkste films, waaronder The Turin Horse en Sátántangó. Sommige titels zullen hopelijk ook landelijk te zien zijn. Tarr zal op 24/1 in Eye spreken over zijn ter ziele gegane organisatie 'film.factory'; dit voorafgaand aan de vertoning van Cemetery of Splendor van Apichatpong Weerasethakul - een van de befaamde collega-regisseurs die op Tarrs Film factory gastdocent was. Tarr is ook op het International Film Festival Rotterdam aanwezig: op 26/1 geeft hij om 15.00 uur in de Doelen een masterclass.

Almanac of Fall (1984).

Diezelfde expositie doet even hopen dat Tarr toch weer genoeg heeft van het filmrentenieren. Slotstuk is Muhamed, een speciaal voor deze gelegenheid gedraaide scène van 11 minuten, waarin een jongetje zijn versleten accordeon bespeelt en daarbij constant in de lens staart. Alsmaar hetzelfde haperende Balkanmelodietje, terwijl de camera steeds meer van de jongen prijsgeeft: eerst alleen zijn gezicht, uiteindelijk zijn hele lijf, met instrument en gelddoosje zittend voor een reclamebord. Doordat het beeld niet één keer door de montage wordt onderbroken, voel je je aangespoord ook zelf, net als het kind en de camera, te blijven kijken. Een illusoir oogcontact, dat toch aangrijpend en louterend werkt.

Maar een terugkeer naar film, dat is Muhamed niet. 'We hebben deze scène in zo'n vervloekt winkelcentrum in Sarajevo opgenomen, 's ochtends om 7 uur. Hij zat daar, met zijn accordeon, en we hebben verder niets gedaan om er iets artistieks van te maken. Geen verandering van locatie, geen extra belichting of wat dan ook. Natuurlijk voelde het vertrouwd om weer te filmen. Ik heb veertig jaar niets anders gedaan. Maar uiteindelijk is dit toch iets heel anders dan film, en heeft geen zin om deze scène buiten de expositie te bekijken.'

Tarr heeft plannen voor na de tentoonstelling, maar wil daarover niets kwijt. Hoe dan ook: een filmmaker zal hij altijd blijven - of hij de camera ooit nog ter hand neemt, of niet. 'Als ik naar de wereld kijk zie ik kaders en cameraposities. Zo ben ik geboren en zo zal ik sterven.'

Béla Tarr - Till the End of the World, expositie en filmprogramma, van 21/1 t/m 7/5 in Eye Amsterdam.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

The Man from Londeon (2007).

Typisch Tarr

Lange takes

In zijn negen speelfilms - tien als je het voor tv gemaakte MacBeth (1982) meetelt - werkte Béla Tarr toe naar zijn opvallendste handelsmerk: elke scène wordt gedraaid in één lange, traag omzwervende opname, die langzaam het pad van het ene kader naar het andere aflegt. Het camerawerk vervangt de montage, als het ware. Als toeschouwer ga je heel anders kijken dan bij een conventioneel gemonteerde scène. Magistraal is de scène met de honderden marcherende opstandelingen uit Werckmeister harmóniák (2000): in een onafgebroken shot van dik vier minuten zweeft de camera boven en langs de griezelig zwijgende meute, om soms te blijven plakken aan een van die vernielzuchtige gezichten.

Concrete beelden, geen symbolen

Verhalen zijn voor Béla Tarr nauwelijks belangrijk - wat valt er sinds het Oude Testament nog nieuws te vertellen? Zijn films worden geregeerd door sfeer en door beelden die ook zonder plot indruk maken: de kabelbaan die in Damnation (1988) krakend en dreunend ladingen steenkool door het landschap voert. Wat Tarr betreft heeft het ook geen zin zulke beelden symbolisch of allegorisch te interpreteren. 'Symbolen horen thuis in de literatuur, niet in film', zegt hij. 'Film werkt met het zichtbare, met concrete objecten en echte mensen, en alleen dat concrete heeft mij als filmmaker geïnteresseerd.'

Herhaling

Een van de belangrijkste middelen die Béla Tarr gebruikt om de toeschouwer 'concreter' te laten kijken, is de herhaling. Een zichzelf recyclende camerabeweging, dialoog of handeling, een eindeloos repetitief thema in Mihály Vigs muziek, enzovoort. En hoe langer dat duurt, hoe méér de plot naar de achtergrond schuift en de loop een ding op zich wordt. Tarr: 'Als je iets herhaalt, krijgt het met elke herhaling een nieuwe betekenis. Ik houd erg van dat monotone. Iedereen is bang voor monotonie, maar ik niet.'

Wandelingen

Tarrs films zijn op hun mooist monotoon wanneer de personages gaan wandelen. Vooral Werckmeister harmóniák valt als een filmessay over de lopende mens te beschouwen, met zijn alsmaar voortdurende shots die de wandelende, marcherende en rennende personages nu eens van voren, dan weer van achteren of van opzij tonen. Zo fysiek en ritmisch als Tarrs wandelscènes zijn, doet het er nauwelijks nog toe waar de personages eigenlijk heen gaan.

Drankgelag

Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar uitgezonderd The Turin Horse beschouwt Béla Tarr zijn films als komedies. Als er ergens te lachen valt, dan is het tijdens de feestscènes. Vooral in het meer dan zeven uur durende Sátántangó krijgen de dorpelingen alle tijd om zich richting vergetelheid te dansen en drinken (let op de man die heen en weer schuifelt met een kaasbroodje op zijn voorhoofd). 'Natuurlijk waren de acteurs dronken', zegt Tarr. 'Ik haat het als ze doen alsof.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden