‘Ik heb me de tiefus gezocht naar boerenkool’

Onlangs werd hij zestig, maar dat is nog niets. Minstens honderdtwintig gaat hij worden, beloofde de jarige. We zullen nog wat meemaken....

Aleid Truijens

Hij was veertig jaar lang een even bezeten action painter als action writer. Twaalf miljoen boeken werden er van hem verkocht, in dertig landen. Ook zijn schilderijen doen het internationaal goed. Het geld dat hij met scheppen verdiende, ging er met even grote scheppen uit. Als een ‘wolfsjong’ trok hij, verre nazaat van Dzjingis Chan, jarenlang over steppes, toendra’s en ijsvlakten, hij vestigde zich in Parijs, Londen, New York, Toscane en boven op een alp – als het maar ver was van het benauwende industriestadje uit zijn jeugd –, maar werd het beroemdst met schilderijen van oer-Nederlandse tulpen en koeien. Zijn magnum opus De Hunnen (1984) is vooral een woedende klacht over het wangedrag van Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog, en een eerbewijs aan zijn Hongaarse moeder in Enschede.

Een groot nieuw literair werk is er de afgelopen tien jaar, op bundelingen van verhalen, gedichten en reisverhalen na, niet meer verschenen. Het wachten is nog steeds op de opvolger van De Hunnen, de roman die in 1992 door Hans Sleutelaar en Martin Bril werd gecomprimeerd tot een handzame autobiografie, Wolf.

De eerste helft van Cremers leven is in elk geval nu goed gedocumenteerd. Op zijn zestigste verjaardag werd de uitgave van zijn Brieven 1956-1996 gepresenteerd. Hans Sleutelaar, vriend van Cremer, in 1966 al door Bezige Bij-uitgever Geert Lubberhuizen naar New York gestuurd om hem achter zijn vodden te zitten bij het schrijven van Ik Jan Cremer II, heeft Cremers enorme brievenarchief leeggehaald – alleen de liefdesbrieven aan zijn vele vrouwen ontbraken – en spoorde brieven op bij geadresseerden. Het leeuwendeel van de brieven komt uit tien scheepskisten die sinds 1976 in de kelder van het Chelsea Hotel in New York lagen. Samen met de slaviste Kristien Warmenhoven ordende Sleutelaar de brieven, voorzag ze van precies genoeg noten om de inhoud begrijpelijk te maken en schreef een beknopt biografisch overzicht bij elk decennium. Het is een uitstekende uitgave geworden.

Áls er ooit nog een biografie van Cremer wordt geschreven, dan ligt de basis er nu. Wat niet, of slechts summier, in het brievenboek te vinden is, staat wel in een ander Cremer-boek: de onlangs verschenen Jan Cremer Documentaire van Hans Dütting. Het is een rommelig boek, geschreven door iemand die zegt ‘sinds 1960 een onaantastbare bewondering’ voor de schrijver te koesteren, en die dan ook woest opveert bij iedere kritiek op zijn held. Maar er is wel veel in samengebracht: citaten uit honderden recensies en interviews, en de neerslag van gesprekken die Dütting voerde met vrienden, familie en de schrijver zelf.

De schokgolf die Cremer veroorzaakte met zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer is nu in beide boeken goed gedocumenteerd. De keurige Geert Lubberhuizen zag er iets in, en hij hield vol, ook al waren er binnen de Coöperatieve Vereniging De Bezige Bij bezwaren. Voorzitter Willem Nagel vond het ‘een rotboek’, volgens de notulen, die ook vermelden: ‘Mulisch vindt Cremer stront’ (‘Zo pleeg ik mij niet uit te drukken’, zei de schrijver toen hem het citaat werd voorgelegd). Maar Remco Campert en W.F. Hermans waren meteen voor publicatie. ‘Cremer is een heel opmerkelijk stilist’, zou Hermans later zeggen. ‘Hij vergist zich nooit in zijn beeldspraak. Hij trekt meedogenloze maar juiste conclusies.’

Cremers uitgekiende publiciteitscampagne werkte; alleen al in 1964 werd het boek vijftien keer herdrukt. Wat ook meehielp is dat de politiek er schande van sprak. Premier Cals vond het boek ‘van een afgrijslijke wreedheid’, Joseph Luns vond het ‘een schadelijk boek’, en boer Koekoek sprak: ‘Het moet een geweldig smerig boek wezen. Ik lees nooit een boek, maar toen heb ik gedacht, ik zou het wel eens willen lezen om te zien wat smerig het is.’

Campert zou hem in Tjeempie! opvoeren als ‘het roofdier’ – ‘altijd lachen’ met die jongen.

Ook Gerard van het Reve is een bewonderaar van zowel het roofdier op zijn Harley Davidson – de foto hangt in zijn slaapkamer – als de schrijver. De redactie van Propria Cures krijgt in 1968 last met de zedenpolitie als een brief van Reve aan Cremer in het blad is gepubliceerd. Tegen Reve klaagt Cremer dat hij in Amerika geen ‘farmers-cole’ kan krijgen: ‘4 jaar lang heb ik me de tiefus gezocht naar boerenkool hier.’ Reve moet vooral een Gelderse worst meegeven als hij iemand kent die naar Amerika gaat. Ook raadt hij hem aan zich weer tot vrouwen te bekeren: ‘Wat heb je nou aan al dat geflikker? Een lekkere stoot is toch veel lekkerder.’

Cremers brieven zijn meestal kort, ongepolijst, bijna altijd in haast geschreven, soms ongeremd woedend of sentimenteel, en vaak op een botte manier geestig. Aan enkele vrienden is hij een leven lang trouw, zoals de schilder Mark Brusse. Hij maant hem gezonder te leven, ‘want ik ga niet graag naar begrafenissen’. Maar alles draait om Ik Jan. Aan zijn zwangere vrouw Babette schrijft hij in 1984: ‘ik wéét dat jij momenteel alle aandacht moet krijgen maar dat gaat blijkbaar ’n beetje moeilijk.’

Ultrakorte briefjes zijn er aan zijn kinderen. In het boek van Dütting is sprake van zeven kinderen, in het brievenboek komen er vijf voor, van wie er drie, Claudia, Clifford en Clinton, deels opgroeien bij hun oma in Enschede. Ze zien hun vader zelden; uit de briefjes moeten ze een beeld hebben gekregen van een jongensboekenheld die altijd door de jungle struinde of op wilde zeeën voer: ‘Pappa is net gebeten door een dodo dus als het handschrift een beetje onduidelijk wordt was die beet giftig!’ Zijn moeder en Geert Lubberhuizen voeren intussen een wanhopige strijd met de Kinderbescherming om de kinderen bij hun oma te houden, wat uiteindelijk mislukt. De geschiedenis herhaalt zich: ook Cremers kinderen groeien op zonder vader, soms in armoede en uiteindelijk in kindertehuizen. Clifford krijgt in 1985 een ongeluk op Aruba waarbij hij een voet verliest; Clinton zou in 1994 worden vermoord door een psychoot.

Het lijkt erop dat de wolf zich nu glimlachend heeft laten kooien. Cremer werd in 2000 geridderd, er waren grote overzichtstentoonstellingen van zijn werk, geopend door burgemeesters en ministers, een prestigieuze oeuvrecatalogus, en als alles goed gaat is er volgend jaar in Enschede een Jan Cremer Museum. Hij heeft met J.C. de juiste initialen voor eeuwige roem –een voetballer en godenzoon gingen hem voor. Maar om bewondering ging het hem niet: ‘Ik heb geen waardering van wie dan ook nodig’, zei hij in 1984. That’s the spirit voor wie onvergankelijk wil zijn.

Jan Cremer: Brieven 1956-1996. Samengesteld door Hans Sleutelaar en Kristien Warmenhoven. De Bezige Bij; 992 pagina’s; ¿ 49,90. ISBN 90 234 1688 0

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden