'Ik heb in elk stuk mijn verleden van me af kunnen kotsen'

Anderhalf jaar geleden won Abke Haring (37) de prestigieuze Theo d'Or voor haar titelrol in Hamlet vs Hamlet. Op slag was ze van een onbekende, een bekende actrice. Over de intensiteit van spelen. De zware jeugd bij haar moeder. En de eenling op zoek naar verbinding.

Beeld Marie Cecile Thijs

We ontmoeten elkaar in een voormalige balletschool in hartje Antwerpen, een kaal, tochtig pand met afbladderend stucwerk en de geur van vochtige steen. We lopen door een smalle, hoge gang, langs oude paneeldeuren en een radiator van sierlijk gietijzer. De kamer van Abke Haring, verbonden aan het Vlaamse theatergezelschap Toneelhuis, is al even sober, met een versleten sofa en een kledingrek met hangers zonder kleren. Op tafel staan flesjes mineraalwater en kommetjes met chips, kaas, druiven en noten. Een hoog vensterraam wil niet meer sluiten. De actrice en toneelmaakster doet de gordijnen dicht om de kou buiten te houden.

We beginnen met, wie anders, Hamlet. Voor wie het leven simpelweg te zwaar en te moeilijk was. In de worstelingen en onmacht van de Deense prins, wiens vader vermoord is door zijn oom, zien veel Shakespeare-adepten de spiegel van het bestaan. Het is te veel voor een mens, een heel leven. Het is gewoon niet te doen.

Herkenbaar?
Ze gaat zitten, denkt even na. Haar gezicht klaart op. 'Ja, dat is misschien wel waar. Dat geldt natuurlijk helemaal voor slachtoffers van honger en oorlog, maar in een 'gewoon' leven heb je ook te maken met angsten, twijfels, chaos en verwarring. Ik voelde zelf al jong dat je als mens alleen staat, de existentiële eenzaamheid van alleen geboren worden en alleen sterven. Maar ik vind dat je dat niet als negatief moet zien. Het is ook mooi. Het maakt het noodzakelijk om verbinding aan te gaan, met mensen om je heen. In het delen zit al verlichting.'

Hamlet staat bekend als een van de meest complexe en gelaagde toneelrollen, een meesterproef voor elke acteur. Ook voor jou - als actrice?
'Ik stond er vrij onbevangen in, dat was mijn mazzel. Tom Lanoye nam me mee uit eten en vroeg: vind je het goed als ik een mannenrol voor jou schrijf? Natuurlijk, waarom niet? Toen begon hij over Hamlet! Ik schrok wel, maar lacherig. Ik was onder de indruk van het gesprek. Hij zag dat ik eigenlijk ook een jongen ben. Dat vond ik confronterend. En bevrijdend. Het klopt. Ik zit er niet mee, maar vroeger al was ik een halve jongen met een vrij lage stem. Hoe heet dat? Daar heb je een speciaal woord voor. Androgyn! Ik voel me op en top vrouw, maar ik ben androgyn. Schijnt heel hip te zijn.'

(Tekst gaat verder onder foto).

CV Abke Haring

Geboren in 1978 in De Bilt

1998 - 2002 opleiding Studio Herman Teirlinck

2002 Nageslachtsfarce/genocide (solo, afstudeerproject)

2003 Het kouwe kind, regie Luk Perceval

2003 Maison fragile (eigen werk)

2004 Versus (met Joost Vandecasteele)

2005 Turista, regie Luk Perceval

2006 HOOP (eigen werk)

2006 Beats, regie Josse de Pauw

2006 Mefisto for ever, regie Guy Cassiers

2008 Atropa. De wraak van de vrede, regie Guy Cassiers2009 Linoleum/Speed (eigen werk)

2009 De Indringer, regie Peter Missotten

2010 Verbonden aan Toneelhuis Antwerpen als theatermaker

2010 HOUT (eigen werk)

2010 Bloed & Rozen. Het lied van Jeanne en Gilles, regie Guy Cassiers

2011 FLOU (eigen werk)

2012 Song#2 (eigen werk, samen met Benjamin Verdonck)

2013 TRAINER (eigen werk)

2014 Hamlet vs Hamlet, coproductie Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam, regie Guy Cassiers

2014 Theo d'Or

2015 UNISONO (eigen werk)

Abke Haring woont in Antwerpen met man Jason en zoon Joda

Archiefbeeld van de uitreiking Theo d'or.Beeld Ivo van der Bent

Virtuoos, schreven theatercritici over jouw rol in Hamlet vs Hamlet. Wonderschoon. Spannend, ongrijpbaar. Subliem taalgevoel. Miste je zelf nog iets?

'Eén criticus vond mij bij vlagen te precies, te gecontroleerd. Die zag te veel techniek door de rol heen. Dat vond ik geestig. Te véél techniek? Ik voelde me daarin bij vlagen juist erg tekort in schieten.'

Hoe vond je de eenvoud, de klare lijn in die rol? Hoe pakte je dat aan?

'Laat je raken. Als een open zenuw. Niks verbergen, niks spelen, alles nu, nu, nu. De beleving was zo intens dat ik tijdens een repetitie een keer uitgeput op de vloer lag met een bloedneus. Kijk, soms kun je in de ontwikkeling van een karakter bewust en gecontroleerd naar een eindpunt toewerken, zo bouw je de rol op. Met Hamlet was het dus níét weten, níét nadenken, mee met de impulsen. Wraakzucht, verdriet, verliefdheid, die jongen moet door zo veel heisa heen. Voor mij was openheid en loslaten de beste manier om zijn verwarring te laten zien. Alsof ik het als acteur ook niet wist. Dat is dus eng, hè. Elke avond voelde ik dat. Ik ben nogal neurotisch - tien keer piesen voordat ik op moet. Die totale concentratie en spanning, en dan los. My God, verschrikkelijk. En fantastisch tegelijk.

'Met Hamlet vs Hamlet traden we ook op voor schoolklassen, voor pubers van 15,16 jaar. Je voelde al een vibratie van: saai, dom, bwèèèh. In de zaal zie je oplichtende gezichten door de mobieltjes. Dit wordt een gevecht, dacht ik. Kut, dat wil ik niet. Want het is een verloren strijd, Hamlet is te serieus, de taal te moeilijk. Tot ik mij realiseerde: dit stuk gaat over hén. Met alle worstelingen en twijfel van het ouder worden. Who am I? Ik ben anders gaan spelen. Nog rauwer, kwetsbaarder. Ik ken jullie, ik bén jullie. I know it, weetjewel. De zaal was muisstil. Dat was zo mooi... Magic.'

Ik stel me voor dat je de woelingen en waanzin van de jonge Hamlet vrij eenvoudig kon terugvinden in je eigen persoonlijke geschiedenis. Hoe zag jij eruit op je 16de?

Ze schatert. Verslikt zich bijna in een nootje. 'O nee, néé!'

Kaal, punk, een hanekam. Kleur?

'Paars. Ik droeg ook klompen, ongelakt. En een witte onderbroek, alleen maar een grote Zeemanjongensonderbroek. Daar hoorde ook een bos felkleurige nepbloemen in een witte katoenen zak bij. Ik bedoel: het was wel op elkaar afgestemd.

'Het was een moeilijke, bizarre tijd. Echt een Hamlet-periode, triest en ellendig. Ik was dan wel een beetje weird en alleen, maar het rare is: ik voelde me niet eenzaam. Ik was wel cool. Of coolerig. Ik zette me af tegen de banaliteit. Drinken, roken, blowen, uitgaan, groepsgedrag, daar deed ik allemaal niet aan mee. Terwijl het toch de klassieke manier is om je dan strontzat te zuipen en kotsend op de stoep van het ouderlijk huis te staan. Ik snapte die dingen niet. Eigenlijk was ik heel braaf. Zoenen tegen de muur op het schoolplein, jezus, why?'

Beeld Marie Cecile Thijs

Je komt uit een hippiegezin.

'Ja. Ik zou zeggen: mijn ouders waren intelligente, serieuze, kunstzinnige hippies. Het ging over natuur, gezond eten, groentetuinen, muziekles, Rudolf Steiner, geen make-up, snoep en plastic, wel veel hout en katoen en een klein zwart-wittelevisietje waar je met een schroevendraaier in moest poeren om Nederland 1, 2 of 3 te krijgen. Mijn moeder had meerdere baantjes. Mijn vader was persfotograaf, tot hij afgekeurd werd, waarom weet ik niet precies. Ze hadden de zorg over vijf kinderen, drie dochters en twee zonen. Bas (Haring, schrijver, filosoof, red.) is de oudste, ik ben de vierde. Er was weinig samenhang in het gezin. Eigenlijk waren we allemaal eenlingen.'

Hoe was de sfeer?

'Ik bleef zo lang mogelijk weg.'

Want?

'Stress. Veel stress. Ik kreeg daar zelfs een maagbloeding van - dat ik bloed stond op te geven. Als ik aan die periode terugdenk, ga ik huilen. Zo eenzaam, zo galzwart.' Ze schiet vol. Neemt een slok water.

'Er was altijd spanning. Spanning die je als kind niet kunt benoemen. Mijn moeder is een bijzondere vrouw. Als ik 's morgens de trap afliep, zat ze een sigaret te roken op de bank. Kaarsrecht. Ze inhaleerde dan heel intens, heel krachtig, daar ging een enorme dreiging van uit. Ik heb haar wel eens verteld dat dat mij beangstigde. Toen zei ze: 'Ik rookte toch alleen maar een sigaretje?' Nee dus. Daar zat een heks uit een verhaal van Roald Dahl waar je zo snel mogelijk van weg wilde. Zo wilde ze ons opvoeden, denk ik. Dat wij het zelf konden rooien. Dat wij sterke, onafhankelijke individuen zouden worden.

'Op een dag ging mijn vader naar Spanje. Fietsen naar Santiago de Compostela, als pelgrim. We begrepen allemaal dat hij effe weg moest van de situatie. 'Wat moet ik meenemen voor jou?', vroeg hij. Ik wilde graag een kruisje. Dat had ik bij andere mensen gezien. Ze hoorden bij een groep, ze haalden daar betekenis uit, ze hadden een geloof. Ik was ab-so-luut niet gelovig opgevoed, maar bewust of onbewust stond dat kruisje voor mij voor samenhang, voor iets dat klopte - zonder het God te noemen. Mijn vader heeft dat kruisje inderdaad voor mij meegenomen, met een jezusje eraan. Zielsblij was ik.'

En spelen? Toneel?

'Toneel was voor mij alles. Alles. Godver-de-tering, dat is zo prachtig. Spelen is het leven. Ik zat vanaf mijn 12de in het toneelploegje van de middelbare school, samen met Carice van Houten. We leken ook wel op elkaar - we hadden allebei dat frêle, dat jongensachtige. Ik had niet of nauwelijks de geborgenheid van een thuis, maar dit was voor mij thuis. Kijk, mijn moeder speelde een spel. Zij gaf tegenstrijdige signalen en liet zich niet begrijpen. Op toneel waren de emoties eerlijk. Echt. Leesbaar. Mensen snapten mij. Je hebt ergens talent voor of whatever en dat viel in goede aarde. Je valt samen met wie je bent, zonder gedoe, zonder chaos. Doe maar, dit is de goede plek, doe maar, ga maar.'

Was spelen ook een houvast voor het rebellerende paarse-hanekammeisje?

'Ja man. Wie ben ik? Waar is mijn plek? Nou, toneel. Ik wilde actrice worden, geen twijfel mogelijk. Op de toneelschool in Amsterdam werd ik na de eerste auditie afgeschoten. Wat ik snap. Ik zong een liedje van Annie M.G. Schmidt en het was dramatisch slecht. In Arnhem vonden ze me te jong. Ze adviseerden me naar Studio Herman Teirlinck te gaan - zo kwam ik in Antwerpen. In die tijd zag ik de eenmansvoorstelling De Doorspeler van Ramsey Nasr. Hij stond op het podium met een houding van: je m'en fous, zoals ze hier zeggen. Kus m'n kloten, maar: luister naar mij. Fantastisch! Eigengereid, authentiek, schoonheid - dat wilde ik ook.'

Wat maakt theater voor jou onderscheidend?

'Einzelgängers kunnen daar goed samen zijn. Ze hoeven onderling niets aan te gaan, maar ze kunnen wel hetzelfde beleven. Dat is gaaf. Ik zie dat ook zo voor me - een zaal eenlingen. Er hangt een ondefinieerbare energie in de lucht. Mensen staan open, ze willen iets meemaken, dat geeft ruimte om te spelen. Dan is het live schilderen, weetjewel. Hoe mooi is dat? En hoe eng, hoe vervelend, hoe zenuwslopend? Zwetend in je kostuum moet je goed staan en de zinnen goed zeggen, anders breek je de magie. Hamlet was topsport. Ik sport graag, dat scheelt.'

(Tekst gaat verder onder video).

In de afgelopen jaren maakte je verschillende theaterstukken, zoals Hout, Flou en Song#2. Woorden die al snel vallen: abstract, hermetisch, moeilijk

Ze lacht. 'Ja. Het zijn eigenlijk geen toneelstukken, het zijn meer performances, trips. In Hout bewegen vier mensen heel traag op een minimal technobeat. Er is een verkrachting, een man wordt naakt in een plastic zak gestopt. Dat stuk ging over de groep: hoe ver kun je gaan? Wat is erg, wat is niet erg? Hoe vaak gaan we mee in een groep omdat het eng is om nee te zeggen? Dat wilde ik laten zien.'

Jouw afstudeerproject, Nageslachtsfarce/genocide, loog er al niet om.

'Ik stond een uur lang bloot in de zaal. Echt: poedelnaakt. Dat was op zich al geestig en bizar, maar dat hoorde voor mijn gevoel bij het stuk. Ik speelde een jong kind dat afstand nam van haar moeder. Er zaten ook rare grappen en grollen in, lugubere humor. Ik belde ergens aan, dingdong: mag ik even bij u kotsen?'

De onderlaag was doodernstig.

'Natuurlijk. Het ging over niet kunnen communiceren. Mijn moeder ligt op haar sterfbed. Als ze dood is, trek ik mijn kleren aan en zeg: 'Nou, beter een engel dan een lastpost'.'

In latere theaterstukken was de moederfiguur evenmin ver weg. Wat beschouw je als gedenkwaardigste scène?

'In Linoleum/Speed sta ik in een ovale speelgoedautobaan, daarbuiten staat Marlies Heuer als mijn moeder. Dan zei ik... dan liet ik mezelf zeggen: 'Ik kom kijken hoe je doodgaat. Om te weten hoe het voelt, om je zachtjes weg te duwen.''

Dat gaat ver.

'Ik sta voor waarheid. Van mezelf, maar ook van anderen. Ik denk dat mensen kunnen verlangen naar het sterven van een ouderfiguur. Dat ze benieuwd zijn naar het gevoel verlost te zijn. Verlost van een geschiedenis. Van manipulatie. Van pijn.

'Mijn ouders scheidden toen ik 12 was. Daarna woonde ik bij mijn moeder. Als meisje van 15 mocht ik nooit frisdrank, maar ineens was er cola. Alleen in het weekend. Top! Op een zaterdagmiddag vroeg ik: 'Mag ik cola?' Nou, ze ontplofte. Mijn moeder kon dan echt uitklappen, ze werd een soort hulk, groen. Ik moest naar buiten. Ze deed alle deuren en ramen op slot. Daar stond ik, in de winterkou, zonder jas. Mijn moeder stond voor het raam en zwaaide. Zulke dingen blijven je nog lang bij.'

Het theater hielp.

'Ja. Ik ben blij dat ik in elk stuk mijn verleden van me af heb kunnen kotsen. Door er dwars doorheen te breken, the only way. En nu? Een klotejeugd is vergeven. Mooi, hè. Dat is niet iets wat ik alleen doe. Het gaat ook buiten mij om. Zo is dat bepaald. Door wie of wat weet ik niet, anderen zien daar misschien God in. Dat bedoel ik ook met: het leven is te zwaar voor een mens. Er is iets dat met jou meeleeft, iets, en daar kun je maar beter voor openstaan. Zo kun je het negatieve omzetten in het positieve, in vergeving, in schoonheid. Ik denk nu aan een zinnetje van Leonard Cohen dat mijn leidraad is geworden. There's a crack in everything, that's how the light gets in'.

En dan word je zelf moeder.

Ze plukt een druif en steekt die in haar mond. 'Mja. Top. Alleen maar geweldig. Ik heb mijn man, Jason, in 2011 ontmoet, in New York. Hij is een Amerikaan, acteur en danser. Ik vroeg al snel aan hem: wil je een kind? Ik was te oud om alleen te flikflooien. Hij zei ja. In de zomer van 2014 was het zover. Ik heb wel een rotzwangerschap gehad. Hormonen die alle kanten opvlogen, dwangneuroses. Hier in Antwerpen over de Mechelsesteenweg fietsen en dan de etalages moeten checken, weetjewel. Ting-ting-ting, een paspop, wat had die aan? Een jurk. Blauw. Nee! Tering. Ik reed dan terug om de kleur te checken. Dat moest. Dat is erg, hoor. De hel.

'Ik ben hulp gaan zoeken. Ik dacht: ik word gek. Maar die psychiater was ontspannen. Volgens hem had ik nog te veel humor om depressief te zijn. In een artikel in The New York Times las ik dat veel zwangere vrouwen last kunnen hebben van dit soort tics. Je zoekt grip, controle om de baby veilig te stellen. Dat instinct sloeg bij mij door. Ik ben gaan mediteren. Dat hielp.'

Je speelde ook nog in Hamlet vs Hamlet. Ging dat?

'Het was pittig. Ik was ook constant ziek, misselijk. Op een gegeven moment was ik vooral bezig om níét te kotsen op toneel. Ik had net een nominatie voor de Theo d'Or, de zalen zaten nog voller dan anders. Elke avond kregen we een staande ovatie, maar op dat late uur wilde ik het liefst in een hoekje wegkruipen. Bijzonder was het wel, natuurlijk. Ik speelde een zoon terwijl ik een zoon bij me droeg. Vlak voor ik opging, zei ik tegen hem: 'Ik ga straks heel erg hard roepen, maar relax, het is niet echt.'

'De bevalling was een verlossing. Knal, pats, boem, geen verdoving of niks, gewoon vijf uur knallen. Prachtig - wat een belevenis. De pijn is enorm, hè. Het is nu negen maanden later, maar ik zit nog steeds op een roze wolk. Daar wil ik ook nog niet vanaf. Ik repeteer nu voor de voorstelling De welwillenden, dan zie ik Joda dus niet. Dat is verdikkeme wel lastig, hoor. Ik vind het moederschap echt geweldig. Kiekeboe spelen, hè. Lachen man.'

Hoe ervaar je nu het moederschap van je moeder?

'Ik ben nog weer anders naar haar gaan kijken. Ze heeft haar best gedaan voor haar vijf kinderen. Al die banen die ze heeft gehad, in een boekhandel, in de ouderenzorg, tot het inpakken van tupperwaredozen in een magazijn aan toe. Voor dat wegcijferen heb ik nooit eerder oog gehad. Bij een familiefeest had ze de hele tijd Joda op schoot. Ze straalde. En ik? Ik vind het mooi. Mindblowing voor mij, hoe is het mogelijk? Mijn oogappel, mijn Joda, zit op schoot bij de vrouw die mij het begin van mijn leven zo zuur heeft gemaakt! Maar ik gun het haar. Met het ouder worden begrijp ik haar eenzaamheid en hoe zwaar het leven voor haar moet zijn geweest.

'Mijn moeder ziet Joda weinig. Ze is te ziek om naar Antwerpen te komen. Wat haar precies mankeert, weet ik niet. Dat weet je bij haar nooit. Ik heb Nageslachtsfarce/genocide gespeeld omdat mijn moeder toen ook al dood zou gaan. 'Over vier, vijf maanden ben ik er niet meer', zei ze. Dat is nu vijftien jaar geleden.'

Het klinkt alsof je de beladen geschiedenis hebt afgewikkeld. Of is dat een al te romantische gedachte?

'Het klopt wel, denk ik. Zo emotioneel verbonden ben ik niet meer, al verbaast het me dat ik nog steeds kan volschieten bij de herinnering. Helemaal klaar is het nog niet. De brief aan mijn moeder is geschreven, maar er is nog een PS'je. Zoiets als: er is nog meer. Maar dan moet je luisteren. Ontvangen. Dat het oké is, in alle eenvoud, ik hou van je. Dat is moeilijk voor haar.'

Wat is je doel voor de komende jaren?

'Ik wil een paar supergrote knalrollen spelen. In het theater of op het witte doek. Ik heb nog nooit een film gedaan, hè. Zero. Dat wil ik graag. Door Hamlet vs Hamlet en die Theo d'Or heb ik een groot publiek bereikt. Het is heel, heel fijn en bijzonder om gezien te worden. Een kind krijgen is allesovertreffend en de ultieme verbinding, maar het vinden van een groot publiek ligt in dezelfde sfeer. Daar komt dan nog bij: de ruimte en genegenheid voor de persoon die mij op de wereld heeft gezet. Verbinding, ja, dat is wel een kernwoord. Het leven is lichter dan ooit.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden