'Ik heb besloten dat ik voluit wil blijven leven'

Actrice Susan Visser schittert in Gooische Vrouwen. De opnamen van de nieuwe reeks waren precies een jaar na de dood van haar man, Roef. Volkskrant Magazine sprak met de 42-jarige actrice.

Verscheen ze de dag na haar vakantie uitgerust op de set van Gooische vrouwen, ving ze flarden op van een gesprek over een begrafenis. ‘Welke begrafenis dan?’, vroeg ze – had ze iets gemist? Toen Susan Visser hoorde dat de man van Loes Luca plotseling overleden was, stortte ze even in. ‘Ik werd meteen overmand door verdriet. Ik wist zo goed wat zij moest voelen, en wat haar nog te wachten staat – ik ben nog maar net begonnen met het afleggen van dat parcours. Verstandelijk weet je het, wat de dood betekent, maar wat het écht inhoudt dringt pas in fasen, en met horten en stoten, tot je door.’

Een jaar geleden overleed, al even plotseling en ook aan een hartstilstand, haar man Roef Ragas, op 42-jarige leeftijd. ‘Het was het eind van de middag. Roef ging de deur uit, blij en met zin in alles, zoals hij was. Ik ging eten koken voor de kinderen, en terwijl ik daar in m’n eentje in de keuken stond – ik herinner me het nog precies – werd ik overvallen door een intens geluksgevoel. Ik belde zelfs mijn moeder, om haar te zeggen hoe gelukkig ik was, dat alles zo goed ging, met mij, met hem, met de kinderen, dat we een waanzinnig mooie zomer achter de rug hadden, dat de vooruitzichten in alle opzichten goed waren.

‘En toen, plots, dat telefoontje van Hans Kemna, met wie Roef in een Amsterdams restaurant zat te eten. Dat Roef onwel was geworden. In allerijl heb ik oppas voor de kinderen geregeld en ik ben met de taxi naar het ziekenhuis gegaan, waar hij inmiddels heen was gebracht.

‘Onderweg, tot op het laatst, heb ik gedacht dat het goed zou komen, putte ik hoop uit de bemoedigende opmerkingen van de taxichauffeur. Tot we bij het ziekenhuis aankwamen, ik alleen was met de behandelend arts en hij die woorden uitsprak: ‘Het spijt me, mevrouw, uw man is dood.’ Ik dacht alleen maar: nee, ga terug naar de zin ervóór, ga terug naar het moment dat alles nog mogelijk leek.’

Ze zwijgt, zoekt naar woorden. ‘Ik dacht: dit was niet de bedoeling, we zouden samen oud worden – dát was de bedoeling. Kort ervoor had ik het er nog met Roef over gehad: de vrouwen uit mijn familie worden allemaal tussen de 85 en de 99, dat zal dus ook wel voor mij gelden. Roef dacht dat hij hooguit 75 zou worden. ‘Wat ongezellig nou’, zei ik nog, ‘wat moet ik dan die laatste vijftien jaar?’’

Ze zoekt opnieuw naar woorden, fluistert door haar tranen heen: ‘Ik ben sowieso veel lastiger te interviewen dan Roef. Hij was de man van het woord. De man die altijd goed formuleerde, die in een enkele zin kon zeggen wat hij wilde zeggen.’

Hoe kijk je terug op de dagen direct na zijn dood? ‘Donderdagavond overleed hij, en het nieuws ging kennelijk snel rond, want op vrijdag viel er al elke tien minuten een brief op de deurmat van mensen die langsfietsten. Er waren meteen vrienden over de vloer, die koffie zetten en broodjes smeerden – alles met grote vanzelfsprekendheid. Er kwamen uiteindelijk ontstellend veel kaarten en brieven, en dat heeft ons allemaal – ook Roefs ouders en zijn broers – enorm goed gedaan, en ons ontroerd. Het gekke is: het is moeilijk om met rouw van een ander om te gaan. Zit je maar boven zo’n leeg velletje te turen, wil je iets zinnigs schrijven, doe je het briefje op de bus en denk je meteen erna: wat een knullig, onhandig briefje. Maar ik weet nu: het maakt niet uit wat je schrijft, als het uit je hart komt is het goed. Veel woorden zijn niet nodig. Desnoods knijp je in het voorbijgaan even in de arm van degene die iemand is kwijtgeraakt, ontredderd, zonder iets te zeggen.’

Wanneer durfde je weer de straat op? ‘Dat duurde wel even, en dat heeft niks te maken met het feit dat Roef en ik bekend zouden zijn. Die angst kent, denk ik, iedereen die een dierbare heeft verloren. Op het moment dat je voor de eerste keer de Albert Heijn betreedt, zie je dat mensen schrikken als ze je zien. Het voelt, vreemd genoeg, als de tijd dat ik voor de eerste keer zwanger was: je bent dan kwetsbaar, zonder buffer of harnas, open voor alle indrukken, de mooie én de lelijke.

‘Het afgelopen jaar heb ik geen televisie gekeken, uit angst plotseling overvallen te worden door aangrijpende beelden. Liever keek ik een film waar ook nog om te lachen viel.

‘De dood is vooral hartverscheurend, en vervolgens is het de kunst om jezelf af te vragen wat je ermee doet, hoe je verder leeft en hoe je verder wilt leven. Wat ik er nu, een jaar pas na de dood van Roef, over kan zeggen: ik voel nóg beter aan wat goed voor me is en wat niet, en ik kan niet anders dan daar gehoor aan geven, want er is geen energie meer over voor gedoe en zand-erover. Ik kan mezelf niet anders voordoen dan ik ben, en ik zou dat ook nooit meer willen.’

Heb je overwogen om te stoppen met acteren? ‘Nee. Heel even dacht ik dat ik de rol van Anouk in Gooische vrouwen niet meer zou kunnen spelen. Zij is zo uitbundig, terwijl ik op dat moment totaal naar binnen gekeerd was. De spieren in m’n lijf, zelfs in m’n gezicht¿ alles stond strak. De armen had ik vaak gevouwen – alsof ik mijn hart wilde beschermen. Maar kort na de dood van Roef was ik er toch bij, voor de laatste draaidagen, en die vond ik veel prettiger dan ik tevoren had gedacht. Het voelt heel vertrouwd bij Linda, Annet en Tjitske (de andere hoofdrolspelers: De Mol, Malherbe en Reidinga, red.). We zijn bevriend geraakt, ze waren ook zeer betrokken bij de nasleep van Roefs overlijden. De crewleden hadden drie jaar met hem gewerkt, voor de tv-serie Grijpstra & De Gier waarin hij een hoofdrol speelde, en ook zij bezorgden me een veilig gevoel. Toen wist ik: deze mensen, en deze serie, wil ik niet missen.’

De laatste aflevering van de vorige reeks werd op het laatste moment geschrapt. ‘Ik heb daar niet eens om hoeven vragen – dat werd voor me geregeld. Voor die aflevering zouden we een paar weken naar Portugal hebben gemoeten; dat was toen geen optie.’

Nooit gedacht: die Anouk, vrijgevochten flirt, staat te ver af van wat ik in het werkelijke leven doormaak? ‘Het is juist fijn dat je je met een totaal iemand anders moet bezighouden, zo veel dramatischer, vrolijker en extraverter dan ik en in zulke totaal andere omstandigheden – dat is een geoorloofde en daardoor eigenlijk ideale vorm van escapisme.’

Nooit gedacht, toen de serie uitgezonden werd: wat zullen de mensen ervan denken dat een treurende weduwe als lichtzinnige mannenverslindster op de buis is te zien? ‘Nou, nee, ik zou het gek hebben gevonden als de mensen dat onderscheid niet konden maken. Die tijden, dat je vereenzelvigd wordt met je rol, hebben we toch wel achter ons gelaten.’

Is je spel beïnvloed door de dood van Roef? ‘Moeilijk te zeggen¿ Het feit dat je ouder wordt en meer levenservaring hebt, maakt je sowieso tot een betere acteur, ook omdat je steeds meer zelfvertrouwen krijgt. Op de toneelschool, vroeger, hadden we het er weleens over: dat je vast beter zou acteren als je tijdens je jeugd al veel drama had meegemaakt. Dat geloof ik niet. Drama duikt vroeg of laat in ieders leven op. Het belangrijkste is dat je over voldoende inlevingsvermogen beschikt om je een rol eigen te maken.’

In de eerste aflevering van de nieuwe reeks Gooische vrouwen, die afgelopen zondag op RTL 4 werd uitgezonden, gaat Willemijn dood en wordt er door haar vriendinnen gerouwd. ‘De eerste de beste scène die ik voor de nieuwe draaiperiode repeteren moest, was die waarin ik Evert, de man van Willemijn, troost – een invoelende hand op zijn schouder, het aanbod om zijn kinderen op te vangen. Maar ik had de nacht ervoor slecht geslapen, ik was er maar half bij, ik zat te veel in mijn eigen verhaal. Dat ging dus mis. Ik moest huilen, waarop regisseur Will Koopman me even liet betijen. Toen realiseerde ik me: ik moet weer op zoek naar Anouk, niet naar gebeurtenissen uit mijn eigen werkelijkheid. Dat is juist het leuke van het vak: dat het lekker niet over jou gaat.’

Denken aan Roef is bij het opnemen van zo’n scène uit den boze? ‘O ja, het verdriet om Roef is veel te groot, Roef wil ik daar helemaal niet voor gebruiken.’

Roef Ragas en Susan Visser waren zestien jaar samen. ‘Ik vond ons een topcombi. Heel verschillend waren we, en dat vonden we juist leuk. We bleven nieuwsgierig naar elkaar.’

Hij was succesvol als acteur, op het toneel en in films en tv-series. Maar zijn passie gold toch vooral de literatuur. Die sloeg hij als kunstvorm hoger aan dan het toneel. ‘Ik lees ook, maar vooral tijdens vakanties. Roef las altijd, zelfs op de filmset, tussen de scènes door. Hij legde vast wat hij gelezen had, rubriceerde de boeken die hem bij waren gebleven – om dingen vast te houden, en misschien was het ook zijn manier om greep op het leven te krijgen.’

Het heeft ook wel iets neurotisch. ‘Nee, zo zie ik dat helemaal niet, ik vond het juist leuk, omdat hij daardoor ook zoveel onthield en er smakelijk over kon vertellen. Afgelopen zomer bezochten mijn kinderen en ik Parijs. Stonden we vlak voor de Eiffeltoren, vroegen Saïda en Aaron: ‘Hoe oud is die?’ En ik: ‘Uhh.. ongeveer honderd jaar.’ Zij: ‘Maar hoe oud is de Eiffeltoren precies?’ En na een korte stilte: ‘Papa had het geweten, hè?’ ‘Ja’, antwoordde ik, ‘papa zou het hebben geweten, en anders had hij wel een boekje bij zich gehad waarin hij het zou hebben kunnen opzoeken.’’

Twee jaar geleden zei hij: ‘Ik heb nog veertig jaar te gaan als het een beetje meezit, en dan maak ik liever dingen die waardevol zijn, met mensen die ik prettig vind.’ ‘Het is hem nooit om de roem, de status of het geld gegaan. Daarin vonden we elkaar. Als wij iets niet meer leuk vonden, stopten we, of we nou al een nieuw contract hadden of niet. We wisselden elkaar ook af: wanneer hij een tijdlang druk was met een grote klus, zorgde ik vooral voor de kinderen, en andersom. Ik weet nog dat ik hoogzwanger van Saïda, onze oudste, op de fiets zat, Roef fietsend naast mij, en ik opeens huilerig uitriep: ‘Ik wil echt geen huisvrouw worden!’ Waarop hij, een beetje pissig, zei: ‘Maar ik wil echt voor dat kind zorgen – dat is ook wat we hebben afgesproken.’ En zo is het gegaan, tegen veel dingen hebben we later ‘nee’ gezegd, wij deden liever aan levensplanning dan aan carrièreplanning. Het werk is onze passie, oordeelden we, maar het mag nooit ten koste gaan van onze relatie en ons gezinsleven.’

Waarom ben jij ooit gaan acteren? ‘Ik was 15, verlegen en getroebleerd tegelijk, kleedde me punk, en ik bezocht met mijn moeder een open dag van het amateurtoneel in de oude schouwburg van Rotterdam. Het was een openbaring voor me. Dat ik daar lessen ging volgen, was niet minder dan een bevrijding.’

Waarvan moest je dan worden bevrijd? ‘Braaf was ik altijd geweest, eropuit om de harmonie te bewaren – mijn vader was alcoholist, altijd in de knoop met zichzelf, mijn ouders hadden een slecht huwelijk vol spanningen. Toen ze uiteindelijk gescheiden waren, kwam er een enorme drift bij me los, misschien wel omdat ik niet meer op m’n tenen hoefde te lopen en niet meer bang hoefde te zijn. Die drift kon ik in het theater kwijt. Toneel gaf mij de legitimatie om zoveel meer te zijn dan wie ik tot dan toe was.’

Wanneer wist je dat het ook je beroep zou worden? ‘Eigenlijk vanaf het moment dat ik voorstellingen begon te bezoeken, vooral die van het ro Theater, en gegrepen werd door het feit dat op het toneel de grote thema’s liefde en dood zo mooi konden worden samengebracht. En dat je met tekst en beeld bij het publiek zo veel teweeg kunt brengen. Daar wilde ik bij horen. Ik wilde ook in staat zijn toeschouwers te ontroeren of aan het lachen te brengen.’

Tijdens het vierde jaar van haar opleiding aan de Toneelschool Amsterdam kreeg Visser de kans om de rol van Dirkje te spelen in de komische tv-serie In De Vlaamsche Pot, die in korte tijd populair werd. Het bracht haar veel – camera-ervaring, bekendheid – maar toch hield ze het na twee seizoenen voor gezien. ‘Het welslagen van zo’n serie valt of staat bij een vast stramien. Herkenbaarheid is van groot belang, karakters veranderen niet. Dat vond ik op den duur geen uitdaging meer.’

Had je ook last van de plotselinge bekendheid? ‘Die vond ik af en toe intimiderend. Dan begon er in de tram een meisje opeens vreselijk te gillen, om even later met pen en papier terug te komen, uit op een handtekening, nog zonder een zin te hebben gezegd. Ik ben ’t maar, hoor, dacht ik dan beduusd. Nog steeds word ik af en toe op In De Vlaamsche Pot aangesproken.’

Gooische vrouwen is inmiddels minstens zo populair. ‘Ik ben ouder en wijzer geworden, en niet meer zo onervaren als toen. Bovendien doen mensen zo gek niet meer, tegenwoordig. Die zijn ook wel wat gewend geraakt – zeker hier in Amsterdam.’

Visser speelde vooral vrouwen zonder opsmuk, die het leven nemen zoals het komt. Ze had rollen in voorstellingen van de theatergezelschappen Het Nationale Toneel, ro Theater en Het Zuidelijk Toneel, ze speelde in films als Amazones en Polleke, en in tv-series als Spangen en All Stars. Voor de komende tijd, nadat de opnamen van Gooische vrouwen zijn voltooid, heeft ze nog geen concrete plannen. ‘Ik moet binnenkort enorm gaan koffiedrinken met diverse mensen.’ Ze vertelt hoe ze – troostrijke ervaring – onlangs met haar schoonmoeder de boekenkast thuis opnieuw inrichtte; de werkkamer van Roef liet ze vooralsnog intact. Ze heeft veel contact met haar schoonouders en met de beide broers van Roef, Bastiaan en Jeroen.

‘Ik kijk liever niet in de toekomst, daar kan ik me op dit moment nauwelijks een voorstelling van maken. Het grootste gevaar is dat je vervalt tot de hoe-moet-het-nou-verder-gedachte. Die verlamt je. Laatst las ik in een boek een aantal verhalen over mensen die langere tijd geleden iemand verloren hebben. Ik werd er wijzer van, maar ik schrok ook: verdriet slijt nauwelijks, zo bleek, en blijft onderdeel van je bestaan. Maar wat ik ook heb ontdekt: dat ik, ondanks alles, erg van het leven hou, en dat ik besloten heb dat ik dat ten volle wil blijven leven.’

Dan helpt het ook dat je twee kinderen hebt. ‘De oudste, Saïda, pakte me daags na het overlijden van Roef vast, verdrietig: ‘Mama, we blijven toch wel leuke dingen doen?’ En ik: ‘Ja, papa zou gek worden als we dat niet deden.’’

Haar eigen vader overleed, na een moeizaam leven, toen hij 55 was. ‘In bijna niets was zijn dood te vergelijken met die van Roef, die midden in het leven stond, die óverbruiste van het leven, die zo geliefd was. Mijn vader had weliswaar rust gevonden de laatste jaren, en hij dronk ook niet meer, maar hij was eenzaam. Hij had alleen nog contact met zijn moeder en zijn twee dochters. In die zin was het ook een opluchting dat aan dat moeilijke leven van hem een eind was gekomen.

‘Maar er was toch één overeenkomst met het overlijden van Roef: de uitvaart was op een bepaalde manier net zo intens. Familieleden die hij al een tijd niet gesproken had kwamen over uit het buitenland. Een nichtje, dat operazangeres was, zong een aria. Het was stemmig en liefdevol – alles werd tot de essentie teruggebracht. Het was een mooi afscheid en een mooie dag, zo’n dag waarvan je eigenlijk hoopt dat die nooit voorbijgaat.’

Ze spreekt bestraffend haar hondje Katie toe, dat gromt naar de postbode. Ze heeft behoefte aan relativering. ‘En dit was dan weer een aflevering uit de serie Accepté Overflakkee, niks aan te doen.’

Schone schijn, want juist als ze het niet verwacht, op een niks-aan-de-hand-avondje bijvoorbeeld, kan het verbijsterende besef zich plotseling opdringen. ‘Waarom ben ik hier alleen? Waarom is Roef er niet? Welke gekke afslag heeft mijn leven genomen?’

Ben je het afgelopen jaar ook boos geweest om wat je is overkomen? ‘Ja, ik ben wel boos geweest, maar ik wist niet waarop. Ik heb alleen nooit gedacht: waarom ik? Eerder: waarom niet? Alsof de dood iets met eerlijkheid of rechtvaardigheid te maken zou hebben. Zo zit het leven niet in elkaar. Laatst zat ik in de auto, achter het stuur, te wachten voor het stoplicht en zag ik al die mensen op hun fietsen passeren. Ik raakte door mededogen bevangen: wat weet ik van hun levens, van hun geluk en hun verdriet? We moeten er allemaal doorheen. Gelukkig heb ik nooit hoeven denken: hadden Roef en ik maar dit, of hadden hij en ik maar dat. Wij hebben de liefde ten volle beleefd, zestien jaar lang.’

Een tijdje terug liep ze met haar hondje door het park, op een zonnige dag, zo’n beetje pratend tegen haar overleden man. ‘Ik was, gek genoeg, heel gelukkig, gezegend met Roefiaanse vrolijkheid, en ik voelde de liefde weer net zo sterk als toen hij nog leefde. Die raak ik dus nooit meer kwijt, wist ik toen.’

Vroeger was het af en toe een angstbeeld voor haar: dat mannen, in de bloei van hun leven, dood neer zouden vallen. ‘Roef had een hartruis, maar de cardioloog had gezegd dat het niet ernstig was, en dat hij er met gemak 80 mee zou kunnen worden. Ik heb toen weleens gedacht: stel dat het niet zo is en dat hij het niet haalt, dat hij jong sterft, dan stort ik ook zelf in, dan kunnen ze me met stoffer en blik opvegen. Dat is niet gebeurd, zo blijkt nu. ‘Al snel voelde ik een verbijsterende kracht in me die ik niet voor mogelijk had gehouden, en die zich al manifesteerde toen Roef nét overleden was. Ik stond naast hem, ik ontfermde me over hem en ik hoorde het mezelf hardop zeggen: ‘Het gaat helemaal goedkomen met ons, moet jij eens opletten.’’

Susan Visser (Marijn Scheeres)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden