InterviewRobbie Robertson

‘Ik heb altijd een soort broederschappen gezocht. The Band was er een, maar ook ‘Marty’ Scorsese’

The Band in Once Were Brothers, met als tweede van rechts Robbie Robertson.Beeld David Gahr

De documentaire Once Were Brothers vertelt het verhaal over The Band volgens liedschrijver en gitarist Robbie Robertson. Muziekjournalist Gijsbert Kamer sprak de Canadees over de ‘broederschap’ die na 1970 langzaam uiteenviel en over zijn jarenlange samenwerking met Martin Scorsese.

‘Wow, ik ben jaloers op jullie!’ Robbie Robertson (77) slaakt een kreet van enthousiasme als hij aan de andere kant van de oceaan via de telefoon verneemt dat bioscoopbezoek in Nederland mogelijk is. ‘Hier in de VS is alles al maanden dicht. Ik heb me aan de oostkust, in Maine, teruggetrokken en heb genoeg werk omhanden, maar een bioscoop heb ik al tijden niet meer vanbinnen gezien.’

Robertson was graag naar Nederland gekomen om naar het witte doek te kijken, als daarop vanaf deze week de documentaire Once Were Brothers zal worden geprojecteerd. De film vertelt zíjn verhaal over The Band, een van de invloedrijkste rockgroepen uit de popgeschiedenis, waarin Robertson gitaar speelde en waarvoor hij de meeste liedjes schreef.

‘Ik was 33 toen The Band ophield te bestaan, en had dus eigenlijk nog een heel leven voor me. Maar die jaren met de jongens tussen pakweg 1960 en 1976, daar kom ik nooit meer los van.’ Al gelooft hij dat met zijn boek, de autobiografie Testimony (2016), en deze film, die op dat boek is gebaseerd, het definitieve verhaal wel is verteld.

De film gaat over de vier Canadezen (Robbie Robertson, Richard Manuel, Rick Danko en Garth Hudson) en een Amerikaan (Levon Helm) die onder leiding van een oude rocker (Ronnie Hawkins) de fijne kneepjes van het rock-’n-roll-leven leren, Bob Dylan tegen het lijf lopen, zijn folkmuziek elektrificeren en deels met hem in Woodstock een nieuwe muziekstijl ontwikkelen. Country, folk, rock-’n-roll en blues vloeien samen tot een eigen genre, dat diepte krijgt door de sterke, filmische teksten van Robertson.

Het zijn niet alleen stuk voor stuk fantastische muzikanten, Helm (drums), Manuel (piano) en Danko (bas) blijken ook nog eens gezegend met buitengewoon fraaie stemmen, die solo of in samenzang kippenvel veroorzaken. De eerste twee Band-albums, Music from Big Pink (1968) en The Band (1969) gelden nog altijd als ultieme rockklassiekers en worden vaak genoemd als wegbereiders voor het genre dat we ‘americana’ zijn gaan noemen. Maar vanaf het derde album Stage Fright (1970) verdampt de onderlinge chemie langzaam.

‘We gebruikten allemaal te veel drugs en ­alcohol’, biecht Robertson op. ‘Maar heroïne, daar heb ik me altijd verre van gehouden. De rest helaas niet.’

De successen blijven, maar Robertson is het zat om de kar steeds meer alleen te moeten trekken. ‘Hadden we een afspraak, kwam niemand opdagen, omdat ze hun roes moesten uitslapen. Dat trok ik niet meer.’

Na een paar jaar van toenemende ergernissen komt Robertson op het idee om een voorlopig laatste concert te geven, en dat te laten opnemen door de beste regisseur en cameramensen. 

Dat werd de inmiddels iconische film The Last Waltz, geregisseerd door Martin Scorsese. De naam van de regisseur duikt ook op in de credits van Once Were Brothers, als een van de ‘executive producers’. ‘Maar hij kwam er pas laat bij, hoor’, zegt Robertson, die al ruim 45 jaar bevriend is met Scorsese (77) en hem ‘Marty’ noemt.

Robbie Robertson (links) en Martin Scorsese in 1978.Beeld Getty

‘Marty werd voor deze documentaire geïnterviewd, toen we samenwerkten aan de muziek van zijn film The Irishman. Ik zou me niet met de inhoud van Once Were Brothers bemoeien, alleen maar mijn verhaal doen. Maar ik was er toch, en ik was best nieuwsgierig naar wat Marty er eigenlijk van vond. Dus stelde ik een viewing voor. Regisseur Daniel Roher, een jonge vent die enorm opkeek tegen Marty, wilde hem best even laten meekijken naar wat hij al aan materiaal had geschoten.’

Scorsese was onder de indruk, maar had nog wel een paar adviezen. De emotionelere scènes moesten meer ruimte krijgen. En daarvan waren er best veel, aldus Robertson. ‘Het slot, waarin de dood van Levon (2012, red.) ter sprake komt, is daarvan een goed voorbeeld.’ 

Het zit Robertson nog altijd hoog, vertelt hij aan de telefoon, dat Levon Helm, die hij toch als een soort broer beschouwde, zich van hem had afgekeerd. ‘Levon was de eerste die ik leerde kennen, Hij heeft me het rock-’n-roll-leven in gesleurd. Jarenlang waren we soulmates, totdat die ellendige dope alles verpestte. Levon werd er paranoïde van; hij beschuldigde me van diefstal van zijn auteursrechten en bleef daar tot aan zijn dood over doorgaan.’

De rechtenkwestie komt ook in de film kort aan de orde, maar de makers van Once Were Brothers laten er geen twijfel over bestaan: Robertson schreef de meeste liedjes, de royalty’s werden met ieders toestemming verdeeld.

‘Tot op de dag van vandaag word ik door fans van Levon beschuldigd van diefstal. Echt verzoend met elkaar zijn we niet. Er was ook geen gesprek meer mogelijk. Altijd ging het over geld. Maar ik heb hem opgezocht toen ik hoorde dat hij ziek was. Toen ik bij hem kwam, was hij al buiten bewustzijn. Ik heb zijn hand vastgehouden en gezegd: ‘Levon, ik zie je aan de andere kant.’’

Het is even stil aan de telefoon. ‘Ik kon in mijn boek niet goed over mijn gevoelens schrijven. In de film komt het er dankzij de muziek en montage veel beter uit dat ik echt heel veel van Levon hield. Zijn dood voelt als het verlies van een broer. Ik ben enig kind en heb altijd een soort broederschappen gezocht. The Band was er een, maar ook Marty is als een broer voor mij geworden.’

The Band in 1968, met vanaf links: Rick Danko, Levon Helm, Richard Manuel, Garth Hudson en Robbie Robertson.Beeld Elliott Landy

Scorsese en Robertson leerden elkaar kennen in 1973, dankzij Jonathan Taplin (73), de tourmanager van The Band. ‘Jonathan en ik praatten veel over films, maar ik wist niet dat hij ambities had in de filmbusiness. Op een dag in 1972 bekende hij dat hij er genoeg van had om de hele dag Rick, Richard en Levon te moeten babysitten. Die waren zo heftig aan de drugs dat ze alle afspraken vergaten. Jonathan vond het welletjes en ging films produceren.

‘Ik lachte hem uit, weet ik nog. Yeah right, filmproducent. Het beste ermee. Maar een jaar later belde hij me op: ‘Robbie, ik heb een film geproduceerd, Mean Streets, met een paar jonge gasten, Robert De Niro en Harvey Keitel. Die wil ik je graag laten zien, want de regisseur, Martin Scorsese, houdt van precies dezelfde muziek als jij.’’ 

Robertson ging kijken en was diep onder de indruk. ‘Zoals Marty popmuziek in de filmscore verwerkte, dat had ik nog nooit gezien. We praatten urenlang over de Rolling Stones, Bob Dylan en liedjes als Be My Baby.’

Toen Robertson een paar jaar later op het idee van The Last Waltz kwam, wist hij bij wie hij moest zijn. Scorsese was mede dankzij Taxi Driver een gevierd regisseur en stond bovenaan het lijstje van de Band-gitarist. ‘Er was één probleem. Marty werkte aan een andere film, New York, New York. En als filmbazen ergens een hekel aan hebben, is het aan regisseurs die tussendoor bijklussen met andere opdrachten.’

Toen Scorsese zag wie er op die Thanksgiving-avond in 1976 in San Francisco behalve The Band verder zouden optreden, ging hij alsnog overstag. ‘Eric Clapton, Joni Mitchell, Muddy Waters. Yes! Dan ontslaan ze me maar, riep hij.’

In het geniep trok Scorsese met zijn crew tijdens de korte Thanksgiving-vakantie naar San Francisco en nam daar The Last Waltz op, de documentaire die inmiddels te boek staat als een van de allerbeste muziekfilms ooit.

Robertson: ‘Het was helemaal niet bedoeld als afscheidsoptreden. Mijn idee was dat we allemaal een paar jaar even wat anders gingen doen, om dan vol frisse plannen weer terug te komen voor de best denkbare rock-’n-roll. Alleen kwam niemand terug.’

The Last Walz.

Film en boek houden, los van de dood van Helm, goedbeschouwd op in 1976. De dood van Richard Manuel (1986) en Rick Danko (2000) komt in het geheel niet ter sprake. Drie van de vijf Band-leden zijn overleden, naast Robbie Robertson leeft alleen organist Garth Hudson (83) nog. Toch zit hij niet in Once Were Brothers.

‘Ik weet dat ze twee keer met een cameraploeg hebben geprobeerd hem zijn verhaal te laten doen, maar zijn gezondheid stond dat niet toe. Je moet zo iemand wel in zijn waarde laten, dit zou hem geen recht doen.

‘Helaas. Met z’n vijven samen is het nooit meer wat geworden. Ik heb het heel triest gevonden dat de rest zonder mij nog als een soort coverband heeft opgetreden. Zelf was ik allang bezig met andere dingen. Marty haalde me na The Last Waltz de filmwereld in. Ik mocht de muziek voor Raging Bull (1980) doen, en dat beviel goed. Sindsdien vraagt hij me eigenlijk altijd als hij een filmidee heeft.’

Casino (1995), Gangs of New York (2002), The Wolf of Wall Street (2013) en The Irishman (2019) zijn allemaal Scorsese-films met muziek van Robbie Robertson, die zichzelf desondanks meer rocker dan componist vindt. ‘Ik denk dat Marty dat juist fijn aan mij vindt. Hij kan iedereen krijgen om fantastische filmmuziek voor een groot orkest uit te schrijven. Maar liever gaat hij met mij om de tafel zitten en praten we over rock-’n-roll. Ik heb een olifantengeheugen als het om goeie pop- en rocksongs gaat. We zijn even oud en hebben dezelfde smaak. Samen maken we dan een lijst met liedjes, ik componeer daar eventueel nog wat muziek bij, instrumentale rocknummers. Daar houdt Marty van.’

Beeld Don Dixon

Was er geen corona geweest, dan had het duo nu de laatste hand gelegd aan Killers of the Flower Moon, Scorseses nieuwste film. ‘Ik moet altijd eerst wat rushes zien, al gedraaide opnamen, om een idee te krijgen voor de muziek. Geen idee wanneer dat weer zou kunnen.’

Dus besteedt Robertson zijn tijd aan andere dingen, zoals het tweede deel van zijn autobiografie, dat eind dit jaar klaar moet zijn. Hij werkt aan een jubileumuitgave van het derde Band-album Stage Fright (1970) en heeft na dit interview een Zoom-gesprek met de scenarioschrijver van een beoogde film over The Band. ‘Geen documentaire maar drama, wat me reuzeboeiend lijkt. Een film over jezelf door een ander gespeeld. Ik hoop echt dat ik het verschijnen daarvan nog mag meemaken.’

Niet dat hij daaraan twijfelt, want hij voelt zich kerngezond. ‘Ik denk eigenlijk nooit na over ouder worden en de beperkingen die dat oplevert. Dat doen wij niet.’

Wie hij precies bedoelt met die ‘wij’? ‘Mijn andere broers: Marty, architect Frank Gehry en natuurlijk good old Bob Dylan. Allemaal mensen die niet alleen uitzonderlijk goed zijn in wat ze doen, maar op late leeftijd nog hun beste werk kunnen maken. Ik laaf me al decennialang aan hun grootsheid. We vormen niet de jongste broederschap, maar we kunnen het nog wel.’

Once Were Brothers (regie Daniel Roher) draait vanaf 20 augustus in de bioscoop. Lees hier de recensie van Robert van Gijssel.

Bob Dylan (rechts) en Robbie Robertson op archiefbeeld in Once Were Brothers.Beeld Barry Feinstein

Soloplaten

Hoewel zijn filmwerk voorrang kreeg, is Robbie Robertson na het verscheiden van The Band altijd soloplaten blijven maken. Soms leverde hem dat een hitje op, zoals Somewhere Down the Crazy River in 1987, maar vaak verdwenen de albums snel uit zicht. Zijn meest recente album Sinematic dreigde ook af te glijden richting vergetelheid, maar bevat toch drie stukken die elders opdoken. Het nummer Once Were Brothers keert terug in de gelijknamige documentaire en twee andere stukken gebruikte Robertson in de muziek voor Scorseses film The Irishman (2019).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden