Columnsylvia witteman

Ik denk niet dat er nog kinderen zijn die te veel lezen naar de zin van hun ouders, maar ik kreeg dagelijks zo’n vermaning

null Beeld

Net als Karel van het Reve werd ook Willem Frederik Hermans 100 jaar geleden geboren, zo noteerde collega Max Pam van de week; en hop, daar zat ik weer in de schoolbanken van het Stedelijk Gym te Haarlem, waar ik te horen kreeg dat we in Nederland drie grote schrijvers kenden, de zogeheten ‘Grote Drie’. Hermans deelde de eer met Gerard Reve en Harry Mulisch. Ik was een jaar of 14, ik aanbad Reve en had een hekel aan Mulisch.

Van Hermans had ik toen alleen nog De tranen der acacia’s gelezen; dat had me angst en walging ingeboezemd, grimmig en cryptisch als ik het vond, zonder één sympathiek of zelfs maar vagelijk herkenbaar personage. Ik was er natuurlijk te jong voor, maar als er íéts is dat je op je 14de verdomt, is het ergens te jong voor zijn. Ook Hermans zelf vond ik trouwens eng, met die misprijzend neergetrokken mondhoeken en de enkele keer dat hij lachend gefotografeerd werd leek hij nóg enger, door de kennelijke vreugdeloosheid van die lach. Dat moest wel een door en door cynische man zijn.

Gelukkig had ik een zeer kundige lerares Nederlands. Zij liet de klas De elektriseermachine van Wimshurst lezen, een compacte, haarscherp geslepen novelle over Richard, een leergierig, ouwelijk, eenzaam schoolkind, verzonken in boeken (het Leerboek der Natuurkunde voor het Meerder Uitgebreid Lager Onderwijs) en ontsteld door de ruwe domheid van zijn klasgenootjes die de schooltuintjes vernielen, met zand bestrooien, planten uitrukken en wormen doorknippen onder het motto ‘die groeien vanzelf weer aan mekaar’. ‘Mijn moeder vult de theepot met kokend water en vraagt waarom ik huil. (…) Hoewel ze zelf onderwijzeres is geweest en dus terdege weet dat planten niet willen groeien op zand, zegt ze: ‘Jij kan ook nooit met andere kinderen spelen.’’

Kijk eens aan, dát was herkenbaar. Arme Richard, met zijn bekrompen ouders! ‘Waarom zit je altijd met je neus in een boek! Je rug wordt krom, je bederft je ogen! Kom, ga eens wat anders doen’, zeiden mijn ouders schijnheilig. Wat ik anders doen moest, wisten zij immers net zo min als ik.’

Ik denk niet dat er tegenwoordig nog kinderen bestaan die te veel lezen naar de zin van hun ouders, maar ik kreeg, nog in de jaren zeventig, dagelijks vermaningen van dien aard, en ook ík wist niet wat ik anders zou moeten doen. ‘Lekker buiten spelen’, was het devies. Als ik daar echt niet onderuit kwam, nam ik stiekem mijn boek mee en ging ergens in een portiek zitten lezen.

Voor Richard was dat niet genoeg. Hij wilde niet met rust gelaten worden, hij wilde zijn klasgenoten ‘eerbied inboezemen’. ‘Vechten leidt tot niets, want ze zijn sterker. Ik kan alleen indruk op ze maken door ze te verbazen, maar hoe? Ik wil dat zij urenlang mijn gedachten denken, ik wil in hun hersens doordringen als een tumor.’

Dan vindt Richard iets op de zolder van school. ‘Meneer! Dat ding daar, dat is de elektriseermachine van Wimshurst! Kunt u hem niet eens in de klas laten kijken?’ ‘Ach jong, die ding’n zijn altijd kapot. Ik ben er nog nooit een tegengekomen die het deed.’

Richard krijgt het ding natuurlijk wél aan de praat. ‘De geur van het door de elektrische vonken ontstane ozon doordrenkt de atmosfeer van het klaslokaal als een geur van heiligheid. Nu weet ik dat mijn boodschap eindelijk doordringt tot hun botte breinen.’

Ja, er is een kort moment van glorie, waarna alles vervolgens toch nog gewoon slecht afloopt; Richard blijft het vervelende wijsneusje van de klas. Cynisch, jazeker. Maar zo gáán die dingen en Hermans had mij voorgoed voor zich gewonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden