'Ik dacht ze komen wel; maar ze kwamen niet' Bonnefantenmuseum is op zoek naar zijn publiek

In zijn nieuwjaarstoespraak twee weken geleden in het Amsterdamse Stedelijk Museum verweet Melle Daamen, directeur van de Mondriaan Stichting, de Nederlandse moderne kunst-musea in de greep te zijn geraakt 'van een overdreven tentoonstellingshectiek'....

De droom was zoet en vol idealisme. Het Bonnefantenmuseum, ontworpen door de vorig jaar overleden architect Aldo Rossi, moest het eerste museum ter wereld worden, 'waar de dingen staan of hangen, zonder tekstgeruis of andere opzichtige middelen'. Dat dacht de strenge 'purist' Alexander van Grevenstein toen, de liefhebber van ingetogen ideeënkunst uit het eind van de jaren zestig en zeventig. Van kunstenaars als Sol LeWitt, Luciano Fabro, Mario Merz en Jannis Kounellis. 'Ik dacht altijd: kunst moet zelf het verhaal vertellen. Ryman en Merz vroegen niet om tekst bij hun werk. Je toonde de kunst zo puur mogelijk, omdat die kunst zelf ook zo puur was.'

Inmiddels denkt Van Grevenstein anders - de werkelijkheid dwong hem daartoe. In het eerste openingsjaar kon het Bonnefanten - de kosten van de nieuwbouw bedroegen 42,5 miljoen gulden - nog rekenen op 180 duizend bezoekers die vooral op het opzienbarende ontwerp van Aldo Rossi afkwamen. Maar in de jaren die volgden, daalde dat aantal schrikbarend, tot nauwelijks honderdduizend per jaar. Dat waren er 25 duizend minder dan absoluut noodzakelijk was om 'normaal te kunnen draaien', zegt Van Grevenstein.

De afgelopen drie jaar hebben drie management- en adviesbureaus het museum doorgelicht, 'met alle spanningen en frustraties van dien'. De samenwerking met vlakbij gelegen Duitse musea, als die in Mönchen-Gladbach, Munster en Krefeld, mislukte, wegens 'te weinig animo van de kant van de Duitsers'.

Naar de afstoting van één van de drie 'zwaartepunten' van de collectie - de afdeling archeologie - wordt op dit moment onderzoek gedaan. En het provinciebestuur overweegt de vlak bij de ingang van het museum gelegen Wiebengahal te sluiten; daar vinden de monumentale concept en minimal art van kunstenaars als Richard Serra en Luciano Fabro onderdak.

Toch is er een sprankje hoop. In maart beslist het provinciebestuur over een verhoging van de exploitatiesubsidie, van 3,5 naar 4,5 miljoen gulden. Aan die verhoging wil het provinciebestuur wel 'keiharde voorwaarden van resultaat' verbinden. Bovendien moet het museum jaarlijks twee miljoen gulden aan eigen inkomsten werven om de begroting kloppend te krijgen. 'Begrippen als marketing en p.r. dringen zich dan vanzelf als noodzaak aan je op.'

In zijn kantoor aan de rivier, waar schilderijen van jonge favorieten als Fons Haagmans en Jaap de Graaf nonchalant tegen de muur leunen, wil Van Grevenstein geen jammerklacht afsteken of de verantwoordelijkheid afschuiven. Hij geeft het ruiterlijk toe: 'Ik heb de afgelopen jaren inschattingsfouten gemaakt. Ik heb me te weinig gerealiseerd dat hier in Limburg geen cultuur bestaat van museumbezoek en dat men van hedendaagse kunst nauwelijks op de hoogte is. Ik heb me als museumdirecteur onvoldoende verdiept in het verwachtingspatroon. Ik dacht echt heel naïef: ze komen wel. Maar ze kwamen niet.'

Tien jaar geleden kon Van Grevenstein nog een stalen beeld van Richard Serra zonder tekst in de ruimte neerzetten. Dat kan niet meer, heeft hij ondervonden. 'Serra's beeld is hier echt een steen des aanstoots - vreselijk vond men die aankoop, zoveel geld voor een armetierig zootje stalen platen. Dat kan ik dus niet meer zo maar laten zien. Daar moet ik een verantwoording bij schrijven. En dan niet van die blaadjes in bakjes aan de muur - we hebben ons te pletter gedrukt aan die blaadjes - maar teksten aan de muur, vlak voor de bezoeker zijn neus. Als de consequentie van die tekstborden is dat je een schilderij per zaal minder kunt laten zien, dan moet dat maar.'

Kunst is een moeilijk product, en een museum is een instituut 'waar de eenzaamheid zit ingebakken', weet Van Grevenstein. Zelfs tentoonstellingen met kunstenaars die internationaal furore maakten, zoals Jake & Dinos Chapman of Gabriël Orozco, trokken in Maastricht maar de helft van het verwachte aantal bezoekers. 'Alle landelijke dagbladen recenseerden de tentoonstellingen, maar zakelijk gezien waren ze een flop.'

Dus ligt de oplossing niet alleen in het maken van interessante tentoonstellingen. 'Toen ik als conservator in het Stedelijk Museum begin jaren tachtig een tentoonstelling met werk van Sol LeWitt maakte, trokken we in zes weken tijd honderdduizend bezoekers! Men ging naar het museum om op de hoogte te blijven van wat er speelde, van wat ''in'' was. Die tijd is voorbij. Beeldende kunst vervult geen rol meer in het maatschappelijk debat, en als er een discussie woedt over beeldende kunst, is dat meestal een incestueuze, met zo'n vijftig tot zestig vaste sprekers. Moderne kunst is ''uit'', behalve als het om cultuurtoeristische evenementen gaat, zoals de Documenta in Kassel, het beeldenproject in Münster, of om blockbusters als Vermeer of Van Gogh.'

De 'trucs' die Van Grevenstein in de toekomst voor ogen staan, om de herkenbaarheid en populariteit van het Bonnefanten te vergroten, zijn verschillend. Allereerst wordt het tentoonstellingsbeleid veranderd. 'We gaan ons bijvoorbeeld in de oude kunst concentreren op het thema van de atelierpraktijk. Dus geen tentoonstelling met Rubens of een ander genie, maar van een atelier in Antwerpen in de zestiende eeuw. Wat betreft de hedendaagse kunst: tentoonstellingen met kunstenaars uit onze basiscollectie - Ryman, Merz, Knoebel, Fabro, Broodthaers, LeWitt, Serra en Kounellis - kunnen we niet betalen. In plaats daarvan richten we ons op jonge, voor een deel Limburgse kunstenaars.

'Je moet je niet afsnijden van jonge kunst. Wim Beeren zei eens: Het museum is een echte meneer. Wat mij betreft: liever niet. Volgens mij moet je er ook drieletter-woorden kunnen gebruiken.'

Ook gaat Van Grevenstein in de toekomst meer tentoonstellingen met een persoonlijke signatuur maken, hoewel hij daar altijd een tegenstander van was. 'Ik ben niet zo iemand die als tentoontellingsmaker op de voorgrond wil staan. Maar ik heb gemerkt dat het publiek zo'n stellingname verlangt.'

Zijn volgende project - werktitel Distant Drums - zal de relatie tussen film en beeldende kunst onder de loep nemen. 'In die tentoonstelling wil ik laten zien hoe een kunstenaar als Fabro of Merz is beïnvloed door een filmmaker als Pasolini. Ik wil proberen het publiek het verband te laten leggen tussen de anekdote van de filmscène en de geconcentreerde uitwerking daarvan die de kunst is.'

Toch heeft de belangrijkste omwenteling die Van Grevenstein in de toekomst voor ogen staat, niets van doen met speciale tentoonstellingen, maar veel meer met een verandering in de functie van het museum. Een museum moet nog steeds een 'vrijhaven' blijven, waar je je 'kunt wapenen tegen de onverschilligheid van de tijd'. Maar zijn oude adagium, 'verstilling en concentratie', heeft hij overboord gezet. Geen museumdirecteur zal daar in de toekomst onderuit kunnen.

'Als ik terugdenk aan La Grande Parade, de afscheidstentoonstelling van Edy de Wilde in het Stedelijk Museum in Amsterdam, zie ik altijd weer die rijen contactadvertenties voor me, die tijdens de duur van die tentoonstelling in Vrij Nederland verschenen. Ik zag je op de trap van het Stedelijk, jij had rood haar en een groene blouse aan. Dat wil ik terug in mijn museum: het sociale spektakel. Het museum moet weer een ontmoetingsplaats worden, zoals het dat in de tijd van Sandberg was.

'We leven in een tijd van Paarse rekenmeesters. Iedereen en alles wordt beoordeeld op basis van cijfers en getallen. Maar het werkt niet altijd. Niet voor niets hebben de dood van Lady Di en van Meindert Tjoelker de gemoederen zo in beweging gebracht.

'Voor ons, als museum, ligt hier een taak. Ik wil de mensen op emotioneel en sociaal vlak weer bij elkaar brengen. Als we als musea in Nederland daarin slagen, gaat de mooiste uitvinding aller tijden een glorieuze toekomst tegemoet. Maar daarvoor moet je wel de stimulus om te komen vergroten, door bijvoorbeeld theater of muziek in het museum aan te bieden.'

Het experiment dat Van Grevenstein de afgelopen maanden begon en dat nog steeds duurt, blijkt een succes. 'Op het Bonnefantenfestival organiseerden we zes theater- en muziekopvoeringen per zondag. En het liep storm. We trokken meer dan het dubbele van het aantal bezoekers dan we gewoonlijk over de vloer kregen, en ze kwamen bijna allemaal uit de regio. Van mij mag iemand als Rutger Pontzen dan best in Vrij Nederland sneren dat het zo'n herrie in het museum is geworden. Ik ben gelukkig, want ik zie dat meer mensen dan ooit tevoren hier naar een schilderij van Ryman kijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden