'Ik blijf een doorgefourneerde scepticus'

HET MOMENT waarop Nicolaas Matsier God afschafte is nog exact te traceren. In de derde klas van het 's-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium verwierp hij het Opperwezen, tijdens de pauze 'tussen het derde (10.10u.-11.00u.) en het vierde (11.30u.-12.20u.) schooluur, klaarlichte dag, en passant, tussen de ene hap brood en de andere', zoals precieus omschreven staat in zijn bestseller Gesloten huis uit 1994. Daar en toen zette hij rigoureus een streep onder zijn gereformeerde opvoeding, om voortaan als ongelovige - 'Een bange ongelovige, dat wel' - door het leven te gaan.

Nu, ruim veertig jaar later, verschijnt bij De Bezige Bij De bijbel volgens Nicolaas Matsier, een bundeling van de stukken die hij eerder schreef voor NRC Handelsblad en Trouw - weliswaar gepresenteerd als een puur literaire visie op de Schrift, maar toch. De angst voor de zelfgeproclameerde staat der ongelovigheid is inmiddels wel verdwenen, en ook het schuldgevoel jegens zijn ouders, die hij met zijn rebelse stap, destijds en tot hun dood, verdriet deed. Maar er gaapt een enorme kloof tussen de puber die ooit al zijn energie aanwendde om tijdens de zondagse preek 'die taal, die verzen, die citaten () te vermorzelen, inwendig, tot iets als een volslagen innerlijke stilte waarin alle leven voor enige tijd was opgeschort', en de schrijver die nu komt met eigen bijbelcommentaren, hoe dwars ook.

Of heeft, nu hij de zestig nadert, de mildheid haar intrede gedaan? Heeft de tijd hem in het reine gebracht met het benarde en benauwende gereformeerdendom van zijn jeugd? Zijn de brillenglazen schoongepoetst - schoon genoeg voor het onbevangen herlezen van wat sinds het scheutig gestrooi met hebraïcismen door de 17de-eeuwse statenvertalers 'het boek der boeken' is gaan heten?

Om de Bijbel te willen lezen als onverbiddelijke klassieker uit de wereldliteratuur, lijkt enige legitimatie gepast, suggereert Matsier in zijn nawoord: 'Ik blijf het wat onrustig stemmende gevoel behouden dat ik mijn manier van lezen moet verdedigen.' Al was het maar om zijn vrienden - overwegend atheïsten, sceptici en agnosten - ervan te overtuigen dat het geen voorbereiding was op een religieuze stap à la die van Willem Jan Otten. Maar misschien had de Britse schrijver T.S. Eliot wel gewoon gelijk toen hij in een essay uit 1935 de stelling poneerde dat wie zover is dat hij de Bijbel als louter literatuur kan beschouwen daarmee het beste bewijs levert dat hij werkelijk van God los is.

Er schuilen zelfspot en ironie achter de titelkeuze van het boek, dat niet de hele Bijbel maar alleen het Oude Testament tot onderwerp heeft, en dan nog slechts een selectie daaruit. 'Het klinkt inderdaad wat bedrieglijk', geeft Matsier toe, 'maar de titel beoogt associaties op te roepen met nieuwtestamentische bijbelboekbenamingen als ''Het evangelie volgens...''' Tal van titels passeerden de revue, maar het mocht er geen zijn die het boek op de plank naast Nico ter Lindens Het verhaal gaat zou doen belanden. 'Daarom werd het deze vrolijke, uitdagende, lichtelijk overdreven titel. Wie mijn geschrijf een beetje kent ziet onmiddellijk de knipoog.'

Schalks of niet, Matsier heeft zijn uiterste best gedaan om zo goed mogelijk te lezen wat er staat en hoe het er staat. 'Vroeg of laat is tekst tekst. Niet meer en niet minder dan dat. Daarvoor moet je bereid zijn de tekst te ontdoen van eeuwenlange tradities van religieuze interpretatiezucht.' Een geweldige krachtsinspanning, waarbij Matsier veel steun ondervond van het literaire bijbelonderzoek van de door hem hogelijk bewonderde Robert Alter. 'Er is in de boeken van die man geen spoor van religieuze vooringenomenheid of mystieke duidingsdrang. Hij blijft heel nadrukkelijk binnen het precieze kader van de literatuur.'

Zo leerde Matsier van Alter dat Hooglied een volstrekt seculier bijbelboek is, dat ook als zodanig moet worden gelezen. 'Het heeft me gesterkt in de overtuiging dat het mogelijk is de Bijbel zonder godsdienstige belemmeringen te lezen.' Zo'n onbevangen tekstbenadering kan leiden tot verbazingwekkende ontdekkingen. 'Het is misschien een leemte in mijn algemene ontwikkeling, maar ik had er bijvoorbeeld nooit bij stilgestaan dat er in het gros van de oudtestamentische bijbelboeken geen sprake is van een leven na de dood. Een wonderbaarlijke eye-opener voor een christelijk opgevoed mens! Ik ben bang dat gelovige christenen zich dat helemaal niet realiseren.'

Niet alleen de christelijke connotaties moest Matsier als een mantel van zich afwerpen, voor hij de Bijbel zuiver als tekst kon beschouwen. Er viel ook heel wat weerzin te overwinnen. 'Ik was in mijn pubertijd een vervelend jongmens, dat met dichtgestopte oren in de kerk zat; een enorme neo-positivist ook, een soort Kousbroek, als het om levens- en wereldbeschouwing ging.'

De hemelbestormende neiging om de confrontatie aan te gaan met het geloof, is verdwenen. 'Ik ben inderdaad milder geworden, geïnteresseerder ook. De behoefte om de wereld in scherp afgegrensde kampementen te verdelen, ben ik langzaamaan kwijtgeraakt. En ik heb wat meer oog gekregen voor de grootsheid van de christelijke traditie en cultuur. Als ik mijn eigen plaats nu zou moeten bepalen, dan zit ik - met één been in de traditie en één erbuiten - ergens tussen de post-katholieke nostalgicus Kees Fens en de ultieme rationalist Rudy Kousbroek in.'

Matsier zou niet de enige Nederlandse schrijver zijn die zich geconfronteerd ziet met de paradox van een zekere nostalgische hang naar de ondubbelzinnige geborgenheid van de religieuze zekerheden uit zijn vroege jeugd aan de ene, en de bevrijdende wetenschap dat het allemaal voorbij, en o, voorgoed voorbij is aan de andere kant. Een vergelijking met auteurs als Maarten 't Hart, Jan Siebelink en Jan Wolkers, die, net als hij in onder meer Gesloten huis, hun literaire voordeel deden met hun oergereformeerde verleden, dringt zich op.

Hij ontkent dat een dergelijke ambivalentie hem nu nog uit zijn slaap houdt. 'Ik heb het gehad', zegt hij, 'maar als het erop aan komt blijf ik een doorgefourneerde scepticus. Zo heb ik als student in de linksige jaren zestig ook nooit iets van het marxisme moeten hebben. Desondanks voel ik mij een nazaat - liever: een voortzetting - van die christelijke traditie. In seculiere zin, wel te verstaan.'

Als ex-gelovige contrasteert Matsier daarmee sterk met zijn ongelovige generatiegenoten. 'Wat dat aangaat ben ik een parvenu. Ik ben eigener beweging ongelovig geworden. Voor geboren heidenen is ongelovigheid de vanzelfsprekende, natuurlijke staat des mensen. Maar zij weten van toeten noch blazen als de sporen van de christelijke traditie in de hedendaagse westerse cultuur ter sprake komen.'

Het is hem een doorn in het oog. 'Ik heb mijn kinderen destijds bewust naar een openbare school gestuurd. Maar ik heb spijt als haren op mijn hoofd. De godsdienstige kennis is als sneeuw voor de zon verdwenen in dit snelst ontkerkelijkende land ter wereld. Het is weg. En dat is beslist een handicap als je iets van onze cultuur - van taal, van literatuur, van beeldende kunst en muziek - wilt begrijpen.'

Cultuur en religie zijn nauw met elkaar verweven, wil Matsier maar gezegd hebben. In De bijbel volgens... zet hij die verwevenheid nog sterker aan door de stelling van Eliot (zodra de Bijbel literatuur wordt verliest het boek zijn religieuze impact) als het ware om te draaien. Juist vanwege het hoge literaire gehalte kreeg de Bijbel zijn religieuze gewicht en gestalte, aldus Matsier. 'Het lijkt een wat flauwe stelling', licht hij toe, 'maar ik sta er wel achter. Er is in de geschiedenis een periode geweest waarin ieders mensbeeld religieus gekleurd was. Maar in den beginne zullen de bijbelboeken niet anders bedoeld zijn geweest dan als mythologische vertellingen die, zoals goede literatuur betaamt, kleur, inhoud en betekenis konden geven aan het menselijk bestaan. De status van de Bijbel als het Woord van God, de Schrift waar je religieus gezien dus niet meer omheen kon, is beslist van latere datum.'

Matsier zou Matsier niet zijn als hij zijn pronte stelling niet terstond relativeerde. 'De Bijbel heeft dat natuurlijk niet op eigen kracht bereikt. Voor een religieus geloof is méér nodig: een gebouw, rituelen, een groep die met die teksten aan de haal gaat. Als je in je piere-eentje met dat boek voor je neus zit, word je daar echt niet op slag gelovig van. Integendeel, zou ik zeggen.'

Gesticht wordt de individuele lezer wel, maar dan uitsluitend in esthetische zin. Geen ontkomen aan volgens Matsier. 'Het Oude Testament bevat meeslepende literatuur en de psalmen zijn van een ongekende poëtische schoonheid.' Maar waar de Bijbel met andere maatstaven dan die van de esthetica benaderd wordt, dreigt gevaar. 'We moeten het toch echt nog even over Ayaan Hirsi Ali hebben', zegt Matsier beslist als het gesprek ten einde loopt. 'Over het fundamentalistische geloof en de kwalijke gevolgen daarvan zegt zij volstrekt verdedigbare dingen. Zij heeft die gevolgen aan den lijve ondervonden. Ik vind het van een woestmakende lafbekkerij als de politiek correcte goegemeente niet weet hoe snel ze daar afstand van moet nemen. Zelfs al bén je het oneens met wat zij zegt, wij hebben in dit land goddank vrijheid van meningsuiting. Imams die daaraan willen tornen, moeten maar vertrekken.'

Maar ook dit op felle toon geformuleerde standpunt wordt op z'n Matsiers ten dele weer ontkracht. Op zijn soms tamelijk geloofsondermijnende stukken in dagblad Trouw, nog altijd gelezen door een overwegend protestants-christelijk publiek, heeft hij namelijk nooit een kwade, laat staan een verketterende reactie ontvangen. Ook niet toen hij de oudtestamentische God als onredelijk, licht ontvlambaar, wraakzuchtig en narcistisch neerzette en 'de Heer J.H.W.H.' vergeleek met hedendaagse schurken als Kadhafi en Saddam Hussein. Wellicht heeft het tussen haakjes geplaatste en met enige regelmaat terugkerende zinnetje 'Ik wil niemand voor het hoofd stoten' hem enig krediet verschaft bij de gelovige lezers. Het feit blijft dat hij, naar eigen zeggen, uit de Trouw-familie alleen maar aardige en bemoedigende brieven heeft ontvangen.

Hoe onbegrijpelijk hij het geloof en de fanatieke onverzoenlijkheid die daar soms uit voortvloeit ook blijft vinden, Matsiers tegendraadse verbondenheid met de Bijbel als literaire hoogstand is er niet minder om. Misschien nog het meest tot zijn eigen verbazing stemde hij er daarom in toe als 'meelezer' te fungeren bij het omvangrijke project van een op handen zijnde Nieuwe Bijbelvertaling en mee te werken aan de constructie van een website bijbelencultuur.nl. Vooralsnog lijkt het echter onwaarschijnlijk dat De bijbel volgens... een vervolg krijgt, waarin ook de apocriefe bijbelboeken en het Nieuwe Testament een matsierlijke behandeling ondergaan. 'Die teksten zijn veel vlakker en halen het niet bij de literaire rijkdom van het Oude Testament.' En, niet onbelangrijk: 'Het wordt tijd om weer eens een roman te schrijven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.