'Ik ben geen regent, ik ben een volkstribuun'

Pieter Jelles Troelstra was de eerste ‘rooie’ met wie koningin Wilhelmina in aanraking kwam. Ze was onder de indruk van zijn welsprekendheid....

‘Een politicus die ook dichter, advocaat en journalist was, realist en romanticus tegelijk, een groot parlementariër, maar wel een die met revolutie dreigde.’ Zo karakteriseert Piet Hagen de hoofdpersoon uit Politicus uit hartstocht, de sociaal-democratische voorman Pieter Jelles Troelstra. Zeven jaar werkte Hagen aan de biografie van de oprichter van de SDAP, een van de kleurrijkste politici die Nederland heeft voortgebracht. Minutieus reconstrueert de auteur het leven van de zoon van een Friese belastingophaler die de sociaal-democratie in Nederland introduceerde en tot wasdom bracht. Weinig gebeurtenissen uit Troelstra’s leven blijven onbesproken; de lijvige biografie is niet alleen volledig en degelijk, maar brengt ook de atmosfeer tot leven van Nederland rond het vorige fin de siècle en van de verwachtingen, ruzies en teleurstellingen binnen de jonge arbeidersbeweging.

Pieter Jelles werd op 20 april 1860 geboren als oudste van zeven kinderen van Jelle Troelstra en Grietje Landmeter. Zijn moeder overleed toen hij elf jaar was en dat heeft er bij de gevoelige jongen flink ingehakt. Veel later, toen hij als 49-jarige haar graf in het dorp Stiens bezocht, slaagde hij erin dat gemis in een (Fries) gedicht te verwoorden: ‘No wit ik, dat dy leafdehonger/ Dy ’t my sa fyt’re libben troch/ Begûn is by dat stille grêf dêr/ Wêr ik ús mem my winken sjoch.’ (Nu weet ik, dat die liefdeshonger/ die mij zo voortjoeg, levenslang, / begonnen is daar bij dat stille graf/ waar ik mijn moeder wenken zag). Zijn moeder was niet het enige familielid dat hij verloor, kort daarna stierf ook zijn jongste broertje en later nog een broer en twee zussen.

Piet Hagen, veel sterker in het beschrijven dan in het interpreteren, staat niet lang stil bij de invloed van deze schokkende gebeurtenissen op de jonge Troelstra, maar het laat zich raden dat zowel zijn behoefte zich in dichtvorm te uiten als zijn aanhankelijkheid aan de ‘rode familie’ er alles mee te maken heeft.

Zijn betere gedichten schreef Pieter Jelles in zijn school- en studententijd. Het betreft zowel geëngageerde verzen (‘De wrâld yn! Striid mei ’t swurd der poësij’; De wereld in! Strijd met ’t zwaard der poëzie) als gedichten die zijn geïnspireerd door zijn grote, ongelukkig geëindigde liefde voor Sjoukje Bokma de Boer, beter bekend als Nynke van Hichtum, schrijfster van het kinderboek Afke’s tiental. Voor zijn muze, zijn ‘wonderbloem’ schreef hij de cyclus ‘Maerteblomme’.

Op politiek gebied trad de jeugdige Troelstra aanvankelijk in de sporen van zijn liberaal georiënteerde vader. Als rechtenstudent onderscheidde hij zich in weinig van de andere aankomende juristen, hij was in Groningen lid van het corps en zette met overgave de bloemetjes buiten. Dat begon te veranderen toen hij als beginnend advocaat rechtstreeks met de sociale ellende werd geconfronteerd. Hij deed pro deo echtscheidingszaken en verdedigde arbeiders die brood of turf hadden gestolen, na een staking waren ontslagen of betrokken waren geweest bij relletjes met de politie.

Zo ontlook zijn politieke belangstelling en begon hij zich te interesseren voor de kiesrechtbeweging en voor de ‘sociale kwestie’. In 1890 werd in Friesland voor het eerst een 1 mei-viering gehouden en Pieter Jelles was onder de indruk. Op 17 augustus was er een betoging voor algemeen kiesrecht. Vanuit zijn huis in Leeuwarden zag hij de in het zwart geklede mannen en vrouwen ‘zwijgend en waardig’ voorbijtrekken en impulsief gaf hij toe aan ‘de onoverwinnelijke neiging’ mee te gaan om ‘de polsslag van de tijd’ te voelen.

Het was het begin van een stormachtige loopbaan in het alternatieve circuit van de arbeidersbeweging. Troelstra en Sjoukje Bokma de Boer, met wie hij inmiddels getrouwd was, sloten zich aanvankelijk aan bij de Sociaal Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, maar Troelstra stond al gauw kritisch tegenover diens radicalisme. Naast de advocatuur stortte hij zich in de journalistiek en polemiseerde in De Snee-ker Courant met Domela’s Recht voor Allen. Hij bestudeerde Das Kapital van Marx en het Erfurter Programm van de Duitse SPD. Hij legde contact met socialisten als Frank van der Goes en Floor en Mathilde Wibaut. De keus voor het socialisme leidde tot een (tijdelijke) breuk met Troelstra senior en tot ernstige geldproblemen. Menigmaal moest het jonge gezin (er waren twee kinderen geboren) naar een goedkopere woning verhuizen en geregeld deed Troelstra een beroep op financiële steun van de bemiddelder Wibauts.

Binnen de Sociaal Democratische Bond groeide de onvrede over het verwaarlozen van de strijd voor algemeen kiesrecht (die in de buurlanden juist centraal stond) en op 26 augustus 1894 richtten Troelstra en elf anderen (de ‘twaalf apostelen’ werden ze genoemd) de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op, die modern wilde zijn, goed georganiseerd ‘en – hoe revolutionair het uiteindelijke doel ook was – zo lang mogelijk opererend binnen de parlementaire democratie’. Troelstra, de keiharde werker en gepassioneerde spreker, ontpopte zich al snel als een van de leidende figuren van de nieuwe SDAP. In 1898 betrad hij voor het eerst, als lid van een tweemansfractie, de Tweede Kamer. In zijn maidenspeech hield het kersverse Kamerlid meteen een vurig pleidooi voor algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht en voor een staatspensioen voor invaliden en ouderen.

Dankzij zijn kennis van zaken en overtuigende wijze van argumenteren (de eerdere praktijk als advocaat kwam daarbij van pas) werd Troelstra in het parlement serieus genomen en kon hij zelfs op waardering van de ‘burgerlijke’ afgevaardigden rekenen. Soms had hij het niettemin – net als tegenwoordig wel voorkomt – moeilijk met het parlementaire taalgebruik. Zo betichtte hij eens een Scheveningse reder van ‘een leugen’. Toen de Kamervoorzitter hem dreigde af te hameren, zei hij: ‘Ja mijnheer de voorzitter, ik begrijp het al, het is geen leugen, het is een onjuistheid, maar dan toch een grove onjuistheid.’ De parlementaire zeden zijn er sindsdien niet echt op vooruitgegaan.

Al had de rigoureuze aanpak van beledigende taal aan het begin van de vorige eeuw ook zo z’n schaduwzijden. Dat ondervond Troelstra toen hij voor smaad terecht moest staan in verband met zijn verdediging van de gebroeders Hogerhuis die (ten onrechte) waren veroordeeld voor een gewelddadige roofoverval. Troelstra, die als advocaat optrad, had de officier van justitie, graaf Schimmelpenninck, beschuldigd van ‘leugen en bedrog, om de onschuldige broeders in de kerker te houden’. Het kwam de socialist te staan op een maand gevangenisstraf, die hij in Haarlem uitzat.

Eind negentiende eeuw waren de politieke verschillen tussen de verschillende vleugels binnen de socialistische beweging nog niet erg uitgekristalliseerd. Revolutionaire marxisten en pragmatische reformisten zaten nog broederlijk bijeen in de Socialistische Internationale en ook in de SDAP. Het is, zoals Hagen met tal van voorbeelden illustreert, helemaal niet zo eenvoudig om de plaats die Troelstra in dit spectrum innam te bepalen.

Hij was geen dogmatische marxist, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn houding tegenover godsdienst en het bijzonder onderwijs. Ten aanzien van de volop woedende schoolstrijd nam hij een verzoenend standpunt in. Als ouders hun kinderen naar een protestantse of katholieke school wilden sturen, dan moest dat kunnen. Godsdienst was immers ‘een van de teerste zaken, waarbij geen meerderheid geldt, geen uiterlijke macht beslist’. Daarentegen waren de marxisten in de SDAP principieel tegen subsidie voor godsdienstig onderwijs. Op een congres in Groningen bleken zij in de minderheid, de partij sprak zich uit voor gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs.

Troelstra en de marxistische dichters Gorter en Henriëtte Roland Holst botsten ook fel over de in te nemen houding bij de spoorwegstaking van 1903. De linksen namen het Troelstra kwalijk dat hij geen steun wilde geven aan een politieke staking tegen de ‘worgwetten’ van de Antirevolutionaire premier Kuyper. De staking kwam er toch, werd keihard neergeslagen en Kuypers stakingsverbod voor overheidspersoneel zou tot 1980 van kracht blijven. Het waren overigens niet alleen de orthodoxe marxisten die zich aan Troelstra’s vaak nogal solistische en soms zigzaggende optreden ergerden. Maar de irritatie tussen hen en de partijleider liep zo hoog op dat het in 1909 op een congres in Deventer tot een breuk kwam. De kleine linkervleugel ging onder leiding van David Wijnkoop verder in een eigen partij die zich tien jaar later bij de communistische internationale zou aansluiten.

Troelstra’s aanvaringen met orthodox links mogen echter niet tot de conclusie leiden dat hij, zoals zijn partijgenoten Willem Vliegen en Jan Schaper, een op de rechtervleugel van de sociaal-democratie te situeren reformist was. Dat lag ingewikkelder. Net als de door hem bewonderde Duitse socialist Karl Kautsky geloofde Troelstra in de mogelijkheid en het nut van politieke en sociale hervormingen, maar had hij als einddoel een klasseloze socialistische samenleving voor ogen. Dat verklaart ook zijn opstelling tegenover regeringsdeelname. Bij de verkiezingen van 1913 had de SDAP fors gewonnen; er was een meerderheid van liberalen en socialisten en de progressieve liberaal Dirk Bos, die een formatie-opdracht had gekregen, nodigde de SDAP uit met drie ministers tot zijn kabinet toe te treden. Vliegen en Schaper waren enthousiast, maar de in de partij gebleven gematigde marxisten maakten ernstig bezwaar omdat ze vreesden dat het revolutionaire karakter van de partij zo verloren zou gaan.

Troelstra nam een middenpositie in, hij weifelde en legde zich enigszins opgelucht neer bij de afwijzing van kabinetsdeelname door een meerderheid. Ook als de socialisten wel waren gaan regeren, zou Troelstra in de Kamer zijn gebleven, vertelde hij het buitengewone congres in Zwolle. ‘Ik kan mij mezelf niet als minister voorstellen. Ik ben geen regent, ik ben een volkstribuun, zo voel ik mij het gelukkigst.’

Wie zich Troelstra wel heel goed als minister had kunnen voorstellen, als hij maar van een andere partij was geweest, was koningin Wilhelmina. In een brief aan haar moeder beschrijft ze haar indruk van de socialistische voorman, die ze in 1913 voor het eerst op haar paleis ontving. ‘Troelstra is een genie, maar een vermoeiend genie, van een soort dat ik nog nooit ontmoet heb, af en toe opgaande in lichtelaaie van geestdrift en politieke hartstocht heel op zijn eentje als hij op komt op punten waarop hij gloeit. Ik zou niet gaarne die anderhalf uur inspannend luisteren hebben gemist. Hij is beslist de knapste van de ter conferentie ontbodenen, doodjammer dat hij tot die partij behoort ()’.

Was het een blunder om niet te gaan regeren? Zou het politieke bestel in Nederland, waar de verzuiling toen pas in een beginstadium was, zich anders hebben ontwikkeld als socialisten en liberalen in 1913 een coalitie waren aangegaan? Het is een lastig te beantwoorden vraag, al is het jammer dat Piet Hagen die helemaal niet opwerpt. Mijn enige kritiekpunt op zijn indrukwekkende biografie is dat hij zich zelden laat verleiden tot een analyse van Troelstra’s politieke betekenis.

Dat doet hij alleen bij Troelstra’s dramatische vergissing in november 1918, toen hij, onder de indruk van de revolutionaire gisting in Rusland, Hongarije en Duitsland, een verrukt gehoor in Rotterdam en een dag later zijn verschrikte medeparlementariërs liet weten: ‘de arbeidersklasse in Nederland grijpt thans de politieke macht.’ Dit revolutionaire woord waarop geen daden volgden mobiliseerde vooral de tegenstanders van het socialisme, die massaal de straat op gingen en het luidde op termijn het einde van Troelstra’s politieke loopbaan in.

Troelstra had zich laten meeslepen door zijn gevoel, door een verkeerde intuïtie. Jaren eerder, in zijn eerste artikel in het blad De Sociaaldemokraat, had hij zichzelf hier al tegen gewaarschuwd: ‘Alleen daar kan de hartstocht revolutionair werken, waar hij het vuur is in de locomotief, terwijl het verstand als machinist dienst doet. Waar dat niet het geval is, kan de hartstocht de trein der arbeidersbeweging slechts doen dérailleren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden