Ik ben een gemankeerde saxofonist

Het oeuvre van de dichter en graficus Lucebert is doordrenkt van jazzinvloeden, openlijk maar vaak ook verborgen

Op 15 december 1965 ontving Lucebert (1924-1994) de Constantijn Huygensprijs voor zijn poëzie tijdens een deftige bijeenkomst in het Haagse gemeentehuis. Op geestige en vileine toon dankte de rebelse Keizer der Vijftigers de jury voor het 'correcte' rapport, en de 'buitengewone spreker van vanavond, de burgemeester van Den Haag' voor zijn woorden.

Daarna las de laureaat het lange gedicht jazz and poetry voor, opgedragen aan de weinig bekende tenorsaxofonist Lucky Thompson: 'De mens laat zich likken door licht en geluid'. Waarop de avond werd afgesloten met een zinderend optreden van het kwartet van pianist Misha Mengelberg, met de grote Piet Noordijk op altsax. Drummer Han Bennink vertelde daar later over: 'Het leek het proces van Neurenberg wel, zo zaten die mensen erbij. Dus toen zijn we er met Piet even extra tegenaan gegaan. Het was te gek, ik zat te gillen achter het slagwerk.'

Voor burgemeester Kolfschoten was dit optreden de druppel: verontwaardigd verliet hij de zaal 'vanwege het lawaai'. Zouden de letterdames en letterheren van nu ook nog zo makkelijk met een 'jazzcombo' op stang te jagen zijn?

Van deze legendarische prijsuitreiking bestaat een geluidsopname die nu voor het eerst op cd is uitgebracht, als onderdeel van Ik ben een gemankeerde saxofonist - Lucebert & Jazz. In dit door de kleine uitgeverij Huis Clos liefdevol en schitterend uitgegeven boekwerk, 'een service voor wie de dingen eens op een rij wil hebben', worden Luceberts levenslange liefde voor de jazz en de invloed daarvan op zijn werk als dichter en schilder in kaart gebracht. Alle gedichten en beeldende werken waarin de jazz een directe rol speelt zijn bijeengebracht in een kleurenkatern.

Daarnaast bevat het boek een aantal aan Lucebert en de jazz gewijde artikelen en interviews die sinds de jaren tachtig her en der verschenen, door auteurs als Igor Cornelissen, Bert Vuijsje, Sipke Huismans en Bernlef, plus een complete, toegelichte lijst van Luceberts imposante jazz-lp-collectie van zo'n 1.850 titels. Nu we toch onder liefhebbers zijn: John Coltrane 61x, Miles Davis 55x, Sonny Rollins 44x, Ornette Coleman 19x, Eric Dolphy 16x...

Eind jaren veertig kwam Lucebert voor het eerst met de jazz in aanraking. Geld voor platen of concerten had hij niet. Hij luisterde naar het radioprogramma Swing & Sweet van Pete Felleman. En hij reisde een paar keer naar Parijs, waar de bebop toen net in de mode begon te raken. Zijn vriend Remco Campert was al 'in de bebop' en die had weer een vriend die door een Amerikaanse oom de nieuwste platen van Dizzy Gillespie, Charlie Parker en Thelonious Monk kreeg opgestuurd. 's Avonds werden die op een koffergrammofoon gedraaid in het gezelschap van leuke meisjes en er werd veel gedronken en gedanst.

Lucebert voelde zich verwant met de spontane creativiteit, het vitale, anarchistische en erotische van deze 'muziek van raak 'm recht in het hart'. In de wezenloze, naoorlogse jaren, waarin de oude draad gewoon weer opgepakt dreigde te worden, snakten hij en zijn jonge schilders- en schrijversvrienden naar frisse lucht en een schone lei. Net als de primitieve Afrikaanse kunst sloot de bebop met zijn grillige gevoel voor ritme en timing, speelsheid, brutaliteit en expressiviteit precies aan bij wat zij zochten.

Bij Lucebert leidde de openbaring van de jazz tot hommages aan musici als Lester Young en Thelonious Monk tot gedichten waarin gestoeid wordt met titels als I've Found a New Baby en Shall We Dance, en tot zijn onnavolgbare manier van voordragen die aan de frasering en dynamiek van een jazzmusicus doet denken. Naarmate hij meer muziek leerde kennen, ook uit de mainstream, en meer geld kreeg om zelf platen te kopen, werden de experimenten diepgravender, zoals in Ghost of a Chance, waarin hij probeerde die 'langoureuze solo van Lester Young in de gang van het gedicht tot uitdrukking te brengen'. En het Huygensprijsgedicht jazz and

poetry is, zoals Gillis Dorleijn in een verhelderende analyse laat zien, in zijn 'horizontale, lineaire logica', in zijn collage-achtige opbouw, zijn citeren, zijn associatieve verbindingen en 'spontane spoorwisselingen' zelfs te beschouwen als een wervelende solo over een uitgangsthema waar 'armstrong parker coltrane' goedkeurend bij zouden hebben geknikt.

Opmerkelijk is intussen wel, dat iets wat zo'n levenslange inspiratiebron voor Lucebert is geweest, relatief zo weinig concrete sporen heeft nagelaten in zijn poëzie: dertien voornamelijk vroege gedichten op de kleine negenhonderd van zijn verzameld werk. De jazzinvloed bepaalde kennelijk vooral zijn manier van werken. In 1985 zei hij daarover in een interview: 'Ik zoek in de taal een natuurlijk ritme, verwant aan dat van de jazz (...) Hortende elementen in klank en ritme: dat zijn mijn blue notes en syncopen'. Door experimenten als jazz and poetry en gezamenlijke optredens met jazzmusici was hij er al snel achter dat geïmproviseerde muziek en poëzie elkaar weliswaar sterk kunnen beïnvloeden of stimuleren, maar dat het uiteindelijk toch 'twee verschillende grootheden' zijn.

Poëzie is door zijn alliteraties, assonanties en rijmen, zijn inversies, vertragende enjambementen, herhalingen en andere ritmische effecten weliswaar een vorm van taalgebruik waarin veel muziek zit, maar uiteindelijk zijn woorden geketend aan de loden kogels van hun betekenis. Daardoor kan de dichter die streeft naar een zo groot mogelijke zeggingskracht bijna nooit zo spontaan-lyrisch opwieken als de improviserende musicus - daarvoor heeft zijn materiaal te veel haken en ogen en leveren de betekenissen en relaties tussen de opgeroepen beelden te veel meerduidigheden op, die allemaal moeten worden uitgebuit.

Al in 1959 bekent Lucebert dan ook aan H.U. Jessurun d'Oliveira: 'Het is niet zo, wat wel is verondersteld door critici, dat ik het spontaan, aus einem Guss neerschrijf. Ik bewerk veel; ik laat geen woord met rust.' Juist dat meesterschap over de dubbele bodems van de woorden maakten hem tot de grote dichter die hij was. Wat niet wegneemt dat een van zijn bekendste uitspraken (tegen Jan Brokken) luidt dat hij in een volgend leven toch het liefst 'een fantastische saxofonist' zou willen zijn. 'Ja natuurlijk jongen. Een echte blower.'

Ik ben een gemankeerde saxofonist bevat als toegift - afgezien van de cd van de Hygensprijsuitreiking - het spetterende album Lucebert van Flex Bent Braam, het nieuwe septet van de veelzijdige pianist en bandleider Michiel Braam. Acht eigenzinnige bewerkingen van door Lucebert bewonderde standards, plus acht nieuwe composities, gebaseerd op de 'Japanse epigrammen' uit de bundel Val voor vliegengod.

Kinderen buiten

verminken de stilte

oh beminnelijk litteken

- drie verstilde regeltjes 'Herfst' die vijfenhalve minuut opwindende muziek opleveren.

De wisselwerking van poëzie en muziek gaat altijd door. Aan ons om te bedenken wat de woorden en de noten met elkaar te maken hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden