Ik ben de A, de ware A, de A der A's, de A van het verbond

Door te kiezen voor een pianostemmer als hoofdpersoon, kan Elmer Schönberger, behalve schrijver ook componist en musicoloog, zijn passie voor muziek volop uitdragen....

‘Ik, Vuursteen, heb een vrij onaangenaam karakter () Ik heb een taak in het leven: ik roep het klavier tot de orde. Dat zal u niet verbazen. () Ik streef naar zuiverheid. Maar deze zuiverheid is een compromis’, oreert Erik Vuursteen in zijn blootje tegen zijn spiegelbeeld.

Deze pianostemmer uit Vuursteens vleugels, de tweede roman van Elmer Schönberger, oefent op de toespraak die hij van plan is te houden voor de Nederlandse Vereniging van Pianostemmers. Maar nog vóór hij ter plekke is op de jaarlijkse bijeenkomst van die club, maakt hij rechtsomkeert. De volgende dag doet hij gewoon zijn plicht, hij stemt piano’s en vleugels bij mensen die liever niet thuis zijn als hij komt.

Schönberger is schrijver, componist en musicoloog en publiceerde tot 2005 regelmatig beschouwingen over muziek in Vrij Nederland, die hij bundelde in Het gebroken oor (2005). Door een pianostemmer als hoofdpersonage te kiezen, heeft hij een biotoop geschapen waarin hij zijn passie voor muziek volop kan uitdragen, wat hij naar hartenlust doet.

In lange, gedragen zinnen voert de ‘gevorderde veertiger’ Vuursteen soms bladzijdelang een monologue intérieur waarin hij zich een tobber toont, een man die het wel zo’n beetje gezien heeft, maar ook een man die veel nadenkt over muziek. Zijn fantasie gaat geregeld met hem op de loop, en ook maakt hij zich graag een voorstelling van zijn eigen begrafenisceremonie: ‘Men zal eerder opgelucht dan droevig zijn. Er zal weinig muziek klinken en deze zal van de vuursteeniaans-eentonige soort zijn. Het liefst zou hij een opname laten horen van het stemmen van een piano, bij voorkeur zijn eigen stemmen. Het bandje ligt thuis al klaar voor gebruik.’

Ondanks zijn jarenlange ervaring is het stemmen van een piano geen routineklus voor Vuursteen, integendeel, hij raakt steeds meer geobsedeerd door de essentie van het stemmen, wat hem verleidt tot zowel boeiende als wijdlopige beschouwingen over zuiverheid en tot komische, grimmige tirades over ‘grofbesnaarde Lisztrammers en geweldadige Xenakisbeukers’ die een Steinway tot moes slaan met hun spel.

Vuursteen werkt ook aan een boek; zijn epos Vuursteens vleugels gaat over de huizen van zijn klanten ( ‘Ik bestudeer het subspecies der pianobezitters’), hij beschrijft de interieurs die hij ook stiekem fotografeert. De omslag van de roman geeft een impressie van de inhoud van laden, kasten, de stapels papieren op bureaus, opnameapparatuur en de instrumenten zelf.

Op een dag drukt hij net af als er een meisje de kamer binnenkomt. Een nieuwe passie is geboren; Pluis, studente filosofie, die bijverdient op een draaischijf in een peepshow van – hoe toevallig – een vriend van Vuursteen. Dit doet denken aan de roman Art. 285b van Christiaan Weijts, waarin studente Victoria een dubbelleven leidt als peepshowartieste, tot wanhoop van haar vriendje Sebastiaan die pianist is.

Maar Pluis is minder grillig dan Victoria en Vuursteen is geen jaloerse minnaar zoals Sebastiaan, maar meer een bezorgde vaderfiguur. Wel zien beide mannen muziek als de sleutel tot het werkelijke leven.

Oudere man, jong meisje, bepaald geen origineel thema in de literatuur, en hoewel Schönberger aanvankelijk wel kiest voor een originelere uitwerking – Vuursteen en Pluis gaan samen piano’s stemmen – valt hij uiteindelijk toch voor het cliché van de liefde. Dat ook nog eens haarfijn uit de doeken wordt gedaan door Pluis zelf in deel 3, het slot van de roman. Het meisje en de pianostemmer eindigt als een banaal verhaal, waardoor de daadwerkelijke ondergang van Vuursteen aan zeggingskracht inboet.

Want weliswaar vergt Schönberger het nodige van zijn lezers door voortdurend zijpaden in te slaan, die niet altijd even relevant zijn voor het verhaal, en krijgen Vuursteens gedachten aan zijn spoorloos verdwenen beste vriend en diens overleden vrouw iets pathetisch, de auteur weet sympathie op te wekken voor zijn personage. Niet voor diens dweperige obsessie voor de getatoeëerde vleugeltjes op de schouderbladen van Pluis (‘zuiverheid is een gevleugeld meisje’), maar wel voor de gedreven pianostemmer die denkt: ‘Ik ben de A, de ware A, de A der A’s, de A van het verbond die het begin en het einde van alle klank is’.

Vuursteen trekt je mee in de draaikolk van zijn gedachten en waandenkbeelden, en als hij concludeert: ‘uiteindelijk belanden we allemaal op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats’, weet je zeker dat dat bij hem spoedig het geval zal zijn.Edith Koenders

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden