'Ik ben Clara', zegt Oscar

Fictie Jan Siebelink peilt een vrouwenziel in zijn nieuwe roman, die net zo Haags is als Louis Couperus...

Arjan Peters

Een Haagse dame, de zestig voorbij maar nog altijd in staat mannen te laten dromen, ziet voor het geboortehuis van Couperus in de Surinamestraat een bekende schrijver staan. Deze Oscar Sprenger vraagt haar een foto van hem bij de voordeur te maken. Ze stellen zich aan elkaar voor. ‘Clara, dat is een mooie naam’, zegt Sprenger. Korte tijd later verschijnt zijn nieuwe roman: Clara. En niet alleen lijkt Clara op de Clara op het omslag; in het boek wordt haar hele leven tot in detail beschreven.

Geen opbeurende biografie trouwens; ouders onenigheid, zijzelf gescheiden, hun kind verdwenen, en al die 62 jaar alleen in staat iets te voelen als ze zichzelf opzettelijk verwondt, zich in armen en handen kerft met een mes of schaar. Maar zoiets kon je verwachten in een boek dat aanvangt op een beladen locatie, het huis waar de jonge Louis Couperus zijn Eline Vere (1889) schreef, de tragische roman over een nerveuze jonge vrouw.

Na Vera (1997) heeft Jan Siebelink wederom een Haagse geportretteerd, een vrouw ‘die zich laat lijden’, die ‘geen stevige band met de dingen’ voelt, met een innerlijk ‘zo leeg als wat’. Ze tracht in restaurant ’t Goude Hooft haar levensverhaal op papier te zetten, maar ze kan niet schrijven. De herinneringen buitelen door haar hoofd, net als de alcohol, ze is eenzaam en reddeloos, beeldt zich in dat ze verliefd is op die schrijver die haar ziel al had gepeild nog voordat hij haar ontmoette.

Ze spreekt met hem af in het restaurant. Maar hij komt niet opdagen.

De gejaagde stijl, ogenschijnlijk onbeheerst, soms bijna onbeholpen (in de ene zin wordt dochter Aukjes ‘spoorloze’ verdwijning op haar zevende jaar vermeld, meteen daarna staat: ‘Sindsdien was nooit meer iets van haar vernomen’ – dat zit erin, wanneer iemand spoorloos verdwijnt), met bakvisboekachtige uitroepen (‘Wat een tijd ging met dat alles heen!’), zelfs met zinnen die slecht vertaald lijken in plaats van oorspronkelijk Nederlands (‘Er waren nauwelijks gedachten in haar’) – dit alles doet aanvankelijk aan of Siebelink deze roman vlugvlug heeft neergepend, tussen drie optredens op literaire avonden en manifestaties door.

Maar dat zou een simplistische verklaring zijn voor de vreemde indruk die dit roesachtige vrouwenportret maakt. Eerder is sprake van een vergaande vereenzelviging van de schrijver met zijn onevenwichtige hoofdpersoon. Een roman als een spervuur van onstuitbare opvliegers. ‘Clara, dat ben ik’, kan Clara denken als ze de roman van Oscar Sprenger leest en zich herkent. Maar wat zegt de laatste? ‘Ik ben Clara’ (naar analogie van Gustave Flaubert’s Emma Bovary, c’est moi’) want hij heeft haar bedacht. Ze bestond al op papier voordat ze in zijn leven verscheen – helemaal niet toevallig daar op die literaire broedplaats. De schrijver heeft haar tot leven gewekt.

Zo bekeken is Het lichaam van Clara niet het geschrift van een onbezonnen auteur, maar een beeldende demonstratie van de dikwijls in schrijversinterviews opduikende stelling dat het verhaal niet door de schrijver wordt gemaakt, maar dat personages iets van de schrijver willen. Hij moet hen niet totaal doorgronden en dirigeren, maar los kunnen laten, opdat ze hun eigen weg gaan. Dán krijg je een levend verhaal.

In de proloog biecht een ‘ik’ op, Clara al ‘van jongs af aan’ te hebben bespied. Dat kan de stem zijn van Clara’s onvrede, haar tekort, ‘de ander’ in haar. Maar die ‘ik’ kan ook Oscar Sprenger zijn. Zo tussen haar tiende en tweeënzestigste leeft hij al met haar. Dat kunnen we alleen niet letterlijk nemen, Sprenger is ‘midden veertig’, en dan zou hij dus vanaf zijn derde jaar deze Haagse Clara hebben bespied. Bovendien komt zij hem op haar 62ste, daar in de Surinamestraat, pas voor het eerst tegen.

In figuurlijke zin is die proloog echter wél te verstaan, vooral als we achter die ‘ik’ niet Sprenger denken, maar Jan Siebelink zelf. Daarmee houdt tevens de verdenking dat hij dit keer de controle verliest, geen stand: het beeld van Clara, van een eenzaam kind dat zich niet werkelijk aan iets of iemand kan binden, dat zich alleen dan niet langer bang voelt als ze zichzelf snijdt, deze in vele opzichten ‘onbereikbare vrouw’, die dromerige maar ook niet te redden figuur, als weggelopen uit een roman van Couperus, dát beeld draagt de schrijver al decennia met zich mee.

Zo lang, dat hij het nu heeft geprobeerd: die gestalte intiem te naderen, te begrijpen, te ondersteunen bijna. Hij wil zich die droomfiguur toeëigenen.

Daarom voelt Clara bij de gedachte aan Sprenger een broeierige erotiek. Onverdunde zinnelijkheid. Ze denkt terug aan hoe zij en Sprenger die eerste keer nog even op het trottoir stonden onder de bomen, kaal als kandelaars: ‘Onder die immense kandelaars waarvan de kaarsen in een laatste lichtschittering op de takken uiteenspattend een moment tegelijk leken aan te gaan. Zo’n moment? Subliem, wonderbaarlijk.’

Telkens weet Clara niet hoe ze het heeft, ze vraagt zich af wie ze is, of ze wel bestaat, en door dwanghandelingen als tellen en bidden wil ze op de aarde aankomen waar ze anders maar boven lijkt te zweven, zonder houvast. Ze moet zich toetakelen om in ‘de veilige eenzaamheid van het snijden’ te kunnen ontspannen.

Al die tijd is ze personage, onderworpen aan de schrijver: daarom gebruikt Siebelink het woord ‘subliem’, duidend op het drempel-overschrijdende van schrijven over een vrouw – vanuit een vrouw, iets dat niet kan. Een man weet niet wat een introverte vrouw denkt en voelt. Maar een schrijver kan proberen die grens over te steken.

Hoogst bijzonder, dat met name de allerindividueelste passages over Clara’s automutilatie zowel pijnlijk als kalmerend zijn. Dat is de wereld die ze in de hand heeft; daarbuiten is ze nooit één met de dingen.

Wat doet Clara als ze Clara uit heeft? Ze verscheurt alle pagina’s. Op dat moment is ze vrij. Ze bestaat afzonderlijk, los van de schrijver. Dan moet hij haar achterlaten, voor dood, en dat is zowel betreurenswaardig als een opluchting.

Van 1889 tot 2010: hoe het fin de siècle tot in dit début de siècle kan doorlopen.

Arjan Peters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden