IEDEREEN EEN KUNSTENAAR

Alles kan in het museum, als het fotografie betreft: het werk van professionals, maar ook de 'mislukte' kiekjes van amateurs....

Stelt u zich eens voor. Het Stedelijk Museum in Amsterdam organiseert een tentoonstelling met amateurkunst. Of nee: met mislukte amateurkunst. En die tentoonstelling wordt positief ontvangen. Nee: bejubeld. De nieuwe beweging leidt tot allerlei initiatieven. Tijdschriften reserveren pagina's voor projecten van amateurkunstenaars, uitgeverijen strooien met dikke koffietafelboeken vol amateurfrutsels, amateurkunstenaars verzorgen de aankleding van hippe underground-feesten, onvermoeibaar struint men rommelmarkten en oude zolders af op zoek naar vergeten en veronachtzaamde verzamelingen, en professionele kunstenaars proberen zich naarstig de amateuristische stijl eigen te maken.

Een onwaarschijnlijk scenario? Zeker. Hoezeer iedereen ook gecharmeerd is van het credo van Joseph Beuys - 'Iedereen is een kunstenaar' - , in feite blijven de deuren van de musea voor amateurkunst potdicht. Laat staan voor mislukte amateurkunst. Toen Rudi Fuchs in 2003 de totaal onbekende, en volgens de directeur 'volstrekt miskende', Nieuw-Zeelandse schilder Colin McCahon het Stedelijk Museum binnenhaalde, schreeuwde de kunstwereld al moord en brand. Wat moest die prutser daar? Op kwalitatieve, kunstkritische gronden werd McCahon totaal afgebrand.

Toch bestaat er een tak van sport die amateurs binnenhaalt alsof het voedselpakketten in Derde Wereld-landen zijn. Dat is de fotografie. De laatste jaren worden gekenmerkt door een hausse aan anonieme en/of amateurfoto's: series toevallig gevonden onscherpe snapshots en mislukte kiekjes, zorgvuldig bij elkaar gezochte (historische) verzamelingen, of de cursusresultaten van verenigingen als de Fotobond en de Stichting Beeldende Amateurkunst (SBA). Al die verschillende vormen van fotografie vinden, naast de professionele, niet alleen hun weg naar uitgeverijen, tijdschriften en persoonlijke weblogs op het internet. Ze duiken ook steeds vaker op in musea en andere kunstinstellingen.

Die ontwikkeling werd al lang geleden voorzien. In 1977 schreef de in 2004 overleden Susan Sontag dat de 'museale loopbaan van fotografie geen enkele stijl voorstaat; eerder wordt fotografie gepresenteerd als een verzameling van gelijksoortige bedoelingen en stijlen die, hoe verschillend ook, op geen enkele manier als tegenstrijdig worden opgevat'. Met andere woorden: elke vorm van fotografie wordt door het museum op dezelfde manier behandeld.

Niet dat Sontag dat een slechte ontwikkeling vond. Verderop in haar boek schrijft ze: 'Het is niet (. . .) fout om te zeggen dat er niet zoiets bestaat als een slechte foto - alleen minder interessante, minder relevante, minder mysterieuze foto's. De opname van fotografie in het museum versnelt alleen maar het proces dat anders toch geleidelijk tot voltooiing was gekomen: elk werk waardevol maken.'

Het lijkt erop dat we die laatste ontwikkeling nu meemaken. Natuurlijk lag de democratisering van het onderwerp, en daarmee ook van de foto zelf, al vanaf het ontstaan van de fotografie in 1839 in het medium besloten. Alles was immers, in tegenstelling tot de schilderkunst, goed genoeg om de camera op te richten, en iedereen kon dat doen. Zo bekeken is er inderdaad geen belangrijk onderscheid te maken tussen een goede of een slechte foto. Maar je zou je kunnen afvragen: dreigt die democratisering niet een tikkeltje door te slaan? En wat betekent dat voor het museum, de plek waar 'slechte' kunst wordt geweerd, maar waar mislukte fotografie nauwelijks weerstand ondervindt?

De 'alles is goed'-benadering van fotografie levert regelmatig ontegenzeggelijk charmante projecten op. Zoals de series van anonieme foto's, gevonden en vervolgens in boekvorm bijeengebracht onder de titel In Almost Every Picture door reclamemaker en uitdrager van de beeldcultuur Erik Kessels. Het Centraal Museum in Utrecht presenteert op dit moment de tentoonstelling Loving Your Pictures, waar acht fotoseries van Kessels zijn te zien.

Voorbeelden van 'rommelmarktfotografie' worden die series ook wel genoemd, omdat ze daadwerkelijk door Kessels werden opgeduikeld op markten met tweedehands spullen, in bakken vol met oude, mislukte of anderszins niet langer gewenste foto's. Een toeristische serie van een Spaanse vrouw, met sterallures poserend op vakantiekiekjes, genomen door haar echtgenoot. Eenzelfde soort vrouw in een taxi, genomen door de taxichauffeur. En herten in het bos, genomen door een camera met een bewegingsdetector, die jagers gebruiken om de beesten te lokaliseren.

Erg bijzonder zijn die foto's niet, hoewel er vooral in de eerste twee series af en toe een heel mooie tussenzit. Toch duikt de kwalificatie 'wonderschoon' niet zelden op in besprekingen van deze reeksen. Blijkbaar gaat er een enorme aantrekkingskracht van uit.

Dat is wel te verklaren. Alleen al de wijze waarop de foto's werden gevonden, spreekt tot de verbeelding. Is die rommelmarkt niet te mooi om waar te zijn, vraagt de kijker zich af. Heeft Erik Kessels die foto's niet gewoon stiekem zelf gemaakt? En ook de beelden zelf doen, vooral omdat ze series vormen, een beroep op de fantasie. Wie is die vrouw, en waarom komt ze nooit die taxi uit? Omdat de echte context, de waarheid omtrent de foto's, is verdwenen, staat het vrij om elk mogelijk scenario te bedenken, en doet de kwaliteit van de foto's er niet meer toe. De taal, de verhalen eromheen, redden de beelden van formele kritiek, en van een eventuele verwerping op grond daarvan.

Projecten zoals die van Erik Kessels belichten niet alleen de hedendaagse beeldcultuur, maar zijn ook in staat om die beelden van een andere context te voorzien en om, wellicht zijdelings, bij te dragen aan een opwaardering van de amateurfotografie. Kessels treedt hierbij op als een soort beeldalchemist, iemand die fotografie, in dit geval gevonden fotografie, gebruikt om mensen op een andere wijze te laten kijken.

Het Centraal Museum probeert zijn fotoreeksen te presenteren als een nieuwe vorm van de destijds door Marcel Duchamp geïntroduceerde ready made, met als beroemdste voorbeeld natuurlijk het pissoir. In dit geval wordt de anonieme amateurfoto in een kunsthistorische context geplaatst. In andere gevallen worden door musea weer heel andere richtlijnen gehanteerd.

Zo was in 2000 in het International Center for Photography (ICP) in New York de tentoonstelling Collected Visions te zien, een project dat zeven jaar daarvoor was begonnen door kunstenaar Lorie Novak. Haar installatie bestond uit snapshots uit meer dan 350 familiefotoalbums, verzameld met de vraag hoe foto's ons geheugen vormen. De belangrijkste reden om deze amateurfoto's binnen de museummuren te halen, was de vraag naar de rol die fotografie speelt in de beeldvorming van mensen. Een bijna psychologisch experiment eigenlijk, waarin geen 'goede' of 'slechte' foto's bestaan.

Een expositie waar deelnemers alleen maar 'mislukte' foto's mochten tonen, was I am a Camera, in 2003 te zien in MU in Eindhoven. Of eigenlijk waren het geen mislukte foto's - het waren 'non-foto's', beelden die 'in eerste instantie' zonder artistieke bedoelingen waren gemaakt, zoals polaroids van feestjes en foto's van stoeptegels. En hoe scheef of onscherp ze ook waren, door de verhalen die de fotografen bij de foto's aanleverden, werden ze alleen maar 'gelukter'.

Voor de tentoonstelling IJzersterk + Steengoed, vorig jaar in het Nederlands fotomuseum in Rotterdam, gold de kwaliteitseis juist weer wel. Tientallen amateur-fotografen hadden in opdracht van het museum en de Stichting Beeldende Amateurkunst industriële bouwwerken gefotografeerd en daaruit werden de beste inzendingen, inderdaad vaak verrassend mooie foto's, geselecteerd voor een tentoonstelling en een boek. Waar dan wel voor de zekerheid bijstond: 'Amateurs fotograferen industriële bouwwerken' - zodat iedereen zou weten dat het ondanks de hoge kwaliteit tóch niet om professionele fotografen ging.

In hetzelfde museum, dat vanwege zijn beschikking over het Wertheimer-legaat een reputatie hoog te houden heeft als het gaat om de stimulering van amateurfotografie in Nederland, werden in 2004 oude anonieme snapshots van de verzamelaar Christian Skrein tentoongesteld, historisch verantwoord vanwege zijn fotografische blik op gebeurtenissen uit de vorige eeuw, én met een hoog zwijmelgehalte vanwege de nostalgische gevoelens die dit soort oude kiekjes vaker losmaakt. In 2005 schopten onder andere foto's van vleesreclames het tot aan de museummuur, dankzij Hans Aarsman die, net als Erik Kessels, optrad als beeldagent. Niet omdat ze zo goed van compositie waren, maar omdat ze precies deden waarvoor ze waren gemaakt: vlees aanprijzen.

Op dit moment zijn de foto's van crematoria van Karel Maat in het museum te zien, die blijkbaar weer op kwaliteit zijn beoordeeld en goed zijn bevonden. Dat ook hij een amateurfotograaf is, staat deze keer nergens vermeld.

Een beetje verwarrend is het wel. Om elke foto - 'goed' of 'slecht', genomen door een amateur- of een professionele fotograaf, genregebonden of autonoom - in het museum welkom te kunnen heten, moet dat museum dus steeds opnieuw verschillende richtlijnen hanteren. Aan de ene kant biedt dat een eindeloze stroom van mogelijkheden. Een foto is van oorsprong niet per se gebonden aan een kunstcontext, en kan daarom het uitgangspunt zijn voor kunsthistorische én documentaire, persoonlijke, historische of beeldcultuurverruimende presentaties. Het is de reden dat tijdschriften zowel professionele fotografen reportageplekken kunnen bieden, als ook steeds meer ruimte bieden aan amateurs die met hun foto's immers eveneens bijdragen aan de onophoudelijke beeldenberg.

In het Volkskrant Magazine krijgt de amateurfotograaf in de rubriek 'Eigen Terrein' een spread tot zijn beschikking, waarop (groot!) een zelfgemaakte foto wordt afgedrukt met een persoonlijk verhaal dat de foto belicht. Dochter op een feestje, kleinzoon met opa in bad, zoon tijdens het eindexamen. Alles is goed, nergens wordt die foto kritisch beoordeeld, en heel lang hebben de redacteuren waarschijnlijk niet nagedacht over waarom nou juist déze foto.

In hetzelfde nummer, een paar pagina's verder, hebben professionele fotografen zes bladzijden tot hun beschikking om een reportage te presenteren die van hoger niveau is - tenminste, dat zou je verwachten. Wanneer die fotograaf, zoals Frank Kok in het Magazine van afgelopen weekeinde, amateuristisch aandoende kiekjes maakt van zichzelf en zijn vriendin bij alle 1186 molens in Nederland - wat een nogal saaie serie oplevert - , dan staan die zes pagina's nog steeds tot zijn beschikking.

Maar goed, dat is een tijdschrift. Je bladert het door, gooit het bij het oud papier, je koopt het of je koopt het niet. Het is bovendien een massamedium waar de vermenging van 'hoog' en 'laag', om het zo maar even te benoemen, steeds een duidelijk uitgangspunt is geweest.

Een museum heeft die luxe van oudsher niet. Het moet goed uitkijken welke keuzes het maakt bij de programmering van fotografietentoonstellingen en de verantwoording daarvan. Want wanneer elke foto interessant genoeg is om aan de museummuur te hangen, welke criteria hanteer je dan nog, bijvoorbeeld bij het samenstellen van een museumcollectie?

Het Centraal Museum meldt in het persbericht bij Loving Your Pictures dat de door Erik Kessels gevonden foto's 'in de context van het museum' een 'compleet nieuwe betekenis' krijgen. Dat is wel zo, maar die context is een kunstcontext. Er is geen andere, wat betekent dat elke foto in het museum volgens dezelfde criteria, kúnstcriteria, zou moeten worden beoordeeld. En dat is bij een medium als fotografie, vooral met de huidige explosie aan beelden, een lastige opgave, niet alleen voor kunstmusea, óók voor musea die zich alleen richten op fotografie.

Hoe nu verder? Een pasklare oplossing is niet een-twee-drie bedacht. Ook Susan Sontag helpt de musea, wat dit betreft, niet veel verder. Tot aan het einde van haar boek blijft ze herhalen dat alles, elke realiteit, 'materiaal voor de camera' is. 'Beelden zijn (tegenwoordig) echter dan iemand ooit had kunnen voorzien', schrijft ze op de laatste bladzijde van On Photography. 'En juist het feit dat ze een oneindige bron zijn, een die nooit uitgeput zal raken door consumentenverspilling, is eens te meer reden om te zorgen dat ze bewaard en beschermd blijven.' En waar kan dat laatste beter dan in een museum, zou je zeggen.

Toch zijn er ook andere manieren te bedenken waarop foto's kunnen worden behoed voor vergetelheid. Manieren die bij nader inzien wellicht geschikter zijn dan de museummuren of het museumarchief. Het project Collected Visions van Lorie Novak is inmiddels al lang niet meer te zien in het ICP in New York; het leeft voort op het internet.

Op www.cvisions.cat.nyu.edu/ kunnen bezoekers het fotoarchief bekijken en zelf snapshots uit hun familiealbums toevoegen, voorzien van een kort verhaaltje. En dat werkt prima, misschien zelfs beter dan in een museale omgeving, omdat het project hier veel verder en dieper kan gaan dan in een paar zalen. De website biedt toegang tot andere sites over de kracht van familiefoto's, zoals The September 11 Digital Archive, met, naast foto's, films, video's, persoonlijke verhalen en audiofragmenten. Het is zelfs de vraag of Collected Visions het museum nog wel nodig heeft. En dat kun je je evengoed afvragen bij de fotoprojecten van Erik Kessels. Verleent het museum met zijn kunstcontext werkelijk een meerwaarde aan zijn verzamelingen, of komen ze meer tot hun recht in de boekjes, die er al lang waren?

De beeldenberg, met zijn triljoenen aanwinsten per dag - niemand zal ontkennen dat die belangrijk is. En dat zelfs een groot, 'mislukt' deel ervan van onschatbare historische, maatschappelijke en soms kunsthistorische waarde kan zijn en daarom gezien moet worden. Maar het is niet zo dat elke foto daardoor tentoonstellingswaarde heeft. Het is de komende jaren aan de musea om onderling taken te verdelen en vooral om duidelijke richtlijnen te hanteren voor het fotografiebeleid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.