Interview Aboozar Amini

Idfa opent met de documentaire Kabul, City in the Wind van de Afghaans-Nederlandse filmmaker Aboozar Amini

Aboozar Amini. Beeld Judith Jockel

Toen Aboozar Amini in 2009 Kabul binnenkwam, jaren nadat hij als kind uit Afghanistan was gevlucht, herkende hij de stad niet meer. ‘Mijn eigen stad. Ik was een volstrekte buitenlander geworden, een vreemde. Dus ik nam de bus, de bussen die al veertig jaar dezelfde route rijden, van West-Kabul naar het centrum, een rit van anderhalf uur. Tussen de mensen die gewoon wat praten, een grap maken of ruziën. Ik zag een dief iets stelen, ik zag een stonede chauffeur – het dagelijkse carnaval. Ik zat achterin. Kijken, luisteren, niets zeggen. Eerst één dag. Toen nog een, en nog een. Tot ik dacht: hier moet ik een film over maken.’

Het resultaat, Kabul, City in the Wind, is woensdag de openingsfilm van het Idfa. De blowende buschauffeur – het door oorlog en armoede gebutste gezinshoofd Abbas – en zijn krakkemikkige bus spelen er een voorname rol in. Ook volgt Amini’s zonder opsmuk gefilmde stadsportret twee broertjes uit het arme deel van Kabul, Afshin en Benjamin, die worden achtergelaten als hun vader noodgedwongen de stad verlaat; pa verkeert in onmin met ‘slechte mensen’ – Taliban-achtigen.

Filmbeeld uit Kabul, City in the Wind.

West-Kabul, waar Amini gedurende drie jaar het dagelijks leven filmde van de chauffeur en de broertjes, is een zonder enig planologisch overleg opgetrokken, door stof ontkleurd stadsdeel, waar zo’n twee miljoen mensen wonen – vooral Hazara’s, de bevolkingsgroep waartoe Amini zelf ook behoort. ‘In andere wijken zou ik niet zo vrij hebben kunnen filmen, daar wonen andere stammen.’ 

Eén dag probeerde hij het, filmen aan de oostkant van de stad. Maar Amini stuitte op een groep met kalasjnikovs bewapende mannen van een islamitische militie (‘een broertje van de Taliban’), die meteen een waarschuwingssalvo afvuurden. De filmmaker wist voldoende: hier kon hij nooit opgaan in de omgeving. ‘Dan had ik bodyguards moeten meenemen, en je kunt geen documentaire maken met bodyguards. Ik niet, althans, want ik wil zo goed als afwezig zijn in mijn films, als een geest. Vaak film ik alleen. Ik doe geluid, camera, alles. Zo’n intieme scène in de bus, waarin Abbas zware hasjiesj rookt met vrienden, daar kun je niet met een geluidshengel boven gaan zwaaien.’

Amini zit op een terras in Amsterdam-Zuidoost, pal naast het metrostation. De interviewer van de Volkskrant arriveerde iets eerder dan de 32-jarige filmmaker en stapte af op een andere Afghaans ogende terrasgast: wij hebben een afspraak. Nee hoor, zei die. Tikje genant. Tot Amini even later arriveert, en de vergissing voorstelbaar blijkt: het betrof Aboozars jongere broer Dawood, die hier ook om de hoek woont en toevallig langsliep. Hij is eveneens filmer.

Zwarte schapen

De broers waren 13 en 15 jaar oud toen ze zonder hun ouders in Nederland aankwamen. Bamyan, de stad waar ze waren opgegroeid, werd almaar onveiliger: een half jaar voor de aanslagen van 11 september 2001 bliezen Afghaanse fundamentalisten twee kolossale, monumentale Boeddhabeelden nabij de stad op. ‘Mijn vader besloot dat we weg moesten’, zegt Amini. Over de vlucht zelf wil hij liever niets kwijt: het is een verhaal zoals dat van duizenden andere Afghanen. De minderjarige jongens werden aangehouden, ondergebracht in een opvangcentrum. ‘Ik wist niet eens in welk land ik was. Een aardige vrouw zei: je bent in Nederland, je kunt de taal gaan leren. Ik zei: we gaan naar Chicago. Dat hadden we ons ingeprent. Chicago was het verste dat we konden bedenken, dáár moesten we zijn. Het duurde een paar dagen voor die vrouw me ervan had overtuigd dat Nederland heus een goede plaats was. Dus ik heb Chicago nooit gezien. Ik wil er nu ook nooit meer heen. Chicago mag een mythische plek blijven.’

Aboozar en Dawood studeerden beiden aan de Gerrit Rietveld Academie. ‘Wij zijn de zwarte schapen van de familie. Onze vader, ooms, grootouders: allemaal militairen. Zelfs onze moeder vocht aan het front. Mijn vaders grootste wens was dat zijn zoons de militaire academie zouden doorlopen en generaals zouden worden. Maar hij had pech.’

Beeld Judith Jockel

Amini lacht en vertelt over het eerste bezoek van zijn vader aan Nederland, dat toevallig net kruiste met zijn afstuderen. ‘Pap, ga je mee naar de diploma-uitreiking? Hij wist niet wát we studeerden, dat hadden we nooit verteld. Kunst? Films? Video’s? Hij was heel boos, pakte meteen het vliegtuig terug. Mijn zoons zijn verpest, zei hij thuis tegen iedereen. Ik begrijp dat wel: hij is van een andere generatie, heeft twaalf jaar lang als commandant in de bergen tegen de Russen gevochten. Hij denkt dat Afghanistan meer generaals nodig heeft.’

Toen vader Amini zich beklaagde bij een vriend, die eigenaar was van een televisiestation, beurde die man hem op. Maken die zoons van jou films in Amsterdam? Dat is geweldig! Er was júíst behoefte aan film- en televisiemakers in Afghanistan. Zo herstelde de verstoorde familierelatie, gaandeweg. ‘Nu is mijn vader heel trots. Mijn zoons zijn regisseur, zegt hij overal.’

Na de Rietveld Academie volgde Amini een prestigieuze filmopleiding in Londen, waar hij onder anderen les kreeg van de sociaal-realistische cineast Mike Leigh. Het werk van een geboren filmmaker, zo beoordeelde de Britse veteraan Amini’s afstudeerfilm Angelus Novus (2015), over twee Afghaanse schoenpoetsertjes in Turkije. Best Day Ever, een korte fictiefilm van de Afghaanse Nederlander, werd afgelopen mei geselecteerd voor de Quinzaine des Réalisateurs, een programmaonderdeel van het Filmfestival van Cannes.

Als kind in Bamyan keek Amini oude Japanse films, op VHS. ‘Toen wilde ik al regisseur worden. Na de Tweede Wereldoorlog was Japan kapotgebombardeerd, ze hadden verloren. Toen maakten Japanse regisseurs zelfkritische films, waarin vragen werden gesteld over de Japanse traditie die vereist dat je blind het gezag volgt. Films waarin de schuld niet op de Amerikanen werd afgeschoven.’

Filmbeeld uit Kabul, City in the Wind.

In de zomer van 2016 deed Amini voor de NOS-radio (over de telefoon) en de Arabische nieuwszender Al Jazeera verslag van de helse dag die, in zekere zin, bepalend zou zijn voor zijn documentaire Kabul, City in the Wind. Hij liep mee in een vreedzame protestmars van Hazara’s door het centrum van Kabul en filmde de tocht. Ook de vader van de broertjes Afshin en Benjamin was erbij: als beveiliger van een hooggeplaatst persoon. ‘Het was een feest: een karavaan dansende en lachende mensen die nee zeiden tegen geweld, nee tegen extremisme. En dan ineens: bam. Overal bloedende mensen op straat, lichaamsdelen.’

Bij de bomaanslag kwamen meer dan tachtig mensen om het leven, onder wie twee vrienden van Amini. In de documentaire horen we de vader van de broertjes vertellen over die dag, maar de gruwelen blijven buiten beeld. ‘Als ik ze wel laat zien, doe ik precies wat de aanslagplegers willen: het geweld verspreiden, normaliseren. Ik heb materiaal gedraaid, kort na de klap. Dat is je instinct als filmmaker: er gebeurt iets, dus je filmt. Maar ik besloot al snel: hier ga ik niets mee doen. Het is te veel, te erg. Het gevaar van die beelden is dat je erdoor afgestompt raakt. Doden worden dan getallen.’

Altijd als Amini Afghanistan bezocht om te filmen – zo’n vijftien keer in drie jaar – was er wel een aanslag, vaak meerdere. Hij was meermaals dichtbij, ook eens met buschauffeur Abbas, toen kort na elkaar twee bommen ontploften, waarbij ook veel journalisten omkwamen. We zien het niet in de film. Op één enkele ontploffing na, in de verte, in een andere, lager gelegen wijk. Een knal die de spelende kinderen op de stadsheuvel even afleidt en doet gissen waar de ontploffing precies plaatsvond. Een indringend moment, juist omdat het door Amini terloops in beeld wordt gebracht.

Filmbeeld uit Kabul, City in the Wind.

‘Ik wil dat je tijdens het kijken de continue dreiging voelt. Want dat is het gevoel waar iedereen in Kabul mee leeft.’ In gefilmde alledaagse gesprekjes in het buschauffeurscafé worden aanslagen besproken als betrof het het weerbericht. ‘De chauffeurs peilen even: hoe ver was jij ervandaan? Honderd meter? O, ik was thuis. En dan gaat het weer over iets anders, maken ze een grap. Bizar: vijftig, honderdvijftig doden, het lijkt ze niet te raken. Ik zag een ijscoman met zo’n karretje ijs verkopen op een straathoek waar een dag eerder een grote aanslag had plaatsgevonden. Bloed, nog dik en nat, kleefde aan het asfalt. Dat is Kabul, de ijsverkoop gaat door.’

Toen Amini begon met filmen, was het westelijke stadsdeel relatief het veiligst. Inmiddels is dat niet meer het geval: juist daar gaan nu de meeste bommen af. Maar het gaat goed met de kinderen, sinds de opnamen. Abbas kwakkelt wel wat met zijn gezondheid. ‘Zijn ogen zijn erg slecht. En dat blowen... Onhandig als buschauffeur, ja. Gevaarlijk.’

Op sommige momenten in de film laat Amini hen recht in de camera staren, met ontwapenend en wrang effect. ‘Ik stel dan geen vragen, dat zou de magie verbreken. Afghanen zijn een vrolijk volk, ze lachen vaak. Maar als je iemand een minuut in een lens laat staren, komt naar voren wat eronder ligt. Dan zie je wat oorlog en geweld aanricht. Bij Benjamin dacht ik soms: dit is een heel slimme mens die doet alsof hij een klein kind is. Abbas, de chauffeur, is eigenlijk het kind in de film. Een groot kind. Maar ook weer geen cliché van de Afghaanse man: hij zit niet thuis met drie vrouwen in boerka.’

Amini zit vol filmplannen. Hij werd dit jaar uitgenodigd door de internationale festivals van Locarno (Zwitserland), Busan (Zuid-Korea) en Goa (India), om partners te vinden voor zijn projecten. Een daarvan is de film – fictie, dit keer – die hij wil gaan draaien met de hoofdpersonen uit zijn documentaire Kabul, City in the Wind, die dan mogen acteren. ‘Abbas speelt een chauffeur, Afshin zijn hulpje. Meer verklap ik niet.’

Ook heeft hij ideeën voor films in Nederland. ‘Maar dat komt nog wel. Eerst nog even Kabul; ik ben nog niet klaar met die stad.’ 

Het documentairefestival Idfa duurt van 14 t/m 25/11 en speelt zich af op veertien locaties in Amsterdam. In het laatste weekend zijn er twee Volkskrant-Idfa-dagen in het theater Tuschinski. In totaal worden er op het festival 279 documentaires uit 71 landen vertoond. Het is de eerste editie onder de nieuwe artistiek directeur Orwa Nyrabia, de opvolger van festivaloprichter Ally Derks. Een van de programmaonderdelen is een retrospectief van de Tsjechische filmmaker Helena Trestíková. Het festival vertoont ook haar tien favoriete documentaires. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.