Beschouwing

Identiteitssloper Adrian Piper wilde af van het beknellende witte en zwarte groepsdenken

Adrian Piper in haar studio, omringd door verschillende van haar vroegere kunstprojecten Beeld Seb Agresti
Adrian Piper in haar studio, omringd door verschillende van haar vroegere kunstprojectenBeeld Seb Agresti

Waarover hebben we het, als we onderscheid maken tussen rassen? Wat maakt iemand ‘zwart’ of ‘wit’ en hoe ongemakkelijk is die terminologie? In een serie over Afro-Amerikaanse schrijvers die zich zulke gewetensvragen stellen vandaag: de Amerikaanse kunstenaar en filosoof Adrian Piper, die met haar werk laat zien hoe beknellend zwart en wit groepsdenken is voor het individu.

Aanvankelijk hielden ze moedig stand, Adrian Piper (1948) en haar ouders. Ze bleven in Harlem, New York wonen, terwijl het merendeel van hun kleurgenoten uit de professionele middenklasse allang was uitgeweken naar de suburbs. Want Harlem wás ooit de plek waar heel zwart Amerika zijn ambitie dacht waar te kunnen maken, van dagloners tot docenten, kunstenaars en bankiers – het hele klassencontinuüm kon je er aantreffen, van hoog tot laag, evenals alle kleurschakeringen, van donkerbruin tot zeer licht gekleurd; kortom iedereen die aan het eind van de jaren zestig ‘black’ zou worden genoemd.

Maar in diezelfde jaren zestig waren de Pipers de laatsten van hun soort, en het viel nu nog meer op dat het jonge meisje Piper wel erg licht was. ‘Paleface’, riepen haar buurtgenootjes haar na, en ook wel ‘white girl’. De brede coalitie, ook in kleur, die in de jaren veertig en vijftig nog te boek stond als ‘coloreds’, begon in die radicale jaren uiteen te vallen: er waren ‘blacks’ die ‘for real’ waren, authentiek, en dan had je nog van die lichtgekleurde types die je in doen, laten en uiterlijk het beste als ‘wit’ kon typeren. Uiteindelijk waren de Pipers vreemden geworden in hun eigen buurt en verhuisden ze naar de keurige Riverside Drive in Manhattan.

De vader van Adrian Piper was een lichtgekleurde advocaat, afkomstig uit een industriële en artistieke familie, die, anders dan hijzelf, gedeeltelijk als ‘wit’ door het leven ging. Haar moeder had een Jamaicaanse achtergrond en kwam uit een zogeheten ‘colored’ plantersfamilie. Adrian Piper zelf had als meisje en vrouw het soort ambivalente uiterlijk van Meghan Markle: witte Amerikanen zagen vaak ‘niets zwarts’ in haar – een compliment dat Adrian beschouwde als een granaat – en zwarte Amerikanen, die haar gekleurde afkomst wél onderkenden, drukten haar op het hart zich wat uitdrukkelijker ‘zwart’ te gedragen.

Adrian Piper staat nu bekend als de conceptuele Amerikaanse kunstenaar die in 2018 de eer te beurt viel om als eerste nog levende artiest een solo-expositie te krijgen op de gehele bovenste verdieping van het MoMA, het New Yorkse Museum of Modern Art. Ze is ook een vermaard filosoof, gepromoveerd bij de grote Amerikaanse rechtvaardigheidsdenker John Rawls (1921-2002).

Zowel in haar performancekunst als in haar filosofische geschriften staat bij Piper telkens weer de blik van de ander centraal: iemand wordt door de omgeving – zeker in de VS – geclassificeerd als zwart of wit, als man of vrouw, als afkomstig van die en die sociale klasse. Lang voordat het identiteitsdebat zo hoog oplaaide in de VS en Europa was Piper al een ‘identity’-filosoof en -kunstenaar. Met dit – niet onbelangrijke – verschil: Piper was er niet op uit om haar verschillende identiteiten te bevestigen, maar eerder om het arbitraire van dergelijke indelingen aan de kaak te stellen. Geen identiteitsbouwer, maar een -sloper.

De terugtrekkende beweging die haar ouders hadden gemaakt door Harlem te verlaten, voert Adrian Piper rigoureus door in haar werk: ze woelt zich uiteindelijk los uit de gangbare raciale indelingen en laat in haar essay ‘Passing for White, Passing for Black’ (1992) zien dat ze zowel voor ‘wit’ als voor ‘zwart’ kan doorgaan.

Haar vrouwelijkheid en haar geprivilegieerde achtergrond transformeert ze in haar performance Mythic Being (1973): ze presenteert zichzelf, in kleding, spraak en gedrag als een ‘third world, working class, overly hostile male’.

Maar eerst zijn er de verwarring en beledigingen. Wanneer Piper in de jaren zestig begint aan haar filosofische promotieonderzoek aan Harvard, samen met al die andere jonge geesten, de besten van het land, is er een zeer bekende hoogleraar wiens naam ze enkel uit boeken kent – misschien gaat het om John Rawls, Adrian Piper laat dat in het midden. Hij benadert haar, observeert haar nog eens uitvoerig en zegt dan: ‘Miss Piper, you’re about as black as I am.’

Piper is verbouwereerd: zelfs in deze hoogstaande intellectuele omgeving gaat het ‘rassenspelletje’ gewoon door – het spelletje dat ze later de ‘All-American skin game’ gaat noemen, verwijzend naar een boektitel van schrijver en jazzdrummer Stanley Crouch (zie aflevering 3 van deze serie). Nog weer later besluit Piper zich helemaal ‘terug te trekken’ als het om raciale indelingen gaat. Ze heeft zich verdiept in het hindoeïsme, is een fervent yogabeoefenaar geworden en weigert nog langer de voorgeschreven routes te bewandelen, met de woede en razernij die zijn weggelegd voor de zwarten, en het ongemak en de onwetendheid die dan weer zijn voorbehouden aan de witten. Als academica wil ze de oosterse en de westerse filosofietraditie dichter bij elkaar brengen, want westerlingen ‘hebben een filosofische praktijk verloren’. Het gaat Piper om ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’ en de confrontatie tussen het Zelf en de Ander.

Ze schrijft nu meer gedistantieerd, bijvoorbeeld over het mechanisme van ‘the Suffering Test’: de staande praktijk dat Amerikaanse zwarten onderling tegen elkaar opbieden in racistische ervaringen; wie het ergste voorbeeld van discriminatie kan noemen ‘wint’, en is daarmee ‘authentiek zwart’ en raciaal goedgekeurd. Ook Piper heeft ‘de test’ meermalen ondergaan, totdat het haar begon te dagen dat ze nooit kon ‘winnen’ – zeker niet met het voorval rond de beroemde witte professor. Piper snapt dat door de gedeelde ervaringen ‘groepsbinding’ tot stand komt, maar meer nog ziet ze hoe het individu vermorzeld raakt onder het gewicht van ‘race’ en ‘race relations’. (In het Nederlands klinkt ‘rassenrelaties’ eigenlijk altijd alarmerend.)

Piper raakt onthecht, ze trekt zich terug, letterlijk, door naar Berlijn te verhuizen, ook al wordt daardoor haar Amerikaanse filosofieprofessoraat ontbonden.

De Volkskrant Boeken

Meer over boeken? Op deze pagina vindt u mooie romans, spannende non-fictie, interviews en pittige recensies: alles over de wereld van de letteren.

Er valt in daad en geschrift een lijn in Pipers werk te ontwaren. In de jaren zestig deelde ze bij wijze van performance nog kaartjes uit tijdens diners en cocktailparty’s aan eenieder, van welke kleur dan ook, die zich bewust of onbewust racistisch uitliet of gedroeg (My Calling Card, 1986). Drie jaar later deelt ze kaarten uit aan mannen die haar als vrouw alleen benaderen in een bar of restaurant, als een vrouw die dus wel ‘op zoek’ moet zijn. Ook buitenshuis zoekt Piper naar ‘a room of one’s own’.

Steeds meer staat het groepsdenken haar tegen: de annexatie van het individu door zijn of haar ‘stam’ en de eenduidige, politieke verplichtingen die daarbij horen. Steen des aanstoots: het ‘essentialistische stereotype’, waaraan alle ‘zwarten’ afgemeten worden. Piper: ‘In fact no blacks, and particularly no African-American blacks, fit any such stereotype.’

Ze verhuist naar Europa, en wordt net als zoveel schrijvers en intellectuelen vóór haar, een Amerikaan in ballingschap. Maar anders dan een voorganger als James Baldwin, wil Piper zich losmaken van het hele raciale systeem. Ze heeft inmiddels ‘pensioen genomen’ als Afro-Amerikaanse vrouw, zegt ze daar zelf over. En een jonge Amerikaanse schrijver als Thomas Chatterton Williams, die beslissend door Piper is beïnvloed, zegt in Pipers geest: ‘I am ex black.’

Piper: Ik heb geleerd dat er geen ‘juiste’ manier bestaat om met mijn raciale identiteit om te gaan, omdat het concept van raciale classificatie zelf al een beledigend en irrationeel vehikel is voor racisme.’

Piper maakt zich kwetsbaar omdat ze zich ook inleeft in de positie van de witte mens, die het doelwit kan worden van zwarte woede. ‘Zo iemand voelt zich schuldig, omdat de woede in het algemeen gerechtvaardigd is; maar die woede is ook indirect, en niet speciaal toegesneden op dat ene witte individu, dat erop wordt afgerekend.’

Voor Adrian Piper is het ‘raciale instrumentarium’ de schaar, waarmee de principiële menselijke verbondenheid resoluut wordt doorgeknipt. Zij doet niet meer mee met dat kleurenspel. Zij past.

Tegensprekers

In de onregelmatige serie Tegensprekers beschrijft en onderzoekt publicist Stephan Sanders Afro-Amerikaanse schrijvers die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het racismedebat en ten onrechte onbekend zijn bij het Nederlandse publiek. Sanders liet eerder zijn licht schijnen op Albert Murray, Ralph Ellison, Stanley Crouch en Margo Jefferson.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden