Ich? Ich bin befreit!

De toekomst, denkt hij. De toekomst zal gerechtigheid brengen. Daar gelooft hij heilig in. Alle kritiek die Rudi Fuchs over zich kreeg uitgestort het afgelopen decennium, het laatste half jaar, ja zelfs nu nog, nadat hij zijn vertrek heeft aangekondigd?...

Neem de tentoonstelling van Colin McCahon, zegt hij. De 'volstrekt miskende' schilder uit Nieuw-Zeeland die het Stedelijk Museum onlangs als de nieuwe Vincent van Gogh binnenhaalde. Neergesabeld is die tentoonstelling ('Ook in uw krant, is het niet?'); afgeserveerd als het zoveelste voorbeeld van de teloorgang van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Maar waarom zou hij zich daar druk over maken? Wacht maar: 'Over tien jaar, dan komt men er wel achter.' En: 'Als critici vinden dat het allemaal niets is, dan zijn zíj dom. Niet ik.'

Rudi Fuchs, de 'Onaantastbare'. Daags na het bericht dat hij na tien jaar definitief opstapt, zit de directeur van het Stedelijk Museum in zijn werkkamer, en praat: stoel achterover, handen in de nek, ogen dicht.

Vandaag bellen zijn vrienden, voor een steuntje in de rug. Schilder Karel Appel, programmamaker Cherry Duyns. En een vriendin uit Oostenrijk, waar het nieuws inmiddels ook is doorgedrongen:

- Hallo Ingried!

- (...) Ich? Nicht zu beneiden?

- (...) Warum? Ich bin befreit!

Hij oogt vermoeid, klinkt een tikkeltje verongelijkt soms, maar toont - ook vandaag - geen spoor van twijfel. 'Alles wat ik in die tien jaar Stedelijk heb gedaan, daar sta ik nog steeds achter. Wat anderen er ook van zeggen.'

En dat sommigen vinden dat hij al veel eerder zijn biezen had moeten pakken? Fuchs: 'Ik vond dat ik iets had af te maken, ik heb een protestants plichtsbesef.'

Het waren tropenjaren voor Rudi Fuchs (60), de jaren in het Stedelijk. Direct bij zijn aanstelling, in 1992, gold hij al als omstreden.

Dat was niet altijd zo geweest. De gewaagde exposities die hij in de jaren zeventig in het Van Abbemuseum in Eindhoven organiseerde, leverde hem internationaal aanzien op. Fuchs' reputatie begon echter scheurtjes te vertonen toen in 1984 niet híj maar Wim Beeren werd uitverkoren voor het directoraat van het Stedelijk, het belangrijkste museum voor moderne kunst in Nederland.

Fuchs werd 'geparkeerd' in het Haags Gemeentemuseum, waar hij in 1992 vertrok met een tekort van 4,2 miljoen gulden. Het bezorgde hem de reputatie van geldverslinder. 'Onterecht', zegt Fuchs. 'Vlak na mijn vertrek is een rapport verschenen, waarin ik van elke blaam wordt gezuiverd. Maar dat heeft de publiciteit nooit gehaald. Daar heb ik nog steeds last van.'

Aangeschoten, maar vol goede moed, begon Fuchs in 1992 in het Stedelijk. En zowaar: met zijn Coupletten - een reeks exposities waarin Fuchs op onorthodoxe wijze stukken uit de collectie met elkaar combineerde - dwong hij zelfs respect bij zijn grootste criticasters af.

Maar die waardering begon al fluks af te kalven. Fuchs kent de verwijten: 'Ik zou alleen maar mijn vrienden hebben laten zien.' Alwéér Dibbets, alwéér Baselitz, alweer Rainer. En hoe kon je tentoonstellingen als die van koningin Beatrix en filmster Dennis Hopper anders zien dan als 'zielige publiciteitstunts'?

'Ik had een droom', zegt Fuchs, 'toen ik in dit museum kwam: ik zou van het Stedelijk het mooiste museum ter wereld gaan maken.' De collectie - 'die onorthodoxe verzameling, mooier en beter dan welke ook, onvergelijkbaar met die van de Tate of het MoMa' - die zou hij weer zichtbaar maken. In alle glorie herstellen.

Zijn meterslange tafel is bezaaid met boeken. Catalogi van zijn laatste tentoonstellingen, monografieën van abstracte schilders. Op het prikbord, tussen alle uitnodigingen voor exposities, een foto van Fuchs en raadsleden tijdens een dagje uit. Hier kan hij uren denken, lezen werken. Fuchs' kamer in het museum: een ruimte met één klein hoekraam. Nauwelijks uitzicht.

Bij die droom van het 'mooiste museum ter wereld' hoorde het uitbreidingsplan van de Portugese architect Alvaro Siza. Onvoorwaardelijk. En het Museumplein.

Fuchs had het al helemaal voor ogen: 'Ik kon dat museum vertéllen. Van zaal tot zaal. Waar wat moest hangen, waar welk beeld moest staan. Dat kan ik heel goed.'

Ondanks het nieuwbouwdrama dat zich dertien jaar lang voortsleepte, ondanks het voortdurende politieke gebakkelei over de uitbreiding, heeft hij altijd in die droom geloofd. Tot 3 september - toen het Amsterdams stadsbestuur zei: er is geen geld voor de uitbreiding van het Stedelijk, voor de grootse plannen die Fuchs samen met Siza had gemaakt. Onderzocht moest worden of er geen museum op de Amsterdamse Zuidas kon verrijzen. 3 September: toen legde Fuchs het hoofd in de schoot.

Fuchs: 'Mijn eerste instinct was: Wegwezen hier. Opgekrast staat netjes.' Zoals zijn vrienden hem zeiden: er is al te lang door de gemeente met jou en de nieuwbouw gesold.

Maar hij ging niet. Niet meteen. Fuchs kondigde zijn vertrek aan bij wethouder Hannah Belliot van Cultuur, en besloot in datzelfde gesprek dat het beter was dat hij bleef. 'Om de zaak uit de modder te halen.'

Nee, Belliot heeft hem niet gevráágd te blijven - 'daar heeft ze zich nooit over uitgesproken.' Maar ja, hoe is Belliot? 'Ze wilde die nieuwbouwgeschiedenis nu eindelijk eens afsluiten. Dat zei ze me ook, toen ze net als wethouder aantrad: ''We moeten nog dit jaar van dit dossier af. Coute que coute. Ook als dat betekent dat we de nieuwbouw helemaal moeten afblazen''.'

Fuchs: 'Daar schrok ik wel van.'

We houden ons gedeisd, zo sprak Fuchs met het Amsterdamse stadsbestuur af. De komende maanden doen we niets, zeggen we niets wat de precaire besluitvorming over de nieuwbouw uiteen kan doen spatten. En we praten zeker niet over personen. Fuchs, cynisch: 'Dat lukte. Een week of drie.'

Tot de Amsterdamse wethouder van Financiën Geert Dales hem in een tv-uitzending 'niet meer de juiste man op de juiste plek' noemde. En vervolgens de ingezonden stukken de kranten binnenstroomden. Met name de reactie van Frans Haks, voormalig directeur van het Groninger Museum, die hem opriep te vertrekken ('Onsmakelijk en onbeschaafd') heeft hem diep gegriefd.

Lijdzaam: 'Dat heb je dan: als je eenmaal op de grond ligt, komt iedereen tegen je aantrappen.'

'Ik zat daar te wachten tot de storm over was, als een slak op de weg.' En hij zei niets. Geheel tegen zijn karakter in, inderdaad. 'Maar het móest.'

Want: 'Het was oorlog!'. Was hij weggegaan, dan was dat 'verraad' geweest. Ten opzichte van de kunstenaars die het museum steunden. En ten opzichte van het museum zelf. Want daarvan is Fuchs overtuigd: 'Als ik was weggegaan, was het Stedelijk naar de Zuidas verhuisd. Onmiddellijk. Ik ben gebleven voor de goede zaak.'

Fuchs leunt achterover. Achteraf, zegt hij, neemt hij zichzelf maar één ding kwalijk. Hij heeft te lang geloofd wat de politiek hem voorschotelde. 'Het probleem was dat we al die jaren maar plannen zijn blíjven ontwikkelen, terwijl het geld er nooit helemaal was. Dales vertelde me vorige zomer nog dat het met het geld voor het museum wel goed zou komen. Hij ontkent het nu, maar hij heeft het wel degelijk gezegd. De gemeente liet weten nog met het rijk te gaan praten. Ze denken dat anderen heel makkelijk geld zullen geven. Ondertussen zwommen we langzaam een fuik in. Alleen, je zag die fuik niet.'

Naïef? 'Misschien had ik toen moeten zeggen ''Ja, ga nu gauw weg. Er is geen geld, we gaan niet verder''. Maar dat doe je niet, want je wilt een museum.' Toch is hij tevreden, zegt hij nu. Want er ligt een besluit. Een uitgeklede versie van het oorspronkelijke plan Siza weliswaar, waarvan in de financiering bovendien nog zeven miljoen euro ontbreekt. Maar toch, een besluit. En dus, zegt Fuchs, is dit het logische moment om op te stappen. Weg van zijn 'museum van concentratie' naar dat andere bolwerk van verstilling: volgend jaar gaat Fuchs les geven aan de Universiteit van Amsterdam, bij de nieuwe leerstoel Kunstpraktijk.

Hij is geen 'bouwheer', zegt hij. Hij zou niet weten wat hij vier jaar lang moet doen als het museum in een bouwput verandert. Maar er is ook een andere reden, andere 'intellectuele omstandigheden', voor zijn vertrekt nu. Fuchs heeft gezien hoe de tijd is veranderd. Hoe alles sneller, vluchtiger, kortademig is geworden. De kunst zelf, de visie van anderen op musea, de politiek.

En ook hijzelf is veranderd, zegt hij. Ook door een zwaar auto-ongeluk, 'al is dat minder dan mensen zullen denken'. In oktober 2001 raakte Fuchs levensgevaarlijk gewond. Hij reed met een Italiaanse vriend in een klein Fiatje over een tweebaansweg in de buurt van Rome, toen een tegenligger in de slip raakte en frontaal op hen botste. Fuchs scheurde zijn milt, kneusde zijn long en brak zijn ribben.

'Ik heb een behoorlijke klap gehad, en dan ben je verbaasd dat je nog leeft. Wat moet ik er verder over zeggen? Het is zo banaal. Je gaat hoofd- van bijzaken onderscheiden. Maar dat zegt iedereen. En ik ben milder geworden zonder milt. Toleranter. Gisteren belde mijn dochter op. Verbaasd. Dat ik niet was gaan schelden tijdens een televisieuitzending waar me van alles werd aangewreven. Maar nee, dat is het me allemaal niet meer waard.'

Met weemoed denkt hij nog wel eens terug aan zijn tijd in Eindhoven. In de provincie. Klein museum, klein budget, mooie collectie. Hij herinnert zich goed hoe hij op zijn eerste werkdag als museumdirecteur in het depot een Picasso ter hand mocht nemen en kon verordonneren waar die moest komen te hangen - 'Dat zal ik het meest missen.'

En de politici destijds in Eindhoven, die de kunst nog echt beschermden. Die hem als de autoriteit aanwezen, als enige echt ter zake kundig. Die tijd is voorbij, zegt Fuchs. Hij heeft de omslag aan den lijve ondervonden: 'De politiek is mondiger geworden, individualistischer en luimiger.'

De politiek is te nabij gekomen, zegt Fuchs. 'Als Dales zegt dat ik niet meer de juiste man op de juiste plek ben, kan ik evengoed zeggen dat de politiek niet meer de juiste is voor het museum en de kunst.' Neem de Museumnacht, zegt hij met onverholen misprijzen: 'Dansen, drinken, loungen in het museum, tot 's avonds laat. Dát is wat politici met musea voorstaan.'

Langetermijnvisie, zegt hij, daar ontbreekt in de huidige consumptiemaatschappij ten ene male aan. Zélf denkt hij wel in grote lijnen. Neem het plan dat hij ooit op twee A 4tjes maakte voor een museum op de Zuidas ('Nee, níet voor het Stedelijk'). Een Akropolis moest het daar worden, allerlei musea gebouwd door verschillende architecten op een berg. Musea voor mode, design, de Amsterdamse geschiedenis, een bibliotheek. 'Nee, dat plan is nooit openbaar gemaakt. Daarom zeg ik het nu. Zet het alsjeblieft in de krant.'

Het museum als Akropolis, op de berg, hoog boven het rumoer en de waan van de dag verheven. Dat is typisch Fuchs. Hij heeft van het Stedelijk 'een mausoleum' gemaakt, zoals critici beweren. Liet alleen nog maar kunstenaars zien die hij leerde kennen in zijn Van Abbe-tijd. Fuchs stelde zich op als de behartiger van het stille in de kunst. Van het trage en voorname, van kunst als Bildung en het museum als leerschool. Hij kan er met een melancholie over praten, alsof het over de teloorgang gaat van de goeie ouwe tijd.

Fel: 'Hou daarover toch eens op.

Dat hij geen eigentijdse kunst heeft getoond, noemt hij een valse voorstelling van zaken. Neem de Peiling, zegt hij, een tentoonstelling in het Stedelijk met jonge kunstenaars als Job Koelewijn, Antonietta Peeters en Alicia Framis. 'Oh, was dat in 1996? Ik ben slecht in data. Maar het is genoeg gebeurd, dat weet ik zeker. Zoveel goede kunstenaars zijn er toch niet bij gekomen sindsdien?'

En dat hij zijn conservatoren te weinig ruimte gaf is niet waar. 'Al was dat zo, dan hadden ze me maar moeten aanvallen. Het is ook een kwestie van ruimte némen. De conservatoren hebben wel eens gezegd: ''Dat is moeilijk bij jou.'' Maar je kunt moeilijk van mij verwachten dat ik voor iedereen de deur open zet.'

Bovendien, de zijn laatste tentoonstelling van Tracey Emin, die is bejubeld, was toevallig wel zíjn idee, 'tegen iedereen in dit huis in'. Fuchs: 'Ik weet nog wel degelijk wat er nu speelt. Ik heb de Documenta in Kassel goed bekeken, zorgvuldiger dan menigeen vermoedelijk.

Natuurlijk is de kunst veranderd, legt hij uit. Hij heeft er veel over nagedacht: dat de nieuwe kunst geen vorm meer heeft, alleen rauwe inhoud. 'In de hele kunstgeschiedenis, van Rafael tot Mondriaan, ging het niet niet zozeer om wát je maakte, maar om hóe je het maakte. Het ging om de esthetisering. De inhoud veranderde door de eeuwen niet wezenlijk: een naakt, een landschap, een boom.

'Maar bij jonge kunstenaars als Damien Hirst, Tracey Emin en Sam Taylor Wood draait het om de inhoud. Om misère, smart, gevoelens. Uit het leven gegrepen, zonder opsmuk. Bij dat realisme kiezen ze de vorm die nodig is. Of dat nu een video is, een brief, of een haai op sterk water.'

'Dat weet ik ook pas sinds een maand of twee, drie. Ik heb er ook nog maar heel weinig over gelezen, dat je dat zo kunt zien.'

Je groeit op een gegeven moment uit je tijd, vindt Fuchs. Dat is nu gebeurd. 'Dat wil ik best toegeven. Het is onvermijdelijk. De kunst van mijn generatiegenoten staat me het meest nabij. Ik ben immers met hen opgegroeid, heb dezelfde films gezien, heb dezelfde muziek gehoord.' En daarom, vindt Fuchs, is voor hem als museumdirecteur de tijd aangebroken om het stokje aan de volgende generatie door te geven.

Maar, let wel: 'Dat wil niet zeggen dat ik de jongste kunst niet meer begrijp. Ik ben alleen niet meer Tussen Kunstenaars, zoals mijn laatste boek heet. Ik kijk anders naar de nieuwe kunst. Met meer afstand. Zoals een vader naar zijn kinderen kijkt.' En om die reden, denkt Fuchs, beziet hij die kunst ook anders dan anderen.

'Misschien beter. Of scherper', zegt hij.

'Ik heb niet de indruk dat ik een generatieprobleem heb.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden