Hugo Claus: De meester-speler

Het immense oeuvre van Hugo Claus is een kosmos, een zonnestelsel met planeten en asteroïden.

‘Als dan het koperen keteltje vol as’, schreef hij, ‘van wat ik was wordt leeggeschud over het geduldig gras, mijn lief, sta daar dan niet voor schut en veeg de rimmel van je wangen’. Tot royaal over de boorden van het graf heeft Hugo Claus zijn armen uitgestrekt, bijtijds en genereus, liefhebbend en een tikje plagerig: bij leven reeds bezweerde hij het rouwbeklag. Het gedicht waaruit die regels komen is van twintig jaar terug en het is de moeite waard er nog wat uit te citeren. ‘Denk aan de vingers die deze regels schreven’, maant hij ons, ‘En lach om wat ik was.’ Met de glimlach van de zelfspot hem zo eigen somt hij zijn zwakke plekken op – en juist dat is kenmerkend.

Dat de man die zichzelf alvast als een keteltje as portretteerde op aswoensdag het leven liet – hij, de papenvreter – is al even kenmerkend als dat hij dat op een door hemzelf nauwkeurig aangegeven moment deed: Ni Dieu, ni maître stond er onder de afscheidsbrief waarin hij zijn vrienden twee jaar terug van dat voornemen verwittigde. Met een lichte variatie op het woord van Oscar Wilde kun je zeggen dat Hugo Claus een gek was die dacht dat hij Hugo Claus was, de regisseur van zichzelf en zijn leven.

Luiheid
Hij, de auteur van meer dan honderdvijftig afzonderlijke boekpublicaties, kon als geen ander opsnijden over zijn luiheid. Zo veel had hij geschreven, romans, verhalen, gedichten, toneelstukken, filmscenario’s en libretti, dat hij, wanneer men in zijn bijzijn een gedicht van hem citeerde, verrast kon opkijken en kon zeggen: ‘Dat komt mij bekend voor, is het van mijzelf?’

Wie hem, binnen enkele uren na zijn dood, denkt te moeten karakteriseren zou hem de menselijkste van de gouden generatie moeten noemen, de generatie grote na-oorlogse auteurs uit de Nederlandse literatuur. Zijn immense oeuvre is een kosmos op zichzelf, een zonnestelsel met grote planeten en kleine asteroïden. Daarin zijn talloze verbanden aan te wijzen, zoals al dat gruis en grut dat rond de zon draait krachten op elkaar uitoefent. Daarin vallen naast felle verschillen diepe verwantschappen op. Het burleske en het klassieke bestaan daarin doodleuk naast elkaar, het diepzinnige en het banale, het virtuoze en het melige. De schepper ervan demonstreerde keer op keer zijn wellustige plezier in het leven en het schrijven. Een tafelaar, een babbelaar, een speler – een gourmand, een charmant en een demiurg, wat andere woorden zijn voor hetzelfde.

(Tekst gaat verder na de fotospecial)

]]>

Lees die ene zin waarin hij, in een van zijn latere romans, zijn levensfilosofie tot motto indikt. ‘Ik geef toe, het is van ons schoonste niet, maar de mens moet toch iets doen met zijn medemens, hem plagen of hem vogelen.’ Dat komt uit De Geruchten, de roman die hij liet vooraf gaan door een citaat van de zeer door hem bewonderde 17de-eeuwse dichter John Donne. ‘Tis all in pieces, all coherence gone’, schreef die dichter die ook een dominee was, ‘all just supply and all relation.’

Verveling
Om die chaos, het ontbreken van coherentie gaat het – en als de schrijverij al een bedoeling had, anders dan, zoals hijzelf zei, ‘om de verveling te bestrijden’, dan was het een zekere samenhang te suggereren, te forceren haast. Hugo Claus schoot met hagel, hij schreef veel en velerlei, hij schreef als een schepper en als een bezweerder. De liefde en de dood, zij komen ongeveer even frequent voor in zijn literaire universum: scheppen en bezweren.

In het midden daarvan staat de grote roman Het Verdriet van België, epos en tragedie ineen. Het opent als een apocalyptisch gedicht: ‘Dondeyne had een van de zeven Verboden Boeken onder zijn schort verstopt en Louis meegelokt. Zij zaten onder de slingerplanten van de grot van Bernadette Soubirous.’ Toen het verscheen, een kwarteeuw terug, en vanaf de eerste dag aan zijn opmars begon als één van de belangrijkste boeken van de Nederlandse literatuur van de 20ste eeuw, was duidelijk dat de schrijver een zon in het centrum van zijn oeuvre had geplaatst, kolossaal en koesterend, onweerstaanbaar en meedogenloos. Het is het relaas van de opgekropte ontgoochelingen van een heel volk, verteld bij monde van een kleine jongen die de magie van de wereld niet onttoveren wil. Angst en achterklap vervloeien erin met levenslust en liefde, de meester en de speler zijn beiden present. Wie herinnert zich niet de anekdote van de mater familias die de wc-vloer onder stroom laat zetten omdat haar man om haar te pesten steevast naast de pot pist?

De kleine ambitie
In zijn verhalen liet hij die wereld telkens terugkeren. In De Mensen Hiernaast, een verhalenbundel van twee jaar later, treiteren de familieleden elkaar in eenzelfde toonsoort over de tekst op het bidprentje voor hun overleden tante. ‘In de Heer ontslapen’, zegt men dat zo? ‘Wat zou je willen, mama, dat er staat dat tante Pauline ontslapen is naast of onder de Heer?’ De grote ambitie van al die vertakkingen van wat in de Franse editie zo fraai le chagrin de Flandres heet, was de frustraties van de oorlog, de kerk en de ontvoogding in kaart brengen, het verhaal van een volk weerspiegeld in het verhaal van een opgroeiende jongen. De kleine ambitie, die misschien veel groter was, de geestelijke architectuur van al die sjoemelaars, ritselaars en sjacheraars schetsen. Het Verdriet van België, de titel werd, vele malen geplagieerd en gemaltraiteerd, een zinnebeeldig begrip op zichzelf, waaruit blijkt hoe diep de waarheid was die Claus had ontrafeld.

Je zou de eerdere romans er haast door vergeten, De Metsiers, de roman waarmee hij als 21-jarige debuteerde en die dat fragmentarische al weerspiegelde, De Hondsdagen, De Koele Minnaar en het scandaleuze Het Jaar van de Kreeft. Zij zijn als planeten in die kosmos, en zoals de aarde haar zeeën heeft en Saturnus zijn ringen, hebben die boeken elk voor zich hun onvergetelijke bekoring.

Klassieke karakters
Men zou haast vergeten dat hij ook de grootste Nederlandstalige toneelschrijver van na de Tweede Wereldoorlog is, met vijfendertig eigen stukken op zijn naam en evenzoveel bewerkingen van klassieken en scenario’s. Een Bruid in de Morgen, ruim een halve eeuw oud, veranderde de toon en de taal van het Nederlandse toneel en hield repertoire. Suiker en Vrijdag introduceerden personages die klassieke karakters werden: wij hebben ze door vele acteurs zien belichamen. In veel van dat werk wordt Claus’ classicisme zichtbaar, zijn moeiteloze identificatie met zowel de Griekse als de Shakespeareaanse klassieken. Dwars door hun ponteneur heen herkende hij hun menselijkheid, hun al te menselijke broosheid.

Geen schrijver werd zo dikwijls gelauwerd als hij. Maar in Vlaanderen hielden zij niet van hem omdat hij tekeer ging tegen de rooms-katholieke kerk, in Nederland niet omdat hij meer bijvoeglijke naamwoorden gebruikte dan zij daar voor deugdzaam houden. De kralentellers en de krentenwegers, tegen zijn weergaloos talent waren zij lang niet altijd opgewassen. ‘Drie rukkers deden in hun krant wat men doet in literaire hoekjes’, dichtte hij, ‘namelijk de dichter adstrueren dat hij niet buiten meer mag spelen’.

Cobra
Behalve romancier, verhalenschrijver, toneelschrijver en scenarist was hij ten slotte schilder, in de stijl van Cobra. Maar het meest van al was hij dichter: zijn debuut was een bundel en de titel daarvan, Registreren, zegt het al. Toen hij, halverwege de 20, zijn fenomenale Oostakkerse gedichten publiceerde, was duidelijk dat hij één van de grootste dichters van de eeuw was – en, nee, het bijvoeglijk naamwoord ‘Nederlandse’ hoeft daar niet bij. Moordend mooi is de cyclus van zijn oude dagen Nu nog.

In de laatste regels van dat weergaloze loflied op de geilheid, de aardsheid, het leven, de lust en de liefde, staat wat nu, nu hij de strijd tegen de Ziekte van Alzheimer heeft opgegeven, onthutsend van toepassing blijkt. ‘Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen’, schrijft Claus daar, ‘Mensen van enige standing zijn hun weg verloren als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.’

En dan, als laatste woorden aan de man met de zeis, recht in zijn gezicht: ‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood, tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden